Conclusie
gronden”. [1]
5.De toegepaste wettelijke bepalingen
6.De beslissing
“aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, alsmede uit soortgelijke feiten (kortweg: eerdere oogsten) waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan”onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat dit oordeel onbegrijpelijk is, nu de rechtbank daarmee het oog moet hebben gehad op de 250 hennepplanten die zijn aangetroffen ten tijde van de doorzoeking van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] in de tweede kweekruimte op zolder, terwijl van een oogst van die planten (nog) geen sprake was. Verder voert de steller van het middel aan dat de rechtbank – en daarmee het hof – voor wat betreft het aantal oogsten aansluiting zoekt bij de verklaring van de betrokkene, waarna het overweegt dat er blijkens zijn verklaring vier oogsten zouden zijn geweest. De steller van het middel wijst erop dat de betrokkene in zijn verklaring bij de politie zowel van drie als van vier eerdere oogsten melding heeft gemaakt.
“dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, alsmede uit soortgelijke feiten (kortweg: eerdere oogsten) waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan”. Ik ga er hierna van uit dat het hof heeft beoogd toepassing te geven aan artikel 36e lid 2 in de bewoordingen die golden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en dat de opgelegde maatregel strekt tot ontneming van voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van die feiten en (met name ook)
anderestrafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Ook de steller van het middel is die opvatting kennelijk toegedaan.
voorafgaandaan de datum waarop de hennepkwekerij werd aangetroffen. De steller van het middel klaagt daarover terecht. Tot cassatie behoeft dit vanzelfsprekend niet te leiden. Uit de bewijsvoering volgt immers overduidelijk dat de rechtbank – en daarmee het hof – het oog heeft gehad op die vier eerdere oogsten en dat de op 16 juni 2018 aangetroffen hennepplanten niet in de voordeelberekening zijn betrokken. [8]
aannemelijk geacht” dat de betrokkene met de in zijn (huur)woning aangetroffen hennepkwekerij eerdere oogsten heeft gerealiseerd. [9] Daarbij is het uitgegaan van vier eerdere oogsten. ’s Hofs oordeel omtrent het aantal oogsten en de schatting van het voordeel daaruit, acht ik niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Nu in ontnemingsprocedures bij de schatting van het voordeel de bewijslast tussen het Openbaar Ministerie en de betrokkene wordt verdeeld naar redelijkheid en billijkheid, [10] heeft de rechtbank – en daarmee het hof – als startpunt kunnen uitgaan van (onderdelen van) de verklaring van de betrokkene en heeft het deze vervolgens op niet onbegrijpelijke wijze bezien in samenhang met de overige omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder de omstandigheden waaronder de hennepkwekerij is aangetroffen. Als gevolg daarvan is het hof
kunnenuitgaan van vier eerdere oogsten en het daaruit voortkomende voordeel. De motivering van de verwerping van het namens de betrokkene ter terechtzitting van 5 juli 2023 ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ligt daarmee besloten in de gebezigde bewijsmiddelen. Verder reikt de toets in cassatie niet.
“dat ik 3000 euro als opbrengst noemde had ik ter plekke verzonnen”.