Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De strafzaak
Zaak A:
3.De ontnemingszaak
Inleiding
Berekening aan de hand van de kasopstelling:
€ 4.669.543,91.”
4.Het eerste middel
“zich niet verhoudt met (…) (deel)vrijspraken in de hoofdzaak”. Het hof heeft in weerwil daarvan diverse uitgaven van de betrokkene voor vakanties naar Turkije alsmede uitgaven die samenhangen met diverse horloges, niet zijnde het specifiek in de tenlastelegging c.q. bewezenverklaring genoemde horloge, deel laten uitmaken van de kasopstelling en zodoende betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat levert volgens te steller van het middel een doorkruising op van de zogenoemde Geeringsjurisprudentie van het EHRM, hetgeen leidt tot een schending van de in art. 6 EVRM Pro verankerde onschuldpresumptie.
[n]och in de strafzaak, noch in de ontnemingszaak een gronddelict [is] vastgesteld waaruit de geldbedragen afkomstig zijn. Volstaan is met de vaststelling dat het niet anders kan zijn dan dat de gelden uit misdrijf afkomstig zijn, respectievelijk dat de gelden zijn verkregen uit andere feiten, waarvan aannemelijk is dat de betrokkene ze heeft begaan. Het (gewoonte)witwassen, waarvoor de betrokkene is veroordeeld, is dus niet te beschouwen als een dergelijk gronddelict.”
of de vrijspraak meebrengt dat het desbetreffende geldbedrag ten onrechte in de kasopstelling is opgenomen”. Volgens het hof is dat bijvoorbeeld het geval “
indien de rechter in de strafzaak heeft overwogen dat, anders dan in de kasopstelling is opgenomen, niet vaststaat dat de verdachte bepaalde concrete bedragen heeft uitgegeven”. Het hof heeft vervolgens – in concluderende zin – overwogen dat “
[i]ndien de vrijspraak geen invloed heeft op de kasopstelling, maar bijvoorbeeld betrekking heeft op bepaalde witwashandelingen, de criminele herkomst van de geldbedragen niet [wordt] aangetast en de vrijspraak [niet in de weg hoeft te staan] aan ontneming op basis van de kasopstelling”.
de uitgaven van de betrokkene voor vakanties naar Turkije met diverse dames in september 2011, met [betrokkene 2] dan wel met zijn zoon in 2012 en met [betrokkene 2] in maart 2013, in het voordeel worden betrokken”, alsmede dat “
in de hoofdzaak niet uitdrukkelijk is vrijgesproken van uitgaven voor specifiek in het rapport genoemde horloges die deel uitmaken van de berekening volgens de kasopstelling”. Bezien tegen de achtergrond dat volgens het hof heeft te gelden dat noch in de strafzaak, noch in de ontnemingszaak een gronddelict is vastgesteld waaruit de geldbedragen afkomstig zijn, is het kennelijke oordeel van het hof dat de deelvrijspraken niet in de weg staan aan ontneming op basis van de kasopstelling, voor zover het de genoemde vakantiereizen en horloges betreft, niet onbegrijpelijk. Dat de genoemde uitgaven vallen binnen de ten laste gelegde periode doet daaraan niet af. Het hof heeft het ten laste gelegde feit (gewoonte)witwassen niet als gronddelict voor de ontneming beschouwd en met het uitgangspunt van het hof is een inhoudelijke toets aangelegd, waarbij het hof niet eraan is voorbijgegaan dat de betrokkene voor specifieke gedragingen in de strafzaak is vrijgesproken. Het hof heeft daarmee niet alsnog de schuld van de betrokkene aangenomen aan een strafbaar feit waarvoor hij is vrijgesproken. Dat oordeel acht ik toereikend gemotiveerd.
5.Het tweede middel
zich slecht [verhoudt]” tot ‘het systeem van art. 322 lid 3 Sv Pro’, waaruit zou volgen dat een partij die weigert in te stemmen met voortzetting van het onderzoek niet hoeft toe te lichten op welk belang die weigering berust.
NJ2014/289 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: