Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
Feiten en omstandigheden
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte was als wachtcommandant belast met de beveiliging van een woonadres en viel tijdens een nachtdienst opzettelijk enige uren in slaap in de ontspanningsruimte. Hierdoor kon hij niet adequaat reageren op calamiteiten, wat de integriteit van het beveiligde object en de veiligheid van de bewoonster in gevaar bracht. Het hof stelde vast dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde om in slaap te vallen, waarmee hij voorwaardelijke opzet had op het in slaap vallen.
De bewijsvoering rustte op getuigenverklaringen die het gedrag van de verdachte tijdens de nachtdienst beschrijven, waaronder het horen snurken en het langdurig liggen met gesloten ogen in het donker. De verdediging voerde onder meer aan dat de verdachte bereikbaar was via portofoon en dat het gevaar onvoldoende concreet was, maar het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat de verdachte onvoldoende toezicht hield op zijn ondergeschikten en daarmee het risico liep dat calamiteiten niet werden opgemerkt.
De klachten in cassatie over het bewijsminimum, de kwalificatie en de afweging van het gevaar werden verworpen. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 20 uren taakstraf, subsidiair 10 dagen hechtenis, wegens opzettelijk ongeschikt maken voor waakzaamheid tijdens nachtdienst.