Conclusie
“medeplegen van uitlokking van medeplegen van moord”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van voorarrest.
eerstemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat het geen kennis hoefde te nemen van het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige ( [betrokkene 9] ) [4] , dat is gedaan kort voor het sluiten van het onderzoek. Geklaagd wordt dat dit oordeel een onjuiste rechtsopvatting blootlegt, althans onbegrijpelijk is.
tweedemiddel wordt geklaagd over de verwerping van het verweer dat strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM.
derdemiddel behelst de klacht dat het hof, door te oordelen dat de verklaringen van de ontlastende getuigen [betrokkene 7] en [betrokkene 8] het hof niet overtuigen, de bewijslast ten onrechte heeft omgekeerd.
vierdemiddel wordt geklaagd over de overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase.
2.Standpunt Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben zich ter terechtzitting van het hof op het standpunt gesteld dat alle verweren die zijn gericht op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging of op bewijsuitsluiting moeten worden verworpen. Hoewel er op onherstelbare wijze vormen zijn verzuimd in het vooronderzoek, is geen sprake van de situatie dat door één of meer vormverzuimen de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt en het proces als geheel niet als eerlijk kan worden aangeduid. Volstaan kan worden met de constatering dat er vormen zijn verzuimd.
3.Juridisch kader
Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verweren van de verdediging schetst het hof het relevante juridische kader. Na een korte weergave van de relevante regelgeving en jurisprudentie omtrent kroongetuigen en de toetsing van de kroongetuigeovereenkomst door de rechter, volgt het beoordelingskader van artikel 359a Sv.
De artikelen 226g tot en met 226j zijn van overeenkomstige toepassing indien de officier van justitie voornemens is een afspraak te maken met een veroordeelde die bereid is een getuigenverklaring af te leggen, in ruil voor de toezegging van de officier van justitie dat deze bij de indiening van een verzoekschrift om gratie een positief advies tot vermindering van de opgelegde straf met maximaal de helft zal uitbrengen. De voorwaarden voor het uitbrengen van een positief advies zijn dezelfde als genoemd in artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht voor het vorderen en toepassen van strafvermindering.
Bij het op schrift stellen van de voorgenomen afspraak geldt niet het vereiste genoemd in artikel 226g, tweede lid, onder b.
De officier van justitie geeft aan de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht zal worden gevorderd. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op het afleggen van een getuigenverklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar misdrijven, als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering die gepleegd zijn in georganiseerd verband en gezien hun aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of naar misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid.
De voorgenomen afspraak is op schrift gesteld en bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van:
a. de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige, bedoeld in het eerste lid, bereid is een getuigenverklaring af te leggen;
b. (…)
c. de voorwaarden die aan de getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan deze bereid is te voldoen;
d. de inhoud van de toezegging van de officier van justitie.
Op vordering van de officier van justitie toetst de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak. De officier van justitie verschaft de rechter-commissaris de gegevens die hij voor de beoordeling daarvan behoeft.
Van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
(…)
(…)
De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van de afspraak; hij houdt daarbij rekening met de dringende noodzaak en met het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Hij geeft tevens een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige. Hij legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.
(…)
.”
Het gebrekkig en onvolledig informeren van de rechter-commissaris in strijd met artikel 226g lid 3 Sv;
Het in strijd met de AVR wissen van de opname van de op 3 oktober 2017 afgelegde kluisverklaring van [betrokkene 2] ;
“medeplegen van uitlokking van medeplegen van moord”(zie de onder randnummer 14 weergegeven bewezenverklaring)
.Daartoe heeft het hof, voor zover voor de beoordeling van de middelen relevant, het volgende overwogen (met overname van de voetnoten):
4. Oordeel hof
.Daarbij heeft de wrakingskamer in zijn oordeel betrokken:
formeelnog niet was gesloten, zodat ’s hofs oordeel dat het van de verzoeken van de verdediging geen kennis hoefde te nemen, in zoverre getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
, [52] zodat mij ook het belang ontgaat dat de verdediging met het horen van deze getuige voor ogen staat.
“ziende blind en horende doof”heeft gehouden. Volgens de stellers van het middel schiet dit oordeel tekort, in aanmerking genomen dat het hof (óók) heeft vastgesteld dat er (door het gebrekkig en onvolledig informeren van de rechter-commissaris en het wissen van de opname van de kluisverklaring van de kroongetuige)
“uiterst onzorgvuldig is gehandeld door politie en justitie”. [57] Bovendien wordt geklaagd (b) dat het hof in zijn beoordeling ten onrechte niet heeft betrokken hetgeen de verdediging ten aanzien van het wissen van die kluisverklaring heeft aangevoerd, terwijl daarmee de verdediging de mogelijkheid is ontnomen een effectieve verdediging te kunnen voeren. [58]
“of sprake is van een eerlijk proces niet alleen afhankelijk (is) van de mate waarin rekening wordt gehouden met de belangen van de verdachte, maar ook met de gerechtvaardigde belangen van anderen die bij het strafproces zijn betrokken, zoals slachtoffers en nabestaanden”, en dat daarbij tevens oog dient te zijn voor “
het publieke belang bij het onderzoek en bestraffing van de specifieke strafbare feiten die het betreft”. [59]
“ergeen aanknopingspuntenzijn dat de politie of het OMbewusthebben nagelaten onderzoek te verrichten of bewust informatie hebben achtergehouden”. [62]
“ziende blind en horende doof”heeft gehouden – waarin (een bepaalde mate van) bewustheid ligt besloten – dan ook niet onbegrijpelijk. De klacht onder (a) faalt.
“dat er (uiteindelijk) gedurende de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep uitgebreid aanvullend onderzoek is verricht betreffende de betrouwbaarheid van [betrokkene 2] en het berichtenverkeer in het bijzonder. Dit onderzoek heeft bestaan uit het toevoegen van stukken, het meermalen horen van de kroongetuige in het bijzijn van de verdediging en het als getuigen horen van verbalisanten en zelfs officieren van justitie. Dit allemaal juist vanwege het besef van de risico’s die aan het gebruik van verklaringen van een kroongetuige inherent zijn”. [63]
“dat de verdediging tijdens het onderzoek alle ruimte is geboden haar ondervragingsrecht uit te oefenen en verweer te voeren, terwijl ook gehoor is gegeven aan de onderzoekswensen van de verdediging”. [64] Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De klacht stuit daarop af.