Conclusie
onder 1
V. Bespreking van de middelen
Het tweede middel: de glasdeeltjes in en op de aangetroffen Nike-schoenen
Paragraaf 2 - De Nike sportschoenen
[…]
Glas-onderzoek
De onderzochte glasdeeltjes zijn op de volgende kenmerken en in onderstaande volgorde met het referentieglas vergeleken:
veel waarschijnlijkerzijn, wanneer dit deeltje afkomstig is van de vernielde autoruit, waartoe het referentieglas (AAFM4917NL) heeft behoord (hypothese 1) dan wanneer het afkomstig is van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp (hypothese 2).
iets waarschijnlijkerzijn, wanneer dit deeltje afkomstig is van de vernielde autoruit, waartoe het referentieglas (AAFM4917NL) of (AAFJ2844NE) heeft behoord (hypothese 1) dan wanneer het afkomstig is van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp (hypothese 2).
[…]
[…]
[…]
Verweer ten aanzien van de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend glasonderzoekDe deskundige drs. J.A. de Koeijer van het NFI heeft een aanvullend samenvattend rapport van de NFI-onderzoeken naar aanleiding van een schietincident in Amsterdam op 29 december 2012 opgesteld. Hierin is op pagina 17/18 met betrekking tot het glasonderzoek het volgende opgenomen:
Naar aanleiding van de beantwoording van aanvullende vragen in het rapport van 16 september 2014 (het hof begrijpt: het NFI-rapport van 16 september 2014, C2 0605 e.v.) en op de zitting van 24 mei 2016 (het hof begrijpt: ter terechtzitting van het hof op 24 mei 2016) door glasdeskundige M. Hordijk wil ik (J.A. de Koeijer) nog het volgende opmerken:
two trace’-problematiek wordt afgewezen.
two-trace-problem’ benoemt, opmerkt “I’m not sure I understand the last question” –, betreft de ‘
two-trace problem’ een situatie waarin één spoor overeenkomt en (tal van) andere niet, welk gegeven van invloed zou zijn op de berekening van de likelihood ratio. Wat er ook zij van deze informatie, het hof begrijpt daaruit dat dit betrekking heeft op factoren die een rol kunnen spelen bij een onderzoek op activiteitenniveau. Nu een glasonderzoek op activiteitniveau niet heeft plaatsgevonden, ontbreekt de noodzaak Curran hieromtrent te horen. Voor het overige acht het hof zich in het licht van de te beantwoorden vragen van 348 en 350 Sv voldoende voorgelicht omtrent het vergelijkend glasonderzoek op bronniveau.
Would you be able, based on the previous, to give your expert opinion on this method of calculating the likelihood ratio. We would like to know whether this method, that uses the trace element composition one hand and the rarity of the glass particle other hand, reflects a correct likelihood ratio. The database of the NFI plays a role in this rarity. Is this a correct statistic method? We wonder if this method unjustly surpasses other context. Like for example the location where the particular car with the broken window/windshield was found, what we know about the amount of produced Audi’s with windows/windshields with the same glass composition and the fact that more glass particles (of which no judgment about trace element composition could be made) have been found under the same shoes were was found the one particle that matches in trace element composition.”
Het eerste, het derde en het vierde middel: klachten met betrekking tot de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) de getuige [betrokkene 1]
eerste middelkeert zich met een motiveringsklacht tegen ’s hofs afwijzing van het verzoek om [betrokkene 4] opnieuw als getuige te horen.
Kort samengevat, formuleert de raadsvrouw het verzoek om [betrokkene 4] opnieuw als getuige ter terechtzitting van het hof te doen oproepen. De raadsvrouw heeft een e-mailbericht ontvangen van de advocaat van [betrokkene 4] , inhoudende “Eerder legde mijn cliënt [betrokkene 4] een getuigenverklaring af ter zitting van het gerechtshof in de Staatsliedenbuurt zaak. [betrokkene 4] vertelde mij dat hij sinds het afleggen van zijn verklaring diverse keren is benaderd om (tegen betaling) opnieuw te getuigen maar dan aldus dat hij aangeeft eerder als getuige de waarheid niet te hebben gesproken. Daarbij is aan [betrokkene 4] medegedeeld, zo zei hij mij, dat "die jongens niet mogen worden vrijgesproken want dan was alles voor niets geweest”. Het fijne weet ik hier niet van, doch mijn cliënt vroeg mij u dit door te geven. Onder verwijzing naar dat bericht wenst de raadsvrouw [betrokkene 4] te horen omtrent diens kennelijke recente (althans na zijn getuigenverklaring ter zitting) contact met [betrokkene 1] en/of diens contacten, dan wel derden en daarmee over wetenschap van de motieven van [betrokkene 1] en/of diens contacten/derden om het strafproces tegen de verdachte oneigenlijk ten nadele van de verdachte te beïnvloeden.
[…]
Daargelaten dat het hof zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] en [betrokkene 8] op tal van punten aan waarachtigheid ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat deze verklaringen niet zijn onderbouwd en daarmee niet aannemelijk zijn geworden. Overigens is opvallend te noemen dat de getuige [betrokkene 4] zich tijdens een terechtzitting in zijn eigen zaak op 13 december 2018 zonder nadere toelichting heeft uitgelaten over de leugenachtigheid van [betrokkene 1] en dat ook [betrokkene 7] en [betrokkene 8] pas in een zeer laat stadium, tegen het einde van de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting in december 2018, als getuigen met betrekking tot de leugenachtigheid van [betrokkene 1] naar voren zijn gekomen. [p. 40]
[…]
[betrokkene 4]opnieuw als getuige te horen.
derde middelklaagt dat het hof de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd en het andersluidende verweer van de verdediging heeft verworpen, aangezien de verdediging onvoldoende in de gelegenheid zou zijn geweest deze getuige effectief te ondervragen.
Hoofdstuk 3 - De verklaringen van [betrokkene 1]
C. De politie heeft verregaand onzorgvuldig en in strijd met het “Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek” gehandeld bij een fotoconfrontatie met [betrokkene 1] .
Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof de conclusie niet anders luiden dan dat de verdediging voldoende in de gelegenheid is geweest [betrokkene 1] als getuige te bevragen en daarbij hetgeen hij eerder heeft verklaard te toetsen. Ook is de verdediging ruimschoots in de gelegenheid geweest [betrokkene 1] te confronteren met de verklaringen van andere getuigen en nieuwe onderzoeksbevindingen. Dat [betrokkene 1] vanwege het hem toegekende verschoningsrecht niet alle bij de verdediging levende vragen heeft beantwoord, brengt evenmin een schending van artikel 6 EVRM Pro en/of in artikel 359a Sv met zich. Wel kan de verdediging worden nagegeven dat bij de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] een rol zal spelen dat hij zich heeft kunnen verschonen van de beantwoording van vragen over zijn kennelijke ontmoeting met een persoon voorafgaand aan het moment waarop hij beschoten is. Het hof zal dit aspect meewegen bij de waardering van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen.
nietwordt bestreden dat [betrokkene 1] (als getuige) op veel vragen antwoord heeft gegeven, en dat evenmin wordt opgekomen tegen de vaststelling van het hof dat de getuige op vragen die betrekking hadden op de door het hof aangeduide kern van het tenlastegelegde “telkens zonder voorbehoud, duidelijk en veelal gedetailleerd” antwoord heeft gegeven.
daarnaastnog te klagen over een tweetal met het ondervragingsrecht samenhangende beslissingen van (de voorzitter van) het hof.
dievraag nu juist wel beantwoord. Ik meen dat het hof zonder miskenning van art. 219 Sv Pro heeft geoordeeld dat met betrekking tot bepaalde vragen [betrokkene 1] een beroep op het verschoningsrecht toekwam en dat dit oordeel, gelet op hetgeen door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, niet onbegrijpelijk is; het kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst, lijkt mij.
vierde middelklaagt dat de verwerping van “het door argumenten onderbouwd verweer” van de verdediging dat de verklaringen van getuige [betrokkene 1] met name over de identiteit van ‘ [bijnaam] ’ niet betrouwbaar zijn, onvoldoende met redenen is omkleed “in het licht van de aard en indringendheid van het verweer/uitdrukkelijk onderbouwde standpunten”.
6.3 Oordeel van het hof
Het hof markeert dat [betrokkene 1] in de eerste momenten na de beschieting in de Staatsliedenbuurt één van de betrokkenen heeft geïdentificeerd als ‘ [bijnaam] ’. Op grond van de bevindingen van de politie kan worden vastgesteld dat [betrokkene 1] met ‘ [bijnaam] ’ doelt op één van de [broers] . De onmiddellijke en directe verwijzing naar één van de [broers] wordt door [betrokkene 1] verder geconcretiseerd door te zeggen dat het om de oudste broer zou gaan, die hij heeft gezien. Vastgesteld moet worden dat [betrokkene 1] niet direct verwijst naar de verdachte [verdachte] , maar dat [verdachte] wel de op één na oudste is van de broers en de bijnaam [bijnaam] heeft.
gelaatstrekkenvan de bijrijder door de ruit waarneembaar waren. De omstandigheid dat het hof niet is ingegaan op de kennelijk onjuiste aanduiding van twee parkeervakken op de plaats waar de verdachte heeft gestaan, maakt dat niet anders, mede in aanmerking genomen dat het belang daarvan niet verder is onderbouwd door de verdediging.
Het vijfde middel: medeplegen poging (gekwalificeerde) doodslag op de verbalisanten
Hoofdstuk 2 – Vaststaande feiten en omstandigheden
Ten aanzien van meer specifiek feit 1, feit 2 en feit 3 nog het volgende.
[…]
oogmerkom de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Voor deze gekwalificeerde doodslag kan evenwel ook veroordeeld worden degene die zelf het, in de delictsomschrijving genoemde, bijkomend oogmerk niet had. De medepleger die voorwaardelijk opzet heeft op de doodslag door de pleger, dus door degene met wie hij de daaraan voorafgaande delicten heeft gepleegd en met wie hij op de vlucht is geslagen, maakt zich schuldig aan gekwalificeerde doodslag. [32] Het voorwaardelijk opzet op dit gevolg impliceert dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat de pleger die derde persoon zou doden zodat zij ongehinderd zouden kunnen ontkomen. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met deze maatstaf is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering 'de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans'. [33]
Het zesde en het zevende middel: de levenslange strafoplegging
Oplegging van straf
Levenslange gevangenisstraf en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens Na het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 23 april 2019 met betrekking tot de ‘Passage-zaak’ opnieuw geoordeeld, dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM Pro. De Hoge Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
Van betekenis is ten slotte dat indien op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk nimmer wordt verkort, die omstandigheid bepaaldelijk een factor van betekenis zal zijn bij de beantwoording van dan rijzende vragen omtrent de verenigbaarheid met art. 3 EVRM Pro van enerzijds de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in nieuwe gevallen en anderzijds de verdere tenuitvoerlegging in gevallen waarin een levenslange gevangenisstraf reeds is opgelegd. Die vragen zijn thans echter niet aan de orde.”
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] moeten hun laatste levensmomenten in angst en pijn hebben doorgebracht. Hun dood heeft bij hun directe familieleden onpeilbaar leed veroorzaakt, zoals ook ter terechtzitting in hoger beroep uit de door of namens familieleden voorgelezen slachtofferverklaringen is gebleken. Het is een verlies dat zij hun leven lang zullen moeten meedragen.
Ook [betrokkene 1] , die maar ternauwernood aan het vuurwapengeweld heeft kunnen ontsnappen, heeft in zijn schriftelijke slachtofferverklaring aangegeven dat de gebeurtenissen grote impact hebben gehad.
zesde middelklaagt in de kern dat het hof bij de strafoplegging gronden van generale en speciale preventie betrokken heeft.
zevende middelklaagt dat de levenslange gevangenisstraf, zoals deze in Nederland in de praktijk ten uitvoer wordt gelegd, in strijd is met art. 3 EVRM Pro nu, kort gezegd, de bestrafte niet kan rekenen op een daadwerkelijk en binnen zijn invloedsfeer te behalen mogelijkheid tot invrijheidstelling en hij feitelijk niet in staat wordt gesteld in aanmerking te komen voor gratie.
NJ2009/602, m.nt. Mevis tot het oordeel dat uit het arrest van het EHRM in de zaak Kafkaris/Cyprus van 12 februari 2008, appl. nr. 21906/04, ECLI:NL:XX:2008:BC8753,
NJ2009/90, m.nt. Schalken volgt dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan meerderjarige verdachten op zichzelf niet onverenigbaar is met art. 3 EVRM Pro en evenmin met enige andere bepaling van dat verdrag. Dat zou in het bijzonder in het licht van de in art. 3 EVRM Pro vervatte waarborg anders kunnen zijn indien die straf als "irreducible" moet worden beschouwd. Een factor die daarbij in aanmerking moet worden genomen is of in het nationale recht is voorzien in de mogelijkheid om de duur van die straf te verkorten. De verdachte aan wie de straf wordt opgelegd mag niet ieder perspectief op vrijlating worden onthouden. Het enkele feit dat de duur van de straf in een concreet geval ook de facto levenslang is, brengt echter niet mee dat de straf in dat geval als "irreducible" heeft te gelden en met art. 3 EVRM Pro niet zou zijn te verenigen. De Hoge Raad wees er op, evenals hij dat al eerder deed in zijn arrest van 9 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1464,
NJ1999/435, dat aan de veroordeelde, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf, gratie kan worden verleend, terwijl deze voorts het oordeel van de burgerlijke rechter kan inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf. Gratie kon inderdaad worden verleend, maar wil die mogelijkheid in overeenstemming zijn met het bepaalde in art. 3 EVRM Pro, dan moet zij niet alleen op papier (de iure) maar ook feitelijk (de facto) bestaan. Anders zou toch nog het standpunt kunnen worden ingenomen dat deze mogelijkheid in feite illusoir is. Het is dan ook begrijpelijk dat de Hoge Raad zijn overwegingen in zijn arrest van 16 juni 2009 afsloot met de toevoeging dat indien zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in feite nimmer wordt verkort, dat van betekenis kan zijn bij de beantwoording van de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf dan wel verdere voortzetting van een dergelijke straf zich verdraagt met de uit art. 3 EVRM Pro voortvloeiende eisen, zoals die door het EHRM in het arrest Kafkaris/Cyprus nader waren omlijnd.
NJ2016/348, m.nt. Kooijmans heeft de Hoge Raad met verwijzing naar uitspraken van het EHRM en eerdere arresten van de Hoge Raad het juridisch kader nog eens uiteengezet. Naar aanleiding daarvan stelde de Hoge Raad bij de bespreking van het cassatiemiddel wederom voorop dat de levenslange gevangenisstraf op zichzelf beschouwd niet in strijd is met het bepaalde in art. 3 EVRM Pro, ook niet indien deze gevangenisstraf ten volle wordt geëxecuteerd. Uit het door hem weergegeven juridische kader volgt volgens de Hoge Raad evenwel dat een levenslange gevangenisstraf niet kan worden opgelegd indien niet reeds ten tijde van de oplegging duidelijk is dat er na verloop van tijd een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Een en ander betekent overigens niet dat het bieden van een mogelijkheid tot herbeoordeling van de straf impliceert dat die herbeoordeling steeds zal leiden tot verkorting van de straf. Herbeoordeling kan immers ook ertoe leiden dat voor verkorting geen grond aanwezig wordt bevonden. De mogelijkheid tot herbeoordeling van de opgelegde levenslange gevangenisstraf dient, aldus de Hoge Raad, aan diverse voorwaarden te voldoen. Zo moet bij de herbeoordeling informatie worden betrokken betreffende de ontwikkelingen met betrekking tot de persoon van de veroordeelde alsmede de geboden mogelijkheden van resocialisatie. Ook dient het voor de veroