ECLI:NL:GHARL:2024:1630

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
5 maart 2024
Zaaknummer
200.259.204
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof verklaart Nederlandse rechter onbevoegd in geschil tussen TER en Remia

In deze civiele zaak tussen de Duitse vennootschappen TER Ingrediënts GmBh & Co. KG en TER Ingrediënts Verwaltungs GmBh (gezamenlijk TER c.s.) en de Nederlandse commanditaire vennootschap Remia C.V., heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 7 september 2021 de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard om van het geschil kennis te nemen. Dit arrest vernietigde eerdere vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland en veroordeelde Remia tot betaling van proceskosten.

TER c.s. verzocht op grond van artikel 32 Rv Pro het arrest aan te vullen met een veroordeling tot terugbetaling van € 251.504,37, een bedrag dat zij reeds hadden voldaan op basis van de vernietigde vonnissen. Remia verzocht het hof dit verzoek af te wijzen.

Het hof oordeelde dat het arrest niet was verzuimd te beslissen over de terugbetalingsvordering, omdat het al had overwogen dat de Nederlandse rechter onbevoegd was. Daarom wees het hof het verzoek tot aanvulling af en handhaafde het de onbevoegdverklaring.

Het arrest werd op 5 maart 2024 uitgesproken door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, afdeling civiel recht.

Uitkomst: Het verzoek tot aanvulling van het arrest met een veroordeling tot terugbetaling wordt afgewezen en de Nederlandse rechter blijft onbevoegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.259.204/02
arrest van 5 maart 2024 op het verzoek tot aanvulling in de zin van artikel 32 Rv Pro van het arrest, uitgesproken op 7 september 2021
in de procedure in hoger beroep die bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem aanhangig is geweest tussen

1.de vennootschap naar Duits recht TER Ingrediënts GmBh & Co. KG

2. de vennootschap naar Duits recht
TER Ingrediënts Verwaltungs GmBh
gevestigd te Hamburg, Duitsland
appellanten in het principaal hoger beroep
geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
hierna: TER, TER Verwaltung en gezamenlijk: TER c.s.
advocaat mr H.A.J. Stollenwerck, thans mr A.J. van Bergen
tegen:
de commanditaire vennootschap
Remia C.V.
gevestigd in Den Dolder, gemeente Zeist
geïntimeerde in het principaal hoger beroep
appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
hierna: Remia
advocaat: mr M.A.F. Evers.

1.Het procesverloop

1.1
Het hof heeft in deze zaak op 7 september 2021 arrest gewezen, waarbij het hof als volgt heeft beslist:
“vernietigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland van 27 oktober 2017, 11 juli
2018 en 27 maart 2019 (hersteld bij vonnis van 8 mei 2019) en doet opnieuw recht,
verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om van dit geschil kennis te nemen,
veroordeelt Remia in de kosten van beide instanties, tot aan het bestreden eindvonnis aan de
kant van TER c.s. wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 10.351 en tot aan deze
uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op 11.582,54, te voldoen binnen veertien
dagen-na dagtekening van dit arrest, en — voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt — te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.”
1.2
Bij brief van 7 september 2023 heeft mr. A.J. van Bergen namens TER c.s. het hof verzocht om op grond van artikel 32 Rv Pro het arrest van 7 september 2021 aan te vullen met een veroordeling tot terugbetaling aan TER c.s. van € 251.504,37. Daartoe is aangevoerd dat
TER c.s. in eerste aanleg was veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 229.062,80 in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2016 en met de
kosten van het geding ad € 9.979,42. Het vonnis was uitvoerbaar bij voorraad
verklaard en TER c.s. heeft op 23 juni 2019 aan de veroordeling voldaan door betaling van een bedrag van € 251.504,37. In het hoger beroep zijn voormelde vonnissen vernietigd. Bij arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2023 is het door Remia ingestelde cassatieberoep verworpen. TER c.s. stelt dat op de vordering tot teruggave als verbonden aan de primaire grond tot vernietiging nog niet is beslist.
1.3
Bij brief van 25 september 2023 heeft mr. M.A.F. Evers namens Remia geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

2.De beoordeling

2.1
Artikel 32 lid 1 Rv Pro luidt :
“De rechter vult te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte.”
2.2
In het arrest van 7 september 2021 heeft het hof in 3.6 overwogen: “
Het hof zal alsnog de Nederlandse rechter onbevoegd verklaren om van het geschil kennis te nemen. Aan de vordering tot terugbetaling van hetgeen TER c.s. ter voldoening aan het bestreden eindvonnis aan Remia heeft betaald, komt het hof dan niet toe.” Uit deze overweging volgt dat ook voor een veroordeling tot terugbetaling rechtsmacht ontbreekt. Het hof heeft dan ook niet verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde. Het verzoek van TER c.s. tot aanvulling met een veroordeling tot terugbetaling wordt daarom afgewezen.

3.De beslissing

Het hof:
wijst het verzochte af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, O.G.H. Milar en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 maart 2024.