Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
bedreigingin de gegeven omstandigheden – de verdachte was, na te zijn onderworpen aan een insluitingsfouillering, ingesloten in de observatiecel van het politiebureau – van dien aard was dat bij deze de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de verdachte ter zake van de tenlastegelegde
bedreigingvan [slachtoffer 2] vrijspreken. Daardoor wordt de aard en ernst van hetgeen in de bestreden uitspraak ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet aangetast, zodat vernietiging ter zake van de strafoplegging achterwege kan blijven.
Bewijsoverweging ten aanzien van de in zaak B onder 3 tenlastegelegde bedreiging
NJ2023/89 m.nt. A.J. Machielse, waarvan de casus volgens hem “zeer grote gelijkenissen” vertoont met de zaak van de verdachte. De steller van het middel merkt op dat hem niet duidelijk is waarom het hof in de onderhavige zaak anders heeft geoordeeld dan in dat arrest. In de toelichting op het middel wordt voorts geklaagd dat in het bestreden arrest “niet (noemenswaardig) wordt ingegaan op de zijdens verzoeker gevoerde verweren”.
konslaan op de concrete omstandigheden dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en de bedreigende taal “in haar emotionele geestelijke toestand” respectievelijk “in haar ontregelde geestelijke toestand” heeft geuit. De steller van het middel in de onderhavige zaak lijkt te miskennen dat dit arrest betrekking heeft op een vrijspraak in hoger beroep en dat een vrijspraak – in het bijzonder de motivering van het ontbreken van de overtuiging dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan – in cassatie in zeer beperkte mate kan worden getoetst. Dat betekent dat als het beschikbare bewijsmateriaal een bewezenverklaring toelaat, nog niet is gezegd dat de inhoud van een nadere motivering van een vrijspraak die beslissing tot vrijspraak onbegrijpelijk maakt. [4] Daarmee heeft een dergelijk arrest geen relevantie voor de beoordeling van de vraag of een
bewezenverklaringbegrijpelijk is gemotiveerd. Ten overvloede wijs ik erop dat het hof door het gebruik van de woorden “niet zonder meer” de mogelijkheid openhield dat door bijkomende omstandigheden wél sprake kan zijn van een bedreiging, terwijl het arrest geen melding maakt van gebruik van geweld door de verdachte.
NJ2023/89 meen ik dat de opvatting dat “aan toepassing van art.285 Sr in de weg zou staan dat verdachte onder invloed was van middelen, ten prooi was aan hevige emoties, of vanwege persoonlijkheidsproblematiek of op andere gronden van zijn vrijheid was beroofd op het moment dat de bedreigingen werden geuit”, geen steun vindt in de rechtspraak. Het tegendeel blijkt bijvoorbeeld uit HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4824,
NJ2006/397 m.nt. Y. Buruma, waarin de Hoge Raad van belang acht dat de raadsman weliswaar heeft betoogd dat de verdachte “stomdronken was en niet met hem te spreken viel”, maar dat hij tevens heeft gesteld dat de nageroepen woorden op zichzelf genomen voldoende zijn om bij de bedreigden de redelijke vrees te doen ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.
ten tijde van het doen van de gewraakte uitingenin een separeerruimte bevond hieraan niet afdoen, acht ik evenmin onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ten slotte ligt in het oordeel van het hof besloten dat – anders dan de verdediging heeft bepleit en in cassatie wordt herhaald – daaraan evenmin kan afdoen (i) dat de verdachte zich de volgende dag nog in de separeerruimte zou bevinden, en (ii) dat de verdachte de volgende dag gedrogeerd zou zijn, nu (i) is gebleken dat de verdachte ook vanuit de separeerruimte geweld kon plegen, (ii) niet is aangevoerd, noch vastgesteld, dat de verdachte de volgende dag nog gedrogeerd zou zijn dan wel dusdanig gedrogeerd zou zijn dat hij daardoor niet in staat zou zijn om ‘hen allemaal’ te pakken en (iii) dat slechts de bewezen verklaarde bedreiging “morgen pak ik jullie allemaal” op de volgende dag ziet nu de bewezen verklaarde bedreiging “ik ga jullie één voor één vermoorden” op elk moment in de toekomst ten uitvoer kan worden gebracht.
3.Het tweede middel
Noodzaak en mogelijkheid van (on)gemaximeerde TBS
”, oftewel een geweldsmisdrijf. De rechter die een tbs met verpleging oplegt, dient tot uitdrukking te brengen of de maatregel wel of niet voor een geweldsmisdrijf is opgelegd, bij voorkeur in de bewoordingen van art. 359 lid 7 Sv. Dat is vooral van belang als het misdrijf waarvoor de tbs is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf, bijvoorbeeld bij een bedreiging (art. 285 Sr). [9] In de regel zal de rechter bij zijn motivering ermee kunnen volstaan te wijzen op de aard van het misdrijf zoals dat is bewezenverklaard en gekwalificeerd. Aan de voorgeschreven motivering zullen dus normaliter niet zulke strenge eisen behoeven te worden gesteld. Onder omstandigheden zal de rechter evenwel in zijn motivering moeten wijzen op de concrete feiten of omstandigheden. [10] Het ligt voor de hand dat dit laatste eerder aan de orde is bij een misdrijf dat niet zonder meer als een geweldsmisdrijf kan worden aangemerkt, zoals bedreiging. Heeft de rechter die de maatregel oplegt eenmaal vastgesteld dat een feit ‘naar zijn aard’ een geweldsmisdrijf is, staat het hem niet vrij alsnog te bepalen dat de totale duur van de tbs met verpleging de periode van vier jaar niet te boven kan gaan. [11]