Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel van de verdachte
zijn gebracht tot een strafbaar feit dat hij anders niet zou hebben gepleegd.
substantive test of incitement”) en een procedurele toets (“
procedural test of incitement”)onderzoekt of sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte door de opsporingsautoriteiten is gebracht tot het begaan van een strafbaar feit dat hij anders niet zou hebben gepleegd.
procedural test of incitement” dat wordt genoemd in bijvoorbeeld de zaken
Patrascu [2] en
Lagutin [3] , gaat over het horen van getuigen “
who could testify on the issue of incitement”. Het EHRM overweegt daarover:
Lagutin and Others v. Russia, nos. 6228/09, 19123/09, 19678/07, 52340/08 and 7451/09, § 101, 24 April 2014).” [4]
Ramanauskaslegt het EHRM dat uit:
(iii) Methodology of the Court’s assessment
substantive” en de “
procedural” toets van het EHRM niet zozeer gaat om een stelsel van communicerende vaten, maar om een stappenplan. De procedurele toets is pas aan de orde als de materiële toets, vanwege het ontbreken van informatie in het dossier, tot een “
inconclusive” resultaat leidt of als de materiële toets oplevert dat er inderdaad sprake is van een schending van het Tallon-criterium en moet worden beoordeeld wat daar het rechtsgevolg van is.
procedural test of incitement” en was het daarom ook niet gehouden om de getuigenverzoeken aan de hand van een andere maatstaf te beoordelen.
3.Het tweede middel van de verdachte
4.De middelen van het openbaar ministerie
eerste middelricht zich tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van uitvoer van cocaïne. Het
tweede middelkomt op tegen de vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van een poging tot uitvoer van cocaïne. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
bestemmingnaar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden” van die verdovende middelen. Het toepassingsbereik is daarmee ruimer dan wat onder dat bestanddeel naar het algemeen spraakgebruik wordt begrepen. [10] Daarmee heeft de wetgever volgens de wetsgeschiedenis beoogd om het bewijs van het strafbare feit te vergemakkelijken. [11] Door de in art. 1 lid 5 Opiumwet Pro verwoorde definitie kunnen dus ook handelingen van de verdachte die plaatsvinden voorafgaand aan de feitelijke uitvoer van de verdovende middelen worden aangemerkt als het “buiten het grondgebied van Nederland brengen” in de zin van art. 2 onder Pro A Opiumwet.