ECLI:NL:PHR:2025:944
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over medeplegen gekwalificeerde doodslag en diefstal met geweld op Curaçao
De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld wegens medeplegen van diefstal met geweld, medeplegen van gekwalificeerde doodslag en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. De zaak betreft een gewapende overval en poging tot inbraak waarbij een slachtoffer door een medeverdachte werd doodgeschoten.
In cassatie werd betoogd dat het vereiste oogmerk voor gekwalificeerde doodslag niet voldoende uit de bewijsmiddelen bleek, met name dat het oogmerk om de uitvoering van het strafbare feit voor te bereiden of te vergemakkelijken niet aan de verdachte kon worden toegerekend. De Hoge Raad bevestigde dat medeplegen vereist dat de verdachte bewust en nauw samenwerkte en het oogmerk had dat bij art. 2:260 SrC Pro wordt geëist.
Het hof had vastgesteld dat de verdachte en medeverdachten gezamenlijk een plan hadden om te stelen, vuurwapens bij zich hadden en dat zij zich bewust waren van de aanwezigheid van geladen wapens. De schietpartij vond plaats tijdens een poging tot inbraak, waarbij het voorzienbaar was dat het tot een gewelddadige confrontatie kon komen. De verdachte had dit risico bewust aanvaard, wat toerekening van het dodelijke schot mogelijk maakt.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel met een motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO Pro. Wel werd ambtshalve opgemerkt dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden, wat strafvermindering rechtvaardigt. De conclusie strekt tot vernietiging van het vonnis uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, met strafvermindering, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, met strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.