ECLI:NL:PHR:2025:520

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
10 mei 2025
Zaaknummer
24/01581
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 SrArt. 10 EVRMArt. 11 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieverweer wegens strijd met demonstratierecht bij lokaalvredebreuk

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van wederrechtelijk verblijf in een voor de openbare dienst bestemd lokaal zonder oplegging van straf of maatregel. Het betreft een demonstratie op 20 oktober 2020 in het ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

In cassatie werd aangevoerd dat de vervolging in strijd zou zijn met het demonstratierecht zoals neergelegd in artikel 11 EVRM Pro, en dat artikel 139 Sr Pro daarom buiten toepassing zou moeten blijven. Dit verweer werd door de procureur-generaal verworpen, onder verwijzing naar een eerdere conclusie in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:PHR:2025:518).

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Er werden geen ambtshalve gronden voor vernietiging van het hofarrest aangetroffen. De zaak maakt deel uit van een reeks vergelijkbare zaken met betrekking tot demonstraties in ministeriële en bankgebouwen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01581
Zitting13 mei 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 10 april 2024 (22-002995-22) door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen” veroordeeld zonder oplegging van een straf of maatregel.
1.2
Deze zaak betreft één van de acht demonstratiezaken waarin ik vandaag concludeer. In al deze zaken heeft het gerechtshof Den Haag op dezelfde dag uitspraak gedaan. Het gaat in zes zaken om een demonstratie op 20 oktober 2020 in het toenmalige ministerie van Economische Zaken en Klimaat (24/01578, 24/01579, 24/01580, 24/01581, 24/01582 en 24/01583), waarvan één ook om een demonstratie op 11 juni 2019 in de Tweede Kamer (24/01578), en in twee zaken om demonstraties op 9 juli 2022 in gebouwen die in gebruik waren bij de ING Bank (24/01584 en 24/01632).
1.3
Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, in de voorliggende zaak één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt in de kern over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat art. 139 Sr Pro buiten toepassing moet blijven vanwege onverenigbaarheid van de vervolging met onder meer art. 10 en Pro 11 EVRM. Het middel komt overeen met dat in de zaak 24/01580.
2.2
Het middel faalt. De redenen daarvoor staan in mijn conclusie van vandaag in de zaak 24/01580, ECLI:NL:PHR:2025:518.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG