ECLI:NL:PHR:2025:193

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2025
Publicatiedatum
11 februari 2025
Zaaknummer
24/02044
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 RvArt. 31 RvArt. 32 RvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
15 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot aanvulling arrest inzake rechtsmiddelenverbod en toepassing artikel 32 Rv afgewezen

In deze zaak verzochten TER Ingredients GmbH & Co. KG en TER Ingredients Verwaltungs GmbH (TER c.s.) het hof Arnhem-Leeuwarden om aanvulling van een arrest van 7 september 2021. Zij stelden dat het hof ten onrechte geen beslissing had genomen over hun vordering tot terugbetaling van een bedrag dat zij reeds hadden voldaan, terwijl de primaire vordering tot vernietiging van het vonnis wegens onbevoegdheid van de Nederlandse rechter nog niet was beslist.

Het hof wees het verzoek tot aanvulling af, stellende dat het arrest geen omissie bevatte en dat het verzoek niet toekomt omdat de rechter onbevoegd was om over de restitutievordering te oordelen. TER c.s. stelden in cassatie dat het hof artikel 32 Rv Pro ten onrechte buiten toepassing had gelaten, waardoor het rechtsmiddelenverbod doorbroken kon worden.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het hof artikel 32 Rv Pro wel degelijk heeft toegepast en dat het oordeel van het hof dat niet is verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde geen doorbrekingsgrond oplevert. De klachten van TER c.s. betreffen feitelijk cassatieklachten tegen het eerdere arrest en falen. De Hoge Raad dient het cassatieberoep te verwerpen.

De zaak betreft de uitleg en toepassing van artikel 32 Rv Pro, het rechtsmiddelenverbod van artikel 32 lid 3 Rv Pro, en de voorwaarden waaronder dit verbod kan worden doorbroken. De Hoge Raad bevestigt dat onjuiste toepassing van artikel 32 Rv Pro geen doorbrekingsgrond is, alleen het buiten toepassing laten ervan. Het arrest verduidelijkt de grenzen van het rechtsmiddelenverbod en de rol van aanvulling van uitspraken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van TER c.s. wordt verworpen omdat het hof artikel 32 Rv niet buiten toepassing heeft gelaten.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02044
Zitting14 februari 2025
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
1. TER Ingredients GmbH & Co. KG
2. TER Ingredients Verwaltungs GmbH
(hierna: TER c.s.)
tegen
Remia C.V.
(hierna: Remia)
In deze zaak staat de vraag centraal of de gestelde doorbrekingsgrond dat het hof art. 32 Rv Pro ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten zich voordoet en het rechtsmiddelenverbod van art. 32 lid 3 Rv Pro dus kan worden doorbroken.

1.Feiten en procesverloop

1.1
TER c.s hebben op de voet van art. 32 Rv Pro aan het hof Arnhem-Leeuwarden een verzoek gedaan tot aanvulling van het tussen partijen op 7 september 2021 [1] door dat hof gewezen arrest. In het thans in cassatie bestreden arrest heeft het hof geen feiten vastgesteld. In cassatie kan van het volgende procesverloop worden uitgegaan. [2]
1.2
In het arrest van 7 september 2021 heeft het hof het volgende beslist:
‘vernietigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland van 27 oktober 2017, 11 juli 2018 en 27 maart 2019 (hersteld bij vonnis van 8 mei 2019) en doet opnieuw recht,
verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om van dit geschil kennis te nemen,
veroordeelt Remia in de kosten van beide instanties, tot aan het bestreden eindvonnis aan de kant van TER c.s. wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 10.351 en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 11.582,54, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.’
1.3
Bij brief van 7 september 2023 heeft de advocaat van TER c.s. het hof verzocht om op grond van art. 32 Rv Pro het arrest van 7 september 2021 aan te vullen met een veroordeling tot terugbetaling aan TER c.s. van € 251.504,37. Daartoe is aangevoerd dat TER c.s. in eerste aanleg waren veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 229.062,80 in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2016 en met de kosten van het geding ad € 9.979,42. Het vonnis was uitvoerbaar bij voorraad verklaard en TER c.s. hebben op 23 juni 2019 aan de veroordeling voldaan door betaling van een bedrag van € 251.504,37. In het hoger beroep zijn voormelde vonnissen vernietigd. Bij arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2023 [3] is het door Remia ingestelde cassatieberoep verworpen. TER c.s. stellen dat op de vordering tot teruggave als verbonden aan de primaire grond tot vernietiging nog niet is beslist.
1.4
Bij brief van 25 september 2023 heeft de advocaat van Remia geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
1.5
Bij arrest van 5 maart 2024 [4] heeft het hof het verzoek van TER c.s. afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
‘2.1 Artikel 32 lid 1 Rv Pro luidt:
“De rechter vult te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte.”
2.2
In het arrest van 7 september 2021 heeft het hof in 3.6 overwogen:
“Het hof zal alsnog de Nederlandse rechter onbevoegd verklaren om van het geschil kennis te nemen. Aan de vordering tot terugbetaling van hetgeen TER c.s. ter voldoening aan het bestreden eindvonnis aan Remia heeft betaald, komt het hof dan niet toe.”Uit deze overweging volgt dat ook voor een veroordeling tot terugbetaling rechtsmacht ontbreekt. Het hof heeft dan ook niet verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde. Het verzoek van TER c.s. tot aanvulling met een veroordeling tot terugbetaling wordt daarom afgewezen.’
1.6
TER c.s. hebben (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Remia heeft geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben een schriftelijke toelichting gegeven, waarna TER c.s. hebben gerepliceerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bestaat, na een inleiding, uit zeven onderdelen (onderdelen a, b.0, b.1, b.2, b.3, b.4 en c) met verschillende subonderdelen.
2.2
Het verzoek van TER c.s. aan het hof tot aanvulling van het arrest van 7 september 2021 is gegrond op de stelling dat het hof in dat arrest over het hoofd heeft gezien dat de restitutievordering niet alleen was verbonden aan de subsidiaire vordering tot vernietiging van het vonnis op materiële gronden, maar ook was verbonden aan de primaire vordering tot vernietiging van het vonnis wegens het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter. In de visie van TER c.s. heeft het hof dus gemeend dat de restitutievordering alleen was verbonden aan de subsidiaire vordering, waardoor het hof volgens TER c.s. heeft verzuimd te beslissen op de restitutievordering die was verbonden aan de primaire vordering.
2.3
Het middel betoogt in
onderdeel adat TER c.s. ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep, omdat er een beroep wordt gedaan op de doorbrekingsgrond dat het hof art. 32 Rv Pro ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. De
onderdelen b.0,
b.1 (b.1.1, b.1.2, b.1.3),
b.2 (b.2.1, b.2.2),
b.3 (b.3.1 en b.3.4)en
b.4voeren, kort gezegd, aan dat de beslissing van het hof – dat het arrest van 7 september 2021 zo moet worden uitgelegd dat het hof zich onbevoegd heeft verklaard van de restitutievordering kennis te nemen – in strijd is met de toepasselijke uitlegregels voor rechterlijke uitspraken, in onderling verband en samenhang te bezien, althans onbegrijpelijk of ontoereikend is gemotiveerd.
Onderdeel b.3.2betoogt dat als de uitleg van het hof van het arrest van 7 maart 2021, zoals weergegeven in het bestreden arrest, zou worden gevolgd, het hof in zijn arrest van 7 maart 2021 een ernstige fout zou hebben begaan in die zin dat uit het toepasselijke forumkeuzebeding onmogelijk kan volgen dat het hof niet bevoegd was om van de restitutievordering kennis te nemen. Voor dat geval betoogt
onderdeel b.3.3dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
Onderdeel cbouwt op het voorgaande voort.
2.4
Bij de behandeling van het middel stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 23 Rv Pro beslist de rechter over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht. Art. 32 Rv Pro geeft een praktische methode voor de wijze waarop een inbreuk op art. 23 Rv Pro kan worden hersteld. [5] Art. 32 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aanvult indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. Ingevolge art. 32 lid 3 Rv Pro staat tegen de weigering van de aanvulling geen voorziening open. Ten aanzien van dit rechtsmiddelenverbod is in de parlementaire geschiedenis opgenomen dat als men tegen de weigering van de aanvulling ook rechtsmiddelen zou openstellen, dit in dat geval, waar de rechter zelf van oordeel is dat de uitspraak geen omissie bevat, zou leiden tot nodeloze verlenging van de rechtsstrijd. [6]
2.5
Het rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken indien sprake is van een doorbrekingsgrond. [7] Om ontvankelijk te zijn in cassatie, dient een beroep te worden gedaan op een doorbrekingsgrond. [8] Van een doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod van art. 32 lid 3 Rv Pro is onder meer sprake indien de rechter art. 32 Rv Pro ten onrechte niet heeft toegepast, of (anders gezegd) indien de rechter art. 32 Rv Pro ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de rechter het desbetreffende verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek op grond van art. 31 Rv Pro [9] of als de rechter de aanvulling weigert met als motivering dat partijen hiervoor in hoger beroep moeten gaan. [10]
2.6
Van de doorbrekingsgrond dat de rechter art. 32 Rv Pro ten onrechte niet heeft toegepast dan wel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, moet worden onderscheiden de stelling dat de rechter art. 32 Rv Pro
onjuistheeft toegepast. Dit laatste betreft geen doorbrekingsgrond; onjuiste toepassing is immers ook toepassing. [11] Van het buiten toepassing laten van art. 32 Rv Pro zal derhalve sprake zijn als de rechter in het geheel niet in de beoordeling is getreden van de vraag of verzuimd is te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte als bedoeld in art. 32 Rv Pro. [12] Kortom, indien art. 32 Rv Pro is toegepast door de rechter en deze de gevraagde aanvulling heeft geweigerd, biedt de stelling dat ten onrechte is geoordeeld dat niet verzuimd is te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte geen uitkomst. [13]
2.7
Nu TER c.s. in
onderdeel aeen beroep op een doorbrekingsgrond hebben gedaan – dat het hof ten onrechte art. 32 Rv Pro buiten toepassing zou hebben gelaten –, zijn TER c.s. ontvankelijk in hun cassatieberoep en moet het middel worden beoordeeld.
2.8
Voor de beoordeling van het middel geldt echter dat het hof in het bestreden arrest art. 32 Rv Pro niet buiten toepassing heeft gelaten. In rov. 2.1 heeft het hof immers art. 32 lid 1 Rv Pro geciteerd en vervolgens in rov. 2.2 beoordeeld of het hof in het arrest van 7 september 2021 heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het (primair) gevorderde. Het hof heeft geoordeeld dat dit niet het geval is en het verzoek van TER c.s. tot aanvulling om die reden afgewezen.
2.9
Nu het hof art. 32 Rv Pro heeft toegepast en het hof de gevraagde aanvulling heeft geweigerd, bieden de stellingen van TER c.s. die erop neerkomen dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat niet verzuimd is te beslissen over een onderdeel van het gevorderde, geen soelaas. Met andere woorden: wat TER c.s. in cassatie aanvoeren voor hun stelling dat sprake is van de doorbrekingsgrond die inhoudt dat art. 32 Rv Pro ten onrechte buiten toepassing is gelaten, komt erop neer dat het hof art. 32 Rv Pro wel heeft toegepast, maar onjuist. In dat geval doet de gestelde doorbrekingsgrond zich dus niet voor, zoals ik hierboven heb geschreven.
2.1
De klachten van de
onderdelen b.0 t/m b.4betreffen in feite cassatieklachten tegen het eerdere arrest van het hof van 7 september 2021. De onderdelen behoeven geen nadere bespreking en falen.
2.11
Onderdeel cdeelt het lot van de voorgaande onderdelen.
2.12
De slotsom is dat de gestelde doorbrekingsgrond zich niet voordoet met als gevolg dat het cassatieberoep dient te worden verworpen.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 7 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8483.
2.Zie het bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1630, rov. 1.1 t/m 1.3.
3.HR 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:60, RvdW 2023/150 (beroep verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro).
5.Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3 (MvT), p. 56.
6.Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 5 (NV II), p. 35.
7.Zie over doorbrekingsgronden o.a.: T.F.E. Tjong Tjin Tai, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 32 Rv Pro, aant. 4; A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, commentaar op art. 32 Rv Pro, aant. 7.a; Th.B. ten Kate & E.M. Wesseling-van Gent, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechterlijke uitspraken (BPP nr. 5) 2013/III.6.2; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/24; B.T.M. van der Wiel en N.T. Dempsey, in: Van der Wiel (red.) Cassatie 2019/164; W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, par. 5.3.7.
8.HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1673, NJ 2021/364; HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1670, NJ 2022/38 m.nt. F.M.J. Verstijlen; HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1676, NJ 2022/131 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JBPr 2022/19 m.nt. G.J. Harryvan. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/26.
9.Ten Kate & Wesseling-van Gent, t.a.p.
10.Vgl. Kamerstukken II 2000-2001, 26 855, nr. 16 (Verslag van een wetgevingsoverleg), p. 35. Zie ook A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, commentaar op art. 31 Rv Pro, aant. 7 (waarnaar verwezen wordt in aant. 7.a op art. 32).
11.Zie HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1673, reeds aangehaald, rov. 3.2.2, en de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2021:927) vóór genoemd arrest, onder 3.6 en 3.8; Van der Wiel en N.T. Dempsey, in: Van der Wiel (red.) Cassatie 2019/164; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/24.
12.Vgl. over art. 31 Rv Pro G.J. Harryvan in zijn noot onder JBPr 2022/19, onder 23.
13.Vgl. onder 3.7 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2021:927), vóór HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1673, reeds aangehaald.