Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
1.
Hetgeen dan overblijft zijn nagekomen stukken van de advocaat-generaal. Uit die stukken blijkt echter niet met zoveel woorden dat de verdachte op de hoogte was van de ongeldigverklaring. Hij wist wel dat zijn rijbewijs geschorst was. Ook daarvan tref ik echter geen aangetekende brief aan in het procesdossier. Een besluit van het CBR treedt pas in werking als de aangetekende brief de verdachte heeft bereikt. Ik verwijs naar jurisprudentie van de Hoge Raad.
Bewijsoverweging
[1994]d.d. 8 augustus 2020 blijkt dat op 8 augustus 2020 aan de verdachte is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, dat de verdachte kennis heeft genomen van de aangekruiste zinnen in dat proces-verbaal en dat hij daarbij heeft volhard. Onder die aangekruiste zinnen viel ook de zin dat de verdachte is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Verder volgt uit het proces-verbaal artikel 9 WVW Pro
[1994]d.d. 19 november 2020 dat de verdachte op 5 november 2020 bestuurder was van een personenauto.
NJ2019/454, m.nt. W.H. Vellinga de eisen die worden gesteld aan de bewijsvoering ter zake van art. 9 lid 2 WVW Pro 1994 op een rijtje gezet. De Hoge Raad heeft in dat verband het volgende overwogen: