ECLI:NL:PHR:2025:1298

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
23/04476
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bedreiging van politieagenten met enig misdrijf tegen het leven gericht en vordering benadeelde partij

In deze zaak is de verdachte, geboren in 2000, veroordeeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 3 november 2023 voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft op 2 december 2020 politieagenten bedreigd met een mes, waarbij hij expliciet dreigende woorden heeft geuit. Het hof heeft de verdachte een taakstraf van tachtig uren opgelegd, met een voorwaardelijke proeftijd van twee jaren. De benadeelde partij, een politieagent, heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend voor immateriële schade van € 350,-. Het hof heeft deze vordering toegewezen, maar de verdediging heeft in cassatie aangevoerd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd op welke grond de toewijzing is gebaseerd. De conclusie van de procureur-generaal is dat de beslissing van het hof moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar het gerechtshof voor herbehandeling van de vordering van de benadeelde partij. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden, maar heeft geen gronden gevonden voor ambtshalve vernietiging van de overige beslissingen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04476
Zitting2 december 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 3 november 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-004616-22) wegens (in de zaak met parketnummer 18-306514-20) “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en (in de zaak met parketnummer 18-040893-21) “poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, waarbij het hof aan de proeftijd algemene en bijzondere voorwaarden heeft verbonden. Het hof heeft voorts beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van drie benadeelde partijen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel [1] opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B.J.W. Tijkotte, advocaat in Koog aan de Zaan, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en welke door het hof vastgestelde omstandigheden de toewijzing van de vordering van [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) is gebaseerd.
2.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 18-306514-20 bewezenverklaard dat:
“hij op 2 december 2020 te [plaats] , meermalen, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , zijnde opsporingsambtenaren van de regiopolitie Noord Nederland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, bestaande hierin, dat de verdachte toen aldaar, zich bevindend op korte afstand van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , opzettelijk dreigend een mes, zichtbaar voor die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] gehouden en die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] opzettelijk dreigend heeft toegevoegd de woorden: “als jullie binnenkomen maak ik jullie dood”.
2.3
Het hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebruikt:
“1.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, afkomstig van verbalisant [benadeelde 1] d.d. 2 december 2020, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL100-2020333982, d.d. 24 december 2020 inhoudende als verklaring:
Op woensdag 2 december 2020 had ik dienst met politieambtenaar [benadeelde 2] , hoofdagent van de politie Noord Nederland. Wij kregen de melding om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Toen wij op de zesde verdieping aankwamen, zijn wij naar de woning toe gelopen met de moeder. Ik hoorde hierop luidkeels een man schreeuwen: “Als je binnen komt steek ik jullie dood!”. Ik zag dat de man met zijn rechterhand een mes vast hield. Ik zag dat de man het mes naar voren bracht en de punt op ons richtte. Ik schat dat dit mes tussen de 20 en de 30 centimeter groot was. Ik zag dat de man mij aankeek en ik hoorde de man wederom luidkeels schreeuwen: “Als je hier binnen komt steek ik je harstikke dood!”. Ik had zeker het idee dat deze man mij bedoelde en tegen mij aan het praten was. Hierop zag ik dat de man met versnelde pas op ons af kwam lopen. Tijdens het lopen hoorde ik hem wederom schreeuwen: “Ik steek jullie hartstikke dood!”.
2.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, afkomstig van verbalisant [benadeelde 2] d.d. 2 december 2020, opgenomen op pagina 15 e.v. van het voornoemd dossier inhoudende als verklaring:
Op woensdag 2 december 2020 had ik dienst met politieambtenaar [benadeelde 1] van de politie Noord Nederland. Wij kregen de melding om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Toen wij aankwamen, zag ik dat hij in de richting van ons kwam lopen en dat hij in zijn linkerhand een voorwerp had. Ik nam aan dat dit een mes kon zijn. Op datzelfde moment hoorde ik dat hij riep: “Als jullie binnenkomen maak ik jullie dood.” Omdat er was gezegd dat deze
persoon een mes zou hebben en ik iets in zijn linkerhand had gezien, ging ik ervan uit dat hij ons ook daadwerkelijk dood wilde maken.
