Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
4.Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Verzuim
“I will inform you that we have started the action of identifying a storage space in Germany for the DM90 near the border with the Netherlands. At this point I expect response from the people who have requested help. We think next week we will have an answer. We inform you as soon as we have an answer.”Blijkbaar heeft dit tot geen resultaat geleid, omdat de treintoestellen anderhalf jaar later nog steeds in Nijmegen stonden. Verder staat vast dat NS in een brief van 19 april 2019 Ferotrans niet heeft gesommeerd de treinstellen naar Roemenië te vervoeren, maar alleen om die uit Nijmegen te verwijderen. In die brief schrijft NS immers onder meer:
“For the avoidance of doubt, Ferotrans does not have to transport the trainsets necessarily directly to Romania. Should Ferotrans arrange for a location in the Netherlands or elsewhere (including an authorization to store), Ferotrans can transport the trainsets to that location.”
Zelfs al zou in het meest uiterste geval geoordeeld worden dat de door NS verstrekte Lauffähigkeitsbescheinigungen wel volledig waren op 23 juli 2019, dan is een termijn van slechts zeven dagen om 48 Treinstellen van het terrein te Nijmegen te hebben getransporteerd onredelijk.Het gaat om 2,5 kilometer aan Treinstellen. Deze kunnen niet binnen zeven dagen worden weggetransporteerd.’
nieteen redelijke termijn was. Volgens het voorgaande blijft het oordeel van het hof dat die termijn in de gegeven omstandigheden wél een redelijke termijn was, overeind. De klachten van het subonderdeel behoeven dus geen bespreking.
De tekortkoming van Ferotrans rechtvaardigt de ontbinding
Eigen Haard-arrest, volgens welke bij de afweging in het kader van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW Pro alle omstandigheden van het geval van belang zijn. [13] Toepassing van die tenzij-bepaling is dus niet beperkt tot gevallen waarin de tekortkoming een geringe betekenis heeft of van bijzondere aard is. Intussen blijkt uit het vervolg van rechtsoverweging 5.34 dat het hof wel degelijk ook andere omstandigheden van het geval in de beoordeling heeft betrokken. Hoe dan ook, het middel richt tegen de bedoelde zinsnede geen klacht.
Eigen Haard-arrest een beslissende rol lijkt te hebben toegekend aan de omstandigheid dat Ferotrans een van haar kernverplichtingen heeft geschonden, ongeacht de overige omstandigheden van het geval. Vervolgens ziet de steller van het middel echter ook zelf onder ogen dat het hof mede andere omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken.
Eigen Haard-arrest afleidt dat de omstandigheid dat de schuldenaar een kernverplichting heeft geschonden op zichzelf bezien
nooitde ontbinding kan rechtvaardigen, dat onjuist is.
De positie van Prorail
subonderdeel 4.3mist doel. Ferotrans beroept zich op haar stelling bij memorie van grieven (randnummer 136 onder a) dat het maken van de kosten voor de EBR-2019 de ontbinding door NS ‘mogelijk heeft gemaakt’. Dat is een gezochte redenering waarop het hof niet behoefde te reageren. De ontbinding door NS is een reactie op het niet weghalen door Ferotrans van de treinstellen uit Nijmegen, na voorafgaande ingebrekestelling.
4.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen het oordeel van het hof dat in het midden kan worden gelaten of er sprake was van een fatale termijn waarna het verzuim zou zijn ingetreden. De stellers van het middel komen daarmee op tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 5.38 en de toelichting van dat oordeel in rechtsoverwegingen 5.39 en 5.40 van het bestreden arrest. Omwille van de leesbaarheid en volledigheid citeer ik ook rechtsoverwegingen 5.35 tot en met 5.37.
Geen eerder moment van verzuim
“The DM’90 has been in operation in Germany for some years. At that time there were no problems at all with the EBA and the DM’90 profile. I do not understand your concern.”Die zorg was dat de treintoestellen volgens Ferotrans alleen naar Roemenië konden worden vervoerd als zij de beschikking kreeg over de EBR-1998 en het eerder door de Duitse autoriteiten aan NS verstrekte homologatiecertificaat. Volgens Ferotrans moest NS die stukken in haar bezit hebben en daarvan vroeg zij afgifte. Het homologatiecertificaat is vervolgens pas op 29 mei 2018 door NS naar Ferotrans toegezonden, dus na het verstrijken van de in de overeenkomsten opgenomen termijnen. Daarna schrijft [betrokkene 2] op 14 juni 2018 over de EBR-1998:
“Jetzt verstehe Ich Sie und Ich habe schon Autrag gegeben um die jetzeitige Berechnung zu finden. Anderseits werde Ich versuchen Sie eine neue Berechnung zu bekommen.”Later tijdens een bespreking op 30 oktober 2018 is door NS wederom toegezegd op zoek te zullen gaan naar de EBR-1998.
subonderdeel 1.2is onbegrijpelijk dat het hof tot uitgangspunt neemt dat NS de EBR-1998 niet aan Ferotrans heeft verstrekt, gelet op het in hoger beroep door NS gevoerde betoog dat zij dit wel heeft gedaan en wel op 20 december 2017 en daarna op 28 juni 2018. Ferotrans zou er destijds ten onrechte van zijn uitgegaan dat het verstrekte document geen EBR was.
en (doen) vervoeren daarvan naar Roemenië’(cursivering AG). Uiteraard is dat niet juist en uit rechtsoverweging 5.26 blijkt ook duidelijk dat het hof het zo niet bedoelt. De klachten van het subonderdeel missen feitelijke grondslag. Ik verwijs verder naar wat ik naar aanleiding van het vorige subonderdeel opmerkte.
subonderdeel 1.7veronderstelt dat het hof zich op afstand van recht dan wel rechtsverwerking heeft gebaseerd, mist het feitelijke grondslag (hiervoor 4.3). Voor het overige bouwt het subonderdeel vergeefs voort op subonderdeel 1.6.
subonderdeel 1.8varieert op subonderdeel 1.6 en de daar bedoelde correspondentie uit februari en maart 2018. Volgens de stellers van het middel heeft het hof niet vastgesteld dat Ferotrans
daadwerkelijkheeft vertrouwd dat aan de overeengekomen termijnen het fatale karakter was ontvallen. Daarnaast verwijst NS naar haar aansporingen aan het adres van Ferotrans na april 2018 om de treinstellen zo snel mogelijk op te halen.
tweede onderdeelricht zich tegen rechtsoverwegingen 5.41 tot en met 5.43 van het arrest van het hof:
subonderdeel 2.8komt neer op een poging tot heroverweging van oordelen die bij uitstek behoren tot het domein van de feitenrechter. Die poging slaagt mijns inziens niet.
op zichzelfdat daaruit niet volgt. Daarmee is echter nog niet onbegrijpelijk dat het hof de houding van NS
in de gegeven omstandighedenin die zin heeft uitgelegd. Die omstandigheden blijken onder meer uit de door het hof van de rechtbank overgenomen feitenvaststelling, hiervoor 2.1. Daaruit volgt dat partijen voortdurend in overleg waren en bleven. In welke zin de houding van NS van destijds moet worden geïnterpreteerd, is een vraag die is voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof mijns inziens niet.
derde onderdeelbehoeft geen bespreking.