Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
Gestolen voertuigen en kentekenplaten
proces-verbaal van bevindingen gestolen voertuigen en kentekenplatenvan 6 januari 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…).
als relaas van deze opsporingsambtenaar:
proces-verbaal van bevindingen verdenking [verdachte]van 28 februari 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…).
relaas van deze opsporingsambtenaar:
proces-verbaal van bevindingen beoogd slachtoffer [slachtoffer 1]van 19 april 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…).
relaas van deze opsporingsambtenaar:
proces-verbaal van bevindingen artikel 140 Wetboek Pro van Strafrechtvan 29 april 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…).
relaas van deze opsporingsambtenaar:
verklaring van [verdachte] , als verdachteafgelegd, zakelijk weergegeven in:
proces-verbaal van bevindingen artikel 140 Wetboek Pro van Strafrechtvan 29 april 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…).
relaas van deze opsporingsambtenaar:
Een proces-verbaal van bevindingen verdenking [verdachte]van 28 februari 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…).
relaas van deze opsporingsambtenaar:
3.Het middel
ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feitis kort. Volgens de stellers van het middel is het onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte “moet hebben begrepen” dat er vuurwapens voorhanden waren omdat “voor het doen slagen van een plan personen van de vrijheid te beroven” een gezamenlijke beschikbaarheid en de inzet van vuurwapens niet noodzakelijk is. Gesteld wordt dat bijvoorbeeld een numerieke meerderheid al voldoende is om personen tegen hun wil in een voertuig te kunnen meenemen en vast te zetten. “Onvoldoende is dat degene die anderen behulpzaam is bij het regelen van vervoermiddelen meteen als medepleger moet worden beschouwd van een door die anderen voorgenomen plan en dus meteen ook maar allerlei andere voorwerpen zoals een loods en vuurwapens die de anderen voorhanden hebben gehad tezamen en in vereniging met die anderen aanwezig heeft gehad. Gelet hierop is de bewezenverklaring van feit 1 (…) onvoldoende met redenen omkleed.”
ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feitallereerst geklaagd dat het gesprek van de verdachte van 4 april 2020 door het hof enerzijds wordt beschreven als een gesprek tussen [betrokkene 7] en de verdachte maar anderzijds ook als een gesprek tussen [betrokkene 6] en de verdachte, zodat de bewijsvoering innerlijk tegenstijdig en onbegrijpelijk is.
ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feitin de tweede plaats geklaagd dat het hof ten aanzien van het bewijs heeft overwogen dat de verdachte zich bezighield met het achterhalen van informatie over en het zoeken naar beoogde slachtoffers en daartoe opdrachten kreeg van [betrokkene 5]
en[betrokkene 6] . Dat de verdachte “daartoe opdrachten” kreeg van [betrokkene 5] blijkt volgens de stellers van het middel niet uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, terwijl het hof ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen heeft aangeduid waaraan het hof deze gevolgtrekking heeft ontleend.
en [betrokkene 5]of[betrokkene 7] [cursivering en onderstreping door mij A-G].”
mogelijkis aangestuurd door [betrokkene 5] . Ik meen dan ook dat het hof abusievelijk niet heeft vermeld dat niet vaststaat dat het ook [betrokkene 5] was die de verdachte heeft aangestuurd. De bestreden overwegingen van het hof kunnen in zoverre verbeterd worden gelezen. Het middel faalt ook in zoverre.