Conclusie
1.Procesverloop
Blosan heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat [verzoekster] een huurachterstand heeft laten ontstaan. [2]
- “de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer van 4 november 2020” wordt gewijzigd in “de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer van 3 november 2020”;
- “Deze beschikking is gegeven op 4 november 2020” wordt gewijzigd in “Deze beschikking is gegeven op 3 november 2020”.
Zij heeft in de zaak metzaaknummer 200.287.641 het hof verzocht, verkort weergegeven, om de verzoeken van Blosan af te wijzen en in de zaak met zaaknummer 200.285.694 om Blosan niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dat verzoek af te wijzen.
in de zaak met zaaknummer 200.287.641:
- het herstelvonnis van 30 november 2020 vernietigd, behalve voor zover daarbij de datum van de behandeling in raadkamer is verbeterd;
- in zoverre het herstelvonnis bekrachtigd en voor het overige, opnieuw rechtdoende,
- het herstelverzoek van [verzoekster] voor het overige alsnog afgewezen; en
in de zaak met zaaknummer 200.285.694:
- de beschikking van 4 november 2020 vernietigd; en
- [verzoekster] alsnog in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. E. Boerwinkel tot rechter-commissaris en onder aanstelling van mr. T.W. Konings, advocaat te Arnhem, tot curator.
Blosan heeft een verweerschrift ingediend, waarin wordt verzocht [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep, althans het cassatieberoep te verwerpen.
heeft een “verweerschrift betreffende de ontvankelijkheid” ingediend.
2.Ontvankelijkheid
Het eerste onderdeel, door [verzoekster] aangeduid als
onderdeel 2.1, is gericht tegen rov. 3.1, waarin het hof het volgende heeft overwogen:
Zaak 200.287.6413.1 De rechtbank heeft in het herstelvonnis overwogen dat in de beschikking van 4 november 2020 sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, nu ook uit de aantekeningen van de griffier blijkt dat op de zitting van 3 november 2020 het verzoek van Blosan is afgewezen. Het vonnis houdt aldus een verbetering van de beschikking in op de voet van artikel 31 Rv Pro. Het gaat daarbij nog steeds om een beslissing in een zaak die met een verzoekschrift moet worden ingeleid. Daarvoor gelden de regels van de verzoekschriftprocedure. Hoewel de beslissing is gegeven in de vorm van een vonnis, moet het hoger beroep daartegen dan ook worden ingesteld door indiening van een beroepschrift (conform artikel 359 Rv Pro). Nu de procedure in hoger beroep is ingeleid met een appeldagvaarding, moet dit stuk in die zin worden verbeterd (op grond van artikel 69 Rv Pro). Het hof merkt de bij het hof ingediende appeldagvaarding aan als beroepschrift. Daarmee kan in dit geval worden volstaan; verdere verbetering of aanvulling is niet nodig. De procedure wordt vervolgens voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt. [verzoekster] heeft al een verweerschrift ingediend en, zoals ter zitting is besproken, heeft de mondelinge behandeling op basis van deze stukken plaatsgehad. Partijen hebben ook niet verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld hun stellingen aan de toepasselijke procesregels aan te passen. Het hof beslist nu verder als volgt.”
2.1-II Het hof miskent in rov 3.1 vervolgens ook dat, doordat het de uitgebrachte dagvaarding als verzoekschrift aanmerkt zonder dat de in artikel 69 Rv Pro lid 1 en 2 voorschreven route is gevolgd, in dat geval het Blosan niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat, zoals het zelf vaststelt in rov. 2.2, dat stuk pas op 14 december 2020 ter griffie is ontvangen en derhalve als ‘verzoekschrift’ dus 14 dagen na het gewraakte herstelvonnis van 30 november 2020.”
Ik ga er in het navolgende dan ook van uit dat [verzoekster] als doorbrekingsgrond heeft gesteld dat het hof art. 31 Rv Pro ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten en behandel het middel in dat licht.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1, geen verdere behandeling.
onderdeel 2.2, richt zich tegen rov. 3.3 tot en met 3.5.
