ECLI:NL:PHR:2025:1222

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
9 november 2025
Zaaknummer
24/00859
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen veroordeling voor bedreiging en geweldsmisdrijven met terbeschikkingstelling

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de verdachte, die is veroordeeld door het gerechtshof Amsterdam voor meerdere misdrijven, waaronder bedreiging en mishandeling. De verdachte, geboren in 1996, werd op 29 februari 2024 veroordeeld en vervolgens ontslagen van alle rechtsvervolging, maar het hof legde hem ter beschikking met verpleging op. De verdachte heeft op 14 december 2022 in een Forensische Psychiatrische Kliniek bedreigingen geuit naar medewerkers, waarbij hij zei: 'ik ga jullie één voor één vermoorden' en 'morgen pak ik jullie allemaal'. De verdediging stelde dat de slachtoffers geen redelijke vrees konden hebben voor de uitvoering van deze bedreigingen, gezien de geestelijke toestand van de verdachte en de omstandigheden waaronder de bedreigingen werden geuit. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de bedreigingen, in combinatie met het geweld dat de verdachte had gebruikt, voldoende waren om de redelijke vrees bij de slachtoffers te rechtvaardigen. De Hoge Raad bevestigde de uitspraak van het hof en oordeelde dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, maar dat dit geen grond was voor vernietiging van de uitspraak. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00859
Zitting11 november 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 29 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-002651-23; ECLI:NL:GHAMS:2024:437) veroordeeld voor in zaak A onder 1 en 2 en zaak B onder 2 telkens “mishandeling”, in zaak B onder 1 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en in zaak B onder 3 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling” en vervolgens door het hof ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof heeft ter zake van de in zaak B onder 3 bewezen verklaarde bedreiging gelast dat de verdachte (ongemaximeerd) [1] ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.
1.2
Het cassatieberoep is op 11 maart 2024 ingesteld namens de verdachte. A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een ontoereikende motivering, heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbare bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr.
2.2
Ten laste van de verdachte is in zaak B onder 3 bewezen verklaard dat:
“3. hij op 14 december 2022 te [plaats] , [slachtoffer 1] en een andere medewerker van [A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] en een andere medewerker van [A] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga jullie één voor één vermoorden” en “morgen pak ik jullie allemaal””
In zaak B onder 2 was de genoemde [slachtoffer 1] eveneens het slachtoffer. Ten laste van de verdachte is immers bewezen verklaard dat:
“hij op 14 december 2022 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 1] eenmaal in het gezicht te slaan en te krabben en eenmaal tegen de rug te trappen en vervolgens in de vinger te bijten”
2.3
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2024 volgt dat de raadsman van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn in het dossier gevoegde pleitnota. Blijkens die pleitnota heeft de raadsman onder meer het volgende aangevoerd:
“Zaak B, feit 3, bedreigingen:
Omstandigheden waaronder:
Op woensdag 14 december 2022, omstreeks 12.15 uur, was ik werkzaam bij de Forensische Psychiatrische Kliniek. Er moest dwangmedicatie toegediend worden bij [verdachte] die op dat moment in de separeercel van het Forensische Psychiatrische Kliniek zat. Ik ging naar de separeercel toe samen met mijn collega’s. Ik zag dat toen ik en mijn collega's [verdachte] wilden overmeesteren om de dwangmedicatie toe te dienen dat [verdachte] een slaande beweging in de richting van mijn gezicht maakte. Ik voelde dat [verdachte] met zijn hand een klap op mijn gezicht gaf, hierdoor wist ik even niet wat er gebeurde. Hierop krabte [verdachte] mij in het gezicht met zijn nagels net onder mijn rechteroog. Ik voelde een pijnlijk branderig gevoel voor de komende twee dagen omdat één van zijn vingers in mijn rechteroog was gekomen. Ik voelde dat ik een trap in mijn rug kreeg en vervolgens beet [verdachte] mij in mijn vinger. Ik hoorde dat [verdachte] doodsbedreigingen uitte naar mij en mijn collega's. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat "ik ga jullie één voor één vermoorden" en "morgen pak ik jullie allemaal". Ik voelde mij hierdoor bedreigd omdat [verdachte] een felle agressieve man is en ik hem geloof dat hij dit kan doen omdat hij zo fel is.
Cliënt was volledig van het padje, zoveel is duidelijk. De rb heeft cliënt ook volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard voor alle feiten. Voor wat de betreft de feiten in zaak B merkt de rb nog op:
'Ten tijde van zaak B was er ook geen contact met hem te krijgen.'
Mijn vraag is, kan aangever onder deze omstandigheden daadwerkelijk de redelijke vrees bekomen dat cliënt de volgende dag hem dood zal maken, gedrogeerd, vanuit de separeercel... ? Ik meen van niet.
In ECLI:NL:HR:2023:91 laat de hoge raad de volgende uitspraak in stand:
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is van bedreiging sprake indien deze van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
Het hof acht bij de beoordeling van de feiten 1 en 2 allereerst van belang dat verdachte vanwege haar geestelijke toestand gedwongen was opgenomen op de psychiatrische afdeling om behandeld te worden voor haar daaruit voortvloeiende klachten en onhandelbaar gedrag. Het is voorstelbaar dat verdachte, wanneer zij vanwege dat gedrag in de separeercel wordt of is geplaatst, grensoverschrijdend en onaangepast reageert wanneer zij door het personeel wordt beetgepakt. Datzelfde kan zich voordoen wanneer haar wens om in de separeercel te mogen roken, wordt afgewezen, hoe terecht die afwijzing op zichzelf genomen misschien ook moge zijn. Als die reactie zo heftig is dat die een verbale bedreiging inhoudt dan staat gelet op de psychiatrische omgeving en context, waarin die reactie wordt gegeven, niet zonder meer vast dat in redelijkheid door professionals als aangeefsters te vrezen valt dat verdachte die verbale bedreiging ook werkelijk zal uitvoeren. Bijzondere omstandigheden om daarvoor bezorgd te zijn, zijn in de gegeven situatie niet gebleken.
Het hof acht daarom niet bewezen dat bij de bedreigde (aangeefster) de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook zou worden gepleegd.
Het hof zal verdachte vrijspreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde."
Let wel: ook in deze zaak ging het om doodsbedreigingen!
Zie ook Hoge Raad, 28 maart 2006, NBSTRAF 2006/171:
3.4.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen is niet af te leiden dat met betrekking tot [slachtoffer 2] de
bedreigingin de gegeven omstandigheden – de verdachte was, na te zijn onderworpen aan een insluitingsfouillering, ingesloten in de observatiecel van het politiebureau – van dien aard was dat bij deze de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de verdachte ter zake van de tenlastegelegde
bedreigingvan [slachtoffer 2] vrijspreken. Daardoor wordt de aard en ernst van hetgeen in de bestreden uitspraak ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet aangetast, zodat vernietiging ter zake van de strafoplegging achterwege kan blijven.
Onder de gegeven omstandigheden meen ik dat aangever niet de redelijke vrees heeft kunnen bekomen dat cliënt hem (de volgende dag) zou doodmaken. Een vrijspraak van de bedreiging heeft derhalve te volgen.”
2.4
Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

Bewijsoverweging ten aanzien van de in zaak B onder 3 tenlastegelegde bedreiging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de ten laste gelegde bedreiging dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de aangever onder de gegeven omstandigheden niet daadwerkelijk de redelijke vrees heeft kunnen bekomen dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.
Vooropgesteld dient te worden dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen dan wel het leven zou kunnen verliezen.
Het ten laste gelegde vond plaats op 14 december 2022 in de Forensische Psychiatrische Kliniek te [plaats] , alwaar de verdachte sinds 8 december 2022 verbleef op basis van een gedwongen rechterlijke machtiging. Op die dag verbleef de verdachte in de separeerruimte omdat hij een paar dagen daarvoor delen van zijn kamer had vernield. Er moest dwangmedicatie worden toegediend, omdat de verdachte orale medicatie weigerde. [slachtoffer 1] is medewerker groepsbegeleider bij voornoemd centrum. Op de bewuste dag ging hij samen met een aantal collega’s naar de separeerruimte om de verdachte een injectie te geven. De verdachte verzette zich hier hevig tegen en heeft de aangever in het gezicht geslagen, onder zijn oog gekrabd, in zijn rug getrapt en in zijn vinger gebeten. De verdachte zei daarbij: “ik ga jullie een voor een vermoorden” en “morgen pak ik jullie allemaal”. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde omdat de verdachte een felle agressieve man is. De [getuige] , eveneens werkzaam bij voornoemd centrum, heeft verklaard dat hij de bedreigingen heeft gehoord en getuige was van het geweld. Hij voelde zich bedreigd omdat hij verwachtte dat de bedreigingen waarheid konden worden. Hij heeft voorts verklaard dat de verdachte eerder al had gespuugd door het handboeienluik en zijn urine en ontlasting door de cel had gegooid.
Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden bij [slachtoffer 1] en de [getuige] de redelijke vrees is ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen dan wel het leven zouden kunnen verliezen. Hierbij is in het bijzonder van belang dat uit bovengenoemde omstandigheden blijkt dat de verdachte verplicht medicatie moest innemen, maar dit weigerde en zich daar hevig tegen verzette en daarbij daadwerkelijk overging tot het gebruik van geweld. Het feit dat zowel [slachtoffer 1] als [getuige] werkzaam waren in het Forensisch Psychiatrische Centrum waar de verdachte gedwongen verbleef maakt dat niet anders.
Het psychiatrisch ziektebeeld van de verdachte en het feit dat hij zich ten tijde van het doen van de gewraakte uitingen in een separeerruimte bevond, doen hieraan evenmin af.”
2.5
Ik stel het volgende voorop. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is in een geval als het onderhavige vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen [2] en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht. [3]
2.6
De steller van het middel meent dat het oordeel van het hof dat uit de omstandigheden van het geval zonder meer kan worden ‘opgemaakt’ dat de medewerkers van de Forensische Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) de redelijke vrees hebben kunnen bekomen dat de bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zouden worden gelegd, nadere motivering behoeft, nu “een ernstig verwarde man, die in een separeerruimte verblijft, (…) niet in staat [is] om de medewerkers van de FPK één voor één te vermoorden dan wel ze de volgende dag, morgen, allemaal te pakken, althans dat ligt niet in de rede”. De steller van het middel wijst op het arrest HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91,
NJ2023/89 m.nt. A.J. Machielse, waarvan de casus volgens hem “zeer grote gelijkenissen” vertoont met de zaak van de verdachte. De steller van het middel merkt op dat hem niet duidelijk is waarom het hof in de onderhavige zaak anders heeft geoordeeld dan in dat arrest. In de toelichting op het middel wordt voorts geklaagd dat in het bestreden arrest “niet (noemenswaardig) wordt ingegaan op de zijdens verzoeker gevoerde verweren”.
2.7
Het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2023 heeft betrekking op een door het openbaar ministerie ingesteld cassatieberoep tegen een arrest waarin de verdachte was vrijgesproken. Het hof had geoordeeld dat de verbale bedreiging bij de betrokkenen niet zonder meer in redelijkheid de (hiervoor in randnummer 2.5 bedoelde) vrees kon doen ontstaan. Dat oordeel getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, volgens hem ook niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het hof daarbij acht
konslaan op de concrete omstandigheden dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en de bedreigende taal “in haar emotionele geestelijke toestand” respectievelijk “in haar ontregelde geestelijke toestand” heeft geuit. De steller van het middel in de onderhavige zaak lijkt te miskennen dat dit arrest betrekking heeft op een vrijspraak in hoger beroep en dat een vrijspraak – in het bijzonder de motivering van het ontbreken van de overtuiging dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan – in cassatie in zeer beperkte mate kan worden getoetst. Dat betekent dat als het beschikbare bewijsmateriaal een bewezenverklaring toelaat, nog niet is gezegd dat de inhoud van een nadere motivering van een vrijspraak die beslissing tot vrijspraak onbegrijpelijk maakt. [4] Daarmee heeft een dergelijk arrest geen relevantie voor de beoordeling van de vraag of een
bewezenverklaringbegrijpelijk is gemotiveerd. Ten overvloede wijs ik erop dat het hof door het gebruik van de woorden “niet zonder meer” de mogelijkheid openhield dat door bijkomende omstandigheden wél sprake kan zijn van een bedreiging, terwijl het arrest geen melding maakt van gebruik van geweld door de verdachte.
2.8
In het middel wordt niet geklaagd over het (kennelijke) oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde woorden: “ik ga jullie één voor één vermoorden” en “morgen pak ik jullie allemaal” op zichzelf als doodsbedreigingen dan wel bedreigingen met zware mishandeling zijn te kwalificeren. Uit de rechtspraak blijkt tot nu toe niet dat het bedreigende karakter van ‘ondubbelzinnige bedreigingen’, zoals de bewezen verklaarde in de onderhavige zaak, door bijkomende omstandigheden daaraan kan worden ontnomen. [5] Met A.J. Machielse in zijn annotatie bij het arrest HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91,
NJ2023/89 meen ik dat de opvatting dat “aan toepassing van art.285 Sr in de weg zou staan dat verdachte onder invloed was van middelen, ten prooi was aan hevige emoties, of vanwege persoonlijkheidsproblematiek of op andere gronden van zijn vrijheid was beroofd op het moment dat de bedreigingen werden geuit”, geen steun vindt in de rechtspraak. Het tegendeel blijkt bijvoorbeeld uit HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4824,
NJ2006/397 m.nt. Y. Buruma, waarin de Hoge Raad van belang acht dat de raadsman weliswaar heeft betoogd dat de verdachte “stomdronken was en niet met hem te spreken viel”, maar dat hij tevens heeft gesteld dat de nageroepen woorden op zichzelf genomen voldoende zijn om bij de bedreigden de redelijke vrees te doen ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.
2.9
Het voorgaande neemt niet weg dat ik mij kan voorstellen dat als in een uitzonderlijk geval waarin de bedreiging moet worden begrepen als uitsluitend te zien op een specifiek, concreet moment en is vastgesteld dat de verdachte zich op dat moment (bijvoorbeeld) geboeid op het politiebureau bevond of zou bevinden, waardoor hij niet in staat was om op dat specifieke moment de bedreiging ten uitvoer te brengen, én de betrokkene dat weet, bij de betrokkene niet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het gevolg zou kunnen oplopen waarmee is bedreigd. [6] Bij het oordeel of de vrees kon ontstaan, zou naar mijn mening echter geen rekening mogen worden gehouden met de eventuele maatregelen die (mede) als reactie op de bedreiging zijn getroffen om te voorkomen dat de verdachte de bedreiging kan waarmaken.
2.1
Ik acht het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde uiting van dien aard is dat bij de [slachtoffer 1] en een andere medewerker van de FPK de redelijke vrees kon ontstaan [7] dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen dan wel het leven zouden kunnen verliezen, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof hierbij in het bijzonder van belang heeft geacht dat de bedreigingen zijn geuit nadat de verdachte verplicht medicatie moest innemen, maar dit weigerde en zich daartegen hevig verzette en dat hij daarbij daadwerkelijk overging tot het gebruik van geweld. Het oordeel van het hof dat het psychiatrisch ziektebeeld van de verdachte en de omstandigheid dat hij zich
ten tijde van het doen van de gewraakte uitingenin een separeerruimte bevond hieraan niet afdoen, acht ik evenmin onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ten slotte ligt in het oordeel van het hof besloten dat – anders dan de verdediging heeft bepleit en in cassatie wordt herhaald – daaraan evenmin kan afdoen (i) dat de verdachte zich de volgende dag nog in de separeerruimte zou bevinden, en (ii) dat de verdachte de volgende dag gedrogeerd zou zijn, nu (i) is gebleken dat de verdachte ook vanuit de separeerruimte geweld kon plegen, (ii) niet is aangevoerd, noch vastgesteld, dat de verdachte de volgende dag nog gedrogeerd zou zijn dan wel dusdanig gedrogeerd zou zijn dat hij daardoor niet in staat zou zijn om ‘hen allemaal’ te pakken en (iii) dat slechts de bewezen verklaarde bedreiging “morgen pak ik jullie allemaal” op de volgende dag ziet nu de bewezen verklaarde bedreiging “ik ga jullie één voor één vermoorden” op elk moment in de toekomst ten uitvoer kan worden gebracht.
2.11
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat het hof “ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een ontoereikende motivering, heeft geoordeeld dat er sprake is van een geweldsmisdrijf als bedoeld in art. 38e Sr, waardoor er sprake van een ongemaximeerde TBS”.
3.2
Zoals in randnummer 1.1 reeds is aangegeven, heeft het hof ‘de maatregel van tbs’ (hierna: tbs) uitsluitend opgelegd ten aanzien van de in zaak B onder 3 bewezenverklaarde bedreiging. Met betrekking tot de tbs heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

Noodzaak en mogelijkheid van (on)gemaximeerde TBS
Het hof overweegt dat bedreiging niet zonder meer is aan te merken als geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr, zodat TBS met dwangverpleging in beginsel de maximale duur van vier jaren niet te boven kan gaan. Echter, onder omstandigheden kan ook bij bewezenverklaring van artikel 285 Sr een ongemaximeerde TBS-maatregel worden opgelegd. Daarbij dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen te worden, waarbij onder meer gekeken kan worden of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd. [8]
Naar het oordeel van het hof ligt in de bewezenverklaring van de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, de bewijsoverweging, en de motivering van de oplegging van de maatregel, in onderling verband en samenhang bezien, besloten dat sprake is van een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 38e Sr. De totale duur van de TBS-maatregel met een bevel tot dwangverpleging is daarom niet beperkt tot de duur van vier jaren. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het recidivegevaar, vindt het hof het ook noodzakelijk dat de TBS-maatregel niet door enige duur wordt beperkt.”
3.3
Art. 38e lid 1 Sr luidt:
“De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
Art. 359 lid 7 Sv luidt:
“Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, geeft het vonnis dit onder opgave van redenen aan.”
3.4
Ik stel het volgende voorop. Art. 38e lid 1 Sr stelt als voorwaarde voor verlenging van de tbs met verpleging van overheidswege – als deze tbs reeds vier jaren of langer heeft geduurd – dat de maatregel moet zijn opgelegd ter zake van “een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen
, oftewel een geweldsmisdrijf. De rechter die een tbs met verpleging oplegt, dient tot uitdrukking te brengen of de maatregel wel of niet voor een geweldsmisdrijf is opgelegd, bij voorkeur in de bewoordingen van art. 359 lid 7 Sv. Dat is vooral van belang als het misdrijf waarvoor de tbs is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf, bijvoorbeeld bij een bedreiging (art. 285 Sr). [9] In de regel zal de rechter bij zijn motivering ermee kunnen volstaan te wijzen op de aard van het misdrijf zoals dat is bewezenverklaard en gekwalificeerd. Aan de voorgeschreven motivering zullen dus normaliter niet zulke strenge eisen behoeven te worden gesteld. Onder omstandigheden zal de rechter evenwel in zijn motivering moeten wijzen op de concrete feiten of omstandigheden. [10] Het ligt voor de hand dat dit laatste eerder aan de orde is bij een misdrijf dat niet zonder meer als een geweldsmisdrijf kan worden aangemerkt, zoals bedreiging. Heeft de rechter die de maatregel oplegt eenmaal vastgesteld dat een feit ‘naar zijn aard’ een geweldsmisdrijf is, staat het hem niet vrij alsnog te bepalen dat de totale duur van de tbs met verpleging de periode van vier jaar niet te boven kan gaan. [11]
3.5
Bij zijn oordeel over de aard van de bedreiging moet de rechter alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen. Daarbij zal hij onder meer kunnen betrekken of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd. [12]
3.6
Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een geweldsmisdrijf in de zin van art. 38e Sr. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het geheel niet onbegrijpelijk. Het hof verwijst ter onderbouwing van zijn oordeel onder andere naar de bewijsoverwegingen. Uit die overwegingen volgt dat de bedreiging van de beide slachtoffers gepaard is gegaan met het gebruik van fysiek geweld, resulterend in een veroordeling voor de mishandeling van een van hen. Volgens deze vaststellingen is de bedreiging dus voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag, zodat het hof alleen al daarom heeft kunnen oordelen dat de tbs werd opgelegd voor een geweldsmisdrijf.
3.7
Anders dan de steller van het middel meent, behoefde het hof bij zijn oordeel niet stil te staan “bij de bijzondere setting waarbinnen de bedreigingen zijn geuit, te weten in een kliniek, op het moment dat een volledig verward persoon met grote overmacht dwangmedicatie krijgt toegediend alsook de toenmalige psychische ontregeling van verzoeker” dan wel bij de in de toelichting op het middel vermelde omstandigheid “dat het destijds niet aannemelijk is geweest dat de bedreigingen ten uitvoer zouden worden gelegd” en evenmin bij de volgens de steller van het middel bij het hof aangekaarte omstandigheid dat “mag worden verwacht dat psychische ontregeling een moment in het leven van verzoeker betreft en geen permanente staat”.
3.8
Het middel faalt.

4.Afronding

4.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, is op 11 maart 2024 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Aangezien de aan de verdachte opgelegde terbeschikkingstelling zich naar haar aard niet leent voor vermindering, kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. [13]
4.3
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
4.4
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de in art. 6 lid 1 EVRM bedoelde redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en strekt voorts tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zo blijkt uit motivering van de oplegging van de maatregel. Zie ook het tweede cassatiemiddel.
2.Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659,
3.Vgl. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252,
4.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
5.Vgl. A.J. Machielse in zijn annotatie bij het arrest HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91,
6.Ik vind het niet geheel begrijpelijk dat de Hoge Raad in HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191 oordeelde over een geval waarin de bedreiging níet zag op een specifiek, concreet moment, dat uit de bewijsmiddelen niet is af te leiden dat “de bedreiging in de gegeven omstandigheden – de verdachte was, na te zijn onderworpen aan een insluitingsfouillering, ingesloten in de observatiecel van het politiebureau – van dien aard was dat bij de betrokkene de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen”. Dat lijkt ook Machielse te menen in zijn hiervoor in voetnoot 5 bedoelde commentaar op art. 285 Sr. Overigens achtte de Hoge Raad in HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0740 voor het aannemen van de “redelijke vrees” (kennelijk) wel van belang dat de betreffende bedreigingen niet specifiek op het heden gericht waren, maar ook op de toekomst gericht konden zijn.
7.Het hof spreekt over “is ontstaan”, maar gelet op de door het hof gebezigde vooropstelling waarin het hof de juiste bewoordingen “kon ontstaan” gebruikt, lees ik dit als een kennelijke vergissing.
8.Voetnoot in arrest: “vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161”.
9.Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434,
11.Vgl. HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:760, rov. 6.2 en 6.3. Om die reden lijkt mij dat de overwegingen van het hof over de ‘noodzaak’ van een ongemaximeerde tbs niet van enige betekenis zijn.
12.Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, rov. 4.6.
13.Vgl. 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,