Conclusie
1.Inleiding
2.De middelen
het gevolgis van de eerdere door de aangever gepleegde aanrandingen jegens de verdachte. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat op het moment dat de verdachte zijn handelingen beging geen sprake was van een van de aangever uitgaande
ogenblikkelijke(dreigende) wederrechtelijke aanranding jegens de zoon van de verdachte.
actueel(cursivering hof) en anders niet te keren gevaar'. De eis van ogenblikkelijkheid bevat het tijdsaspect in de noodweerhandeling. De aanranding of de dreiging daarvan moet op het verdedigingsmoment acuut zijn. Het hof overweegt dat onder een ‘ogenblikkelijke dreigende aanranding’, mede gelet op het uitzonderlijke karakter van het noodweer(exces) als uitzondering op het geweldsmonopolie van de overheid, dient te worden verstaan als een
in de tijdonmiddellijk dreigend gevaar voor eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Toekomstige dreiging of gedrag dat in de tijd te ver verwijderd is kan, naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als ’ogenblikkelijke dreigende aanranding’. Dat vindt ook bevestiging in HR 6 april 1977, NJ 1978/201. Een noodweerhandeling is eerst toegestaan vanaf het moment dat de aanranding is aangevangen of dadelijk dreigt te beginnen. Bij een meer in tijd verwijderde dreiging kan niet (meer) van verdediging worden gesproken.
ogenblikkelijkewederrechtelijke
ogenblikkelijkewederrechtelijke (dreigende) aanranding” niet onbegrijpelijk is en ook niet ontoereikend is gemotiveerd. Aan dit oordeel van het hof ligt de overweging ten grondslag dat de zoon van de verdachte zich op ongeveer 7,5 kilometer van de plaats bevond waar de aangever zijn bedreigingen heeft geuit en dat hij dus niet aanstonds zijn dreigement ten uitvoer zou kunnen brengen. Hieruit volgt dat weliswaar sprake is van een dreigend gevaar, maar niet, zoals de Hoge Raad vereist, een
onmiddellijkdreigend gevaar. [4] Daarnaast merkt het hof in zijn overwegingen terecht op dat noodweerexces het karakter heeft van een
uitzondering [5] op het geweldsmonopolie van de overheid, in welke overweging mijns inziens de rechtens juiste gedachte besloten ligt dat een verdachte het recht niet in eigen handen mag nemen als nog andere mogelijkheden bestaan om het dreigende gevaar af te wenden, bijvoorbeeld door de autoriteiten in te schakelen, die indien nodig in zo’n geval gerechtigd zijn om met geweld op te treden. In dit verband wijs ik erop dat de aangever, zoals reeds opgemerkt, tijdens de eerste door het hof vastgestelde noodweersituatie (het bonzen op de deur) ook al bedreigingen jegens de zoon van de aangever had geuit en toen is weggereden. De verdachte zag daar, zoals de advocaat-generaal blijkens het arrest ook heeft aangevoerd, toen kennelijk geen reden in om de politie te bellen, maar zag in dezelfde bedreiging ongeveer 10 minuten later wel reden om de aangever, die inmiddels weer was teruggekomen en vervolgens, na de tweede confrontatie bij de auto van de verdachte, wederom was weggereden op zijn scooter, tweemaal aan te rijden met zijn auto.