3.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, afkomstig van verbalisant [benadeelde 3] d.d. 2 december 2020, opgenomen op pagina 19 e.v. van het voornoemd dossier inhoudende als verklaring:
Op 2 december 2020 was ik in functie en werkzaam al operationeel coördinator bij de politie Noord-Nederland en kreeg ik een melding van een zeer dreigende situatie aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Ik zag dat de man op zeker moment met zijn lichaam half uit het raam kwam hangen en ik zag dat hij in mijn richting keek. Ik hoorde dat hij riep: “Wat willen jullie nou, ik geloof niet in de praatjes van jullie. Ik ga mezelf van kant maken. De eerste de beste politieagent die hier binnenkomt die steek ik overhoop”. Ik stond op dat moment op de galerij op een afstand van 6 à 8 meter. Ik had echt heel sterk de indruk dat als ik bij hem in de buurt zou komen, de man mij dan ook echt zou gaan steken. De man bleef echter zijn dreigementen herhalen. Hij bleef maar roepen dat hij mij wilde neersteken.”
2.4
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2023 mondeling uitspraak gedaan. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt wat betreft het in de zaak met parketnummer 18-306514-20 bewezenverklaarde in:
“Na gehouden beraad verklaart de
voorzitterhet onderzoek gesloten en deelt mede, dat het
hof onmiddellijk mondeling uitspraak zal doen:
(…)
Wat de bewezenverklaring betreft van het ten laste gelegde opzet: anders dan de verdediging acht het hof opzet wel degelijk bewezen. Uit bepaalde feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte zich bewust is geweest van de situatie en zijn handelen. Onder meer uit het feit dat de verdachte ‘suicide by cop’ heeft geroepenen, blijkt dat hij zich bewust was dat hij met verbalisanten van doen had. Doordat de verdachte, een grote man, met bloed aan zijn handen liep te zwaaien met een mes, was er een aanmerkelijke kans dat de net gearriveerde verbalisanten zich bedreigd zouden voelen. Het hof is van oordeel dat de verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans dat de verbalisanten zich door zijn gedrag bedreigd zouden voelen, heeft aanvaard.”
2.5
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van [benadeelde 1] met bijlagen. Deze houdt in dat [benadeelde 1] een bedrag van € 350,- verzoekt als vergoeding van immateriële schade. In de bijlagen A en B is dat als volgt onderbouwd:
“Bijlage A
(…)
Het slachtoffer was op 2 december 2020 in zijn functie als politieman samen met een collega met noodhulp surveillance belast. Zij kregen de melding van een persoon die zichzelf in zijn polsen en armen aan het snijden was. Toen zij daartoe de woning wilden betreden waar de persoon zich zou bevinden trof het slachtoffer de verdachte in de deuropening. De verdachte dreigde het slachtoffer dood te maken. De verdachte liep met versnelde pas op het slachtoffer af en had een mes van tussen de 20 en de 30 centimeter in zijn hand. Wederom uitte hij een doodsbedreiging.
Hierop trok het slachtoffer zich terug en ging de verdachte terug in de woning en sloot de deur. Daarna kwam er politieassistentie ter plaatse.
Later zag het slachtoffer de verdachte uit het raam hangen met een mes in zijn hand. Hij riep daarbij: Ik ga jullie dood maken! Dit gaat eindigen met Suicide by cop! Ik word door jullie dood geschoten?!
Nog weer later liep de verdachte door het trappenhuis en riep: Kom dan! Ik steek jullie hartstikke dood!?
(…)
De verdachte heeft zijn handelen doelbewust gepleegd en daarmee een onrechtmatige daad gepleegd.
Hiermee aanvaarde hij doelbewust het gevolg van schade en/of letsel bij het slachtoffer. De verdachte heeft het slachtoffer in persoon aangetast. Door de handelingen van de verdachten is er schade ontstaan bij het slachtoffer. De onrechtmatige daad kan aan de verdachten worden toegerekend en die is hierdoor verplicht de schade te vergoeden aan het slachtoffer.
(…)
Immateriële schade
Het slachtoffer was bang tijdens en vlak na het incident. Hij moest zijn best doen niet te huilen. Het slachtoffer is een ervaren politieman die niet eerder een dergelijk gevoel had gehad tijdens zijn werk. Hij was de dagen na het in incident onzeker. Hij sliep een aantal dagen slecht waar dit normaal niet het geval is. Als hij sliep, sliep hij onrustig, hetgeen opgemerkt werd door zijn partner. Het incident heeft hem een week lang bezig gehouden. Hij voelde angst omdat hij met de dood bedreigd was. Hij zag het incident herhaaldelijk voor zich als hij zijn ogen sloot. Hij durfde daardoor niet te gaan slapen. Hij heeft veel over het incident gesproken. Na het incident is het slachtoffer voorzichtiger en terughoudender geworden in zijn werk
Het slachtoffer heeft in deze persoonlijke toelichting de impact en de gevolgen die het incident op het slachtoffer heeft, alsmede de daaruit voortvloeiende schade duidelijk omschreven.
In de aangifte van het slachtoffer heeft hij ook het nodige gezegd betreffende de hem aangedane schade.
(…)
(VS: ik begrijp Bijlage B)
In mijn aangifte heb ik het verhaal gedaan wat er zich heeft afgespeeld. Tijdens het incident, vlak na de aanhouding van de vader van [verdachte] , merkte ik aan mijzelf dat ik vol adrenaline zat, wat zich er door middel van huilen uit wou komen. Deze tranen kon ik nog maar net weg slikken. Ik voelde aan mijzelf dat ik erg bang was. Tijdens de de-briefing met de naaste collega’s heb ik ook aangegeven dat ik pure angst heb gevoeld. Een gevoel, wat ik nooit had verwacht te voelen tijdens mijn werk. Want een politieagent moet en is moedig. Zo ook ik. Dit gevoel kon ik voor de opvolgende dagen niet meer vinden. De eerste nachten, in het weekend na deze dienst, heb ik erg slecht geslapen. Normalerwijs val ik binnen enkele tellen in slaap. Nu duurde dit voor mij erg lang. Ook tijdens het slapen merkte mijn partner dat ik erg onrustig sliep. Een week lang heeft dit incident mij voortdurend bezig gehouden. Ik voelde dat ik nog steeds bang was, omdat ik met de dood was bedreigd. Ik wilde er constant over praten. Wanneer iemand aan mij vroeg hoe het werken bij de politie was, wilde ik eigenlijk alleen maar zeggen: Niet! Je moet niet bij de politie willen werken, want dit kan zomaar je laatste dag zijn. Terwijl ik eerder gezegd zou hebben: Dit is het mooiste vak wat er is!
Wanneer ik mijn ogen sloot om te gaan slapen, zag ik continue [verdachte] voor mij. Schreeuwend, onder het bloed, met een mes, dreigende dat hij mij dood wilde maken. Ik durfde niet te slapen, aangezien ik de hele film niet weer opnieuw wilde beleven.
Ik heb het incident vele malen besproken met mijn partner en met mijn naaste collega’s. Ik heb gemerkt dat ik het daardoor beter een plek kon geven.
Ik merk aan mijzelf dat ik voorzichtiger ben geworden in het werk. Zeker als ik een melding hoor en krijg waarbij word gesproken over een mes. Normalerwijs, zou ik moedig als ik ben, direct op de persoon afstappen en de orde herstellen. Nu maak ik voor mijzelf de afweging wat ik ter plaatse voor verschil kan maken en hoe ik dit kan bewerkstelligen. Ik realiseer mijzelf nu als geen ander dat je elk moment van de dag scherp moet zijn, aangezien het moment uit onverwachte hoek kan komen...”
2.6
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd aan de hand van de aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities. Deze houden onder meer in:
“3. Vorderingen benadeelde partij
3.1
[benadeelde 1] heeft een vordering van € 350,00 immateriële schade ingediend.
3.2
Cliënt kan zich hierin niet vinden. In de onderbouwing wordt hem het verwijt gemaakt dat hij doelbewust heeft gehandeld en daarmee een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Cliënt had geen invloed op het handelen.
3.3
Voor eenieder moest duidelijk zijn dat cliënt zelf niet wist wat hij aan het doen was. Hij weet ook niet eens wat hij heeft gezegd of hoe hij het mes heeft getoond. Hoe vervelend het ook is dat [benadeelde 1] zich bedreigd heeft gevoeld en dat hij daardoor gevoelens van angst heeft ontwikkeld, is dat onvoldoende voor toekenning van een vordering.
3.4
De uitspraak waarnaar in de vordering wordt verwezen gaat niet op. Daar ging het kennelijk om een verdachte die net een overval had gepleegd, maar die wel bij zinnen was en die het mes waarschijnlijk gebruikte om zichzelf te verzekeren van de buit. De situatie waar het hier om gaat is compleet anders. Ook in de andere uitspraak lijkt de verdachte iemand die disproportioneel reageert op een situatie en waar iemand uit woede of boosheid een bijltje in de richting van de politie heeft gegooid. Ook daarvan is hier geen sprake. Primair dus afwijzen dan wel NO.”
2.7
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2023 houdt voorts in:
“Na gehouden beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede, dat het
hof onmiddellijk mondeling uitspraak zal doen:
(…)
De vordering van de [benadeelde 1] zal worden toegewezen voor het bedrag van € 350, vermeerderd met de wettelijke rente.”
2.8
Het bestreden arrest houdt het volgende in over de vordering van [benadeelde 1] :

Vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering van de [benadeelde 1]
De [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van € 350,00.
(…)
Beoordeling van het gerechtshof
Het gerechtshof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw mr. [betrokkene 2] . De beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen zijn toen mondeling gemotiveerd. De motivering wordt opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.”
2.9
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
-
Art. 6:95, eerste lid, BW:
“De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden
vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.”
-
Art. 6:106 BW:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad
of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. […].”
2.1
In het overzichtsarrest van 28 mei 2019 [2] overwoog de Hoge Raad in het kader van immateriële schade (met weglating van voetnoten):
“2.4.4 Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
(…)
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”
2.11
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan niet worden afgeleid dat het hof expliciet moet overwegen op welke grond het de toewijzing van een vergoeding ter zake van immateriële schade heeft gebaseerd. Het komt er op aan of uit de vaststellingen en overwegingen van het hof volgt dat het de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade op één van de in art. 6:106 BW omschreven rechtsgronden heeft gebaseerd en kunnen baseren. [3]
2.12
Wat betreft art. 6:106, aanhef en onder a, BW verwees de Hoge Raad in voornoemd overzichtsarrest naar een (civiel) arrest van 26 oktober 2001. [4] Dat betrof een zaak waarin een vrouw (verweerster in cassatie) immateriële schadevergoeding vorderde van haar ex-man die hun kind had gedood. De rechtbank had geoordeeld dat de man “als gevolg van, althans in verband met, de omstandigheid dat hij door [verweerster] was afgewezen of gekrenkt, met het oogmerk [het kind] aan [verweerster] te ontnemen tot zijn handelen is gekomen”, hetgeen door het hof werd onderschreven. De civiele kamer van de Hoge Raad oordeelde dat het stelsel van de wet niet in de weg staat aan vergoeding van immateriële schade indien “de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen”. De Hoge Raad overwoog dat art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, (oud) BW er blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming in het bijzonder toe strekt “het geschokte rechtsgevoel te bevredigen”, waarbij bijvoorbeeld is gedacht aan “het beschadigen of vernielen van een zaak met het oogmerk daarmee immateriële schade toe te brengen”.
2.13
Art. 6:106, aanhef en onder a, BW als grond voor schadevergoeding was voorts aan de orde in de zaak die leidde tot een arrest van 26 mei 2020. [5] De verdachte in die zaak was veroordeeld wegens pogingen tot zware mishandeling door tijdens een politieachtervolging met zijn auto opzettelijk in te rijden op dan wel aan te rijden tegen een politievoertuig met daarin twee verbalisanten. Daarmee heeft de verdachte, aldus het hof, opzettelijk een situatie geschapen waarin de benadeelde partijen ernstig dienden te vrezen voor hun gezondheid. Het hof wees de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de verbalisanten toe omdat zij volgens het hof voldoende concrete feiten en omstandigheden hadden aangevoerd die maakten dat de verdachte het oogmerk had gehad om jegens hen ander nadeel dan vermogensschade als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, (oud) BW toe te brengen. De Hoge Raad casseerde echter, omdat “[d]e enkele door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte opzettelijk een situatie heeft geschapen waardoor ander nadeel dan vermogensschade is toegebracht, […] de gevolgtrekking dat de verdachte het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen niet [kan] dragen. Dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk een dienstauto heeft aangereden en op een andere dienstauto is ingereden – in welke auto’s zich verbalisanten bevonden – volstaat evenmin om dit oogmerk aan te nemen.”
2.14
De Hoge Raad verwees onder meer naar het hiervoor genoemde arrest van 26 mei 2020 in HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:836, dat onder meer inhoudt:
“3.3.1 Artikel 6:106, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen.”
3.3.2
De geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling houdt onder meer in:
“Sub a wordt het geval genoemd dat de aangesprokene het oogmerk had de ideële schade zoals deze door de benadeelde is geleden, toe te brengen. Ons huidige wetboek kent niet deze schuldvorm als zelfstandige grond voor toekenning van een vergoeding voor ideëel nadeel. Vooral met het oog op de tweede (...) functie van de vergoeding voor ideëel nadeel – bevrediging van het geschokte rechtsgevoel – zal onder omstandigheden het feit dat de aangesprokene zich als doel had gesteld aan een ander dit ideële nadeel toe te brengen, rechtvaardigen dat aan de benadeelde een vergoeding daarvoor wordt toegekend; men denke aan het geval dat iemand eens anders, slechts geringe marktwaarde hebbende zaak vernielt met het oogmerk die ander te treffen in de grote affectieve waarde die de zaak voor deze had.
(...)
Ten aanzien van het onder a bepaalde hebben de meeste leden van de Commissie zich afgevraagd of het regelen van dit geval nut heeft, waarbij zij betwijfelden of het geval zich in de praktijk vaak (bewijsbaar) zal voordoen. De ondergetekende verwacht inderdaad niet dat dit zo zal zijn, maar het zou anderzijds onbevredigend zijn juist hier de mogelijkheid van genoegdoening uit te sluiten. Men denke aan een dader die onder invloed van emoties, opgewekt door het verbreken van een huwelijk of andere intieme relatie zijn (gewezen) partner tracht te treffen door het vernielen van een zaak waaraan voor deze affectiewaarde is verbonden.
(...)
Onder aantasting van de persoon valt niet ook de aantasting van zaken waarvoor de benadeelde een bijzondere affectie voelt. Voor vergoeding van ideële schade naast de materiële is hier in beginsel geen plaats. Het zou echter wel erg ver gaan dit ook uit te sluiten voor het geval de dader bij de vernieling van de zaak nu juist het oogmerk had de benadeelde in deze affectie te treffen, bij voorbeeld bij wijze van wraakneming. Artikel 6.1.9.11 lid 1 onder a (Hoge Raad: nu artikel 6:106, aanhef en onder a, BW) maakt daarom voor dergelijke gevallen een uitzondering.”
(Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 378, 380 en 389.)
3.3.3
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder a, BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade als de aansprakelijke persoon het oogmerk had om zodanige schade toe te brengen. In de onder 3.3.2 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis is daarbij bijvoorbeeld gedacht aan het beschadigen of vernielen van een zaak met het oogmerk daarmee immateriële schade toe te brengen. (Vgl. HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2775.) Uit die totstandkomingsgeschiedenis volgt dat onder het hier bedoelde ‘oogmerk’ moet worden verstaan de bedoeling om een ander immateriële schade toe te brengen. Daarvoor volstaat niet dat de verdachte opzettelijk een situatie heeft geschapen waardoor aan de benadeelde partij immateriële schade is toegebracht (vgl. HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:868).”
2.15
Ten aanzien van de rechtsgrond van art. 6:106, aanhef en onder b, BW stelt de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 28 mei 2019 voorop dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is ‘indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.’ Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Degene die zich daarop beroept, moet de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. [6]
2.16
Het in de zaak met parketnummer 18-306514-20 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, komt erop neer dat de verdachte op korte afstand van onder meer [benadeelde 1] opzettelijk dreigend een mes heeft gehouden en opzettelijk dreigend heeft gezegd: “als jullie binnenkomen maak ik jullie dood”. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verbalisanten naar aanleiding van een zeer dreigende situatie ter plaatse kwamen, dat de verdachte zichzelf van het leven wilde beroven en wilde verhinderen dat de verbalisanten zijn woning binnen zouden komen. Het hof heeft in aanmerking genomen dat – blijkend uit het feit dat de verdachte “suicide by cop” heeft geroepen – de verdachte zich bewust was van het feit dat hij met verbalisanten van doen had en heeft geoordeeld dat de verdachte met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld. Daarvoor heeft het hof relevant geacht dat de verdachte, een grote man, met bloed aan zijn handen liep te zwaaien met een mes, waardoor er een aanmerkelijke kans was dat de net gearriveerde verbalisanten zich bedreigd zouden voelen, terwijl de verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans dat de verbalisanten zich door zijn gedrag bedreigd zouden voelen, heeft aanvaard.
2.17
Het hof heeft vervolgens de vordering van [benadeelde 1] tot een immateriële schadevergoeding van € 350,- toegewezen. Het middel behelst de klacht dat deze beslissing ontoereikend is gemotiveerd, nu daaruit niet blijkt op welke in art. 6:106 BW vermelde grond het hof de toewijzing van de vordering heeft gebaseerd.
2.18
Uit de hiervoor aangehaalde bewijsvoering van het hof volgt mijns inziens niet dat de beslissing tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij een rechtsgrond vindt in art. 6:106, aanhef en onder a, BW. Dat wordt niet anders door de namens [benadeelde 1] ingenomen stelling dat de verdachte zijn handelen doelbewust heeft gepleegd, daarmee een onrechtmatige daad heeft gepleegd en daarmee “doelbewust het gevolg van schade en/of letsel bij het slachtoffer” heeft aanvaard. Ik wijs er daarbij op dat het hof geen vol opzet bewezen heeft geacht, maar klaarblijkelijk een constructie via het voorwaardelijk opzet nodig had om tot een bewezenverklaring te komen. Van doelbewust handelen was volgens het hof aldus kennelijk geen sprake, laat staan van een oogmerk om ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen.
2.19
Dan is vervolgens de vraag of de vereiste rechtsgrond in het onderhavige geval kan worden gevonden in art. 6:106, aanhef en onder b, BW. In de onderbouwing van de vordering is niet aangevoerd dat [benadeelde 1] als gevolg van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Wel wordt gesteld dat de verdachte “het slachtoffer in persoon [heeft] aangetast”, waardoor schade is ontstaan. Daartoe wordt in bijlage A namens de benadeelde partij aangevoerd dat hij tijdens en vlak na het incident bang was, dat hij de dagen na het incident onzeker was, dat hij een aantal dagen slecht heeft geslapen, dat het incident hem een week lang heeft beziggehouden en dat hij na het incident voorzichtiger en terughoudender is geworden in zijn werk. In bijlage B bevestigt [benadeelde 1] dit min of meer in zijn eigen woorden.
2.2
Het hof heeft slechts geoordeeld dát de vordering van [benadeelde 1] wordt toegewezen. Iedere motivering daarvan ontbreekt, zelfs de vaststelling dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering betwist, maar het hof heeft niet uitgelegd op welke in art. 6:106 BW vermelde grond de toewijzing van de vordering berust en op welke door de benadeelde partij aangedragen gegevens het de toewijzing heeft gebaseerd. Daarbij merk ik nog op dat de aard en ernst van de normschending in dit geval mijns inziens niet meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. [7]
2.21
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat sprake zal zijn van een overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de duur van de opgelegde taakstraf kan de Hoge Raad volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [8] Gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissing over de vordering van de [benadeelde 1] , tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ten behoeve van [betrokkene 1] , niet ten behoeve van [benadeelde 1] .
2.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
3.Vgl. de conclusie van A-G Keulen van 9 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:198, randnr. 28, voorafgaand aan HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:263,
4.HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2775,
5.HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:868,
6.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
7.Vgl. bijv. HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:263
8.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492,