In de inleiding van de klachten vat [verzoekster] het middel aldus samen dat het hof in deze rechtsoverwegingen ten onrechte art. 31 Rv Pro buiten toepassing heeft gelaten. [17] Daarnaast wordt opgemerkt dat “het middel aldus [moet] worden gelezen en begrepen dat het is gericht tegen het oordeel in beide zaken, waarbij [verzoekster] van mening is dat (1) er weldegelijk sprake was van een kennelijke verschrijving ten aanzien van de datum van uitspraak als bedoeld in artikel 31 Rv Pro en (2) Blosan om die reden te laat hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van de faillietverklaring van [verzoekster] , zodat Blosan niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar appel tegen de afwijzing van de faillietverklaring van [verzoekster] .” Deze klacht richt zich dus tegen het oordeel van het hof dat de oorspronkelijke beschikking met betrekking tot de datum van (het geven van) de beschikking geen kennelijke fout bevat (rov. 3.3 en 3.4), hetgeen doorwerkt in zijn oordeel met betrekking tot de ontvankelijkheid van het appel in rov. 3.5. In het verweerschrift betreffende de ontvankelijkheid wordt door [verzoekster] opgemerkt dat, los van het rechtsmiddelenverbod van art. 31 Rv Pro, in de faillissementsprocedure zelfstandig dient te worden beslist of, en zo ja in hoeverre, er tijdig appel is ingesteld. [18]
Zaak 200.287.641(…)
zal(cursivering hof) het verzoek tot faillietverklaring afwijzen. Ik wijs het verzoek kostenveroordeling ook af.” Op grond van deze mededeling kan niet worden gezegd dat niet voor redelijke twijfel vatbaar is en voor derden op het eerste gezicht duidelijk is dat de beslissing al op de zitting is gegeven en openbaar gemaakt en dat de vermelde datum van de beschikking dus berust op een fout. De mededeling kan ook zo worden begrepen dat de rechter slechts heeft aangekondigd hoe de (nog te geven) beschikking zal luiden. Daaraan doet niet af dat de rechter volgens het proces-verbaal op de mogelijkheid van hoger beroep heeft gewezen (‘HB meegedeeld’) - dat pleegt ook te gebeuren als er nog geen mededeling over de inhoud van de uitspraak wordt gedaan - en verder geen datum heeft medegedeeld waarop de uitspraak zal plaatsvinden. Dit betekent dat in zoverre geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent (door wijziging van de datum naar 3 november 2020). Daarbij weegt mee dat met het oog op de rechtszekerheid duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop de beroepstermijn is gaan lopen. Die duidelijkheid bestond niet op grond van de mededeling ter zitting en wel op grond van de inhoud van de beschikking.
Het herstelvonnis zal dan ook worden vernietigd en het herstelverzoek van [verzoekster] zal alsnog worden afgewezen.
onjuistheeft toegepast. [26] De klacht faalt en het cassatieberoep dient in zoverre te worden verworpen.
De door het subonderdeel bedoelde regel geldt niet bij de beoordeling van deze ontvankelijkheid. De vraag of een rechtsmiddel binnen de wettelijke termijn is ingesteld, is van openbare orde en dient door de rechter ambtshalve te worden beoordeeld. In het kader van zijn ambtshalve te verrichten onderzoek of het rechtsmiddel van hoger beroep binnen de daarvoor in de Faillissementswet gestelde termijn is ingesteld, diende het hof ook ambtshalve vast te stellen op welke datum de uitspraak had plaatsgevonden teneinde te kunnen vaststellen op welk tijdstip de appeltermijn was verstreken. [28]
Mr. Heutink:
Het hof heeft in rov. 3.3 een andere uitleg gegeven aan de woorden “HB meegedeeld”. Het hof heeft daarmee de door [verzoekster] voorgestane uitleg in rov. 3.5 verworpen. Het hof heeft de stelling onder j dus niet ongemotiveerd gepasseerd.
subonderdelen 2.2-IIIen
2.2-IVa-2.2-IVebestrijden het oordeel van het hof in rov. 3.3 dan wel betreffen een herhaling van subonderdeel 2.2-Ib. De klachten falen gelet op hetgeen hierboven onder 3.2 tot en met 3.23 staat vermeld.
Subonderdeel 2.2-IVf, dat een voortbouwklacht behelst, faalt in het voetspoor daarvan. Daarmee faalt subonderdeel 2.2 in zijn geheel.
onderdeel 2.3, betreft een voortbouwklacht en faalt in het voetspoor van de andere onderdelen.