Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
18 april 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin de betrokkene werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in cocaïne.
Het hof had vastgesteld dat de betrokkene in totaal zes kilogram cocaïne had afgenomen en deze hoeveelheid naar zijn oordeel ook daadwerkelijk had verkocht, ondanks dat hij in de strafzaak was vrijgesproken van medeplegen van verkoop van ten minste vier kilogram cocaïne. Het hof baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een winstmarge van € 5.000 per kilo, wat resulteerde in een bedrag van € 30.000.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd of het de vrijspraak had gerespecteerd bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De schatting was ontoereikend gemotiveerd omdat het hof niet duidelijk maakte of het oog had op de verkoop waarvan de betrokkene was vrijgesproken, hetgeen strijdig is met het arrest Geerings/Nederland van het EHRM.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting en afdoening van de ontnemingsvordering, waarbij de motivering en respect voor de vrijspraak adequaat moeten worden gewaarborgd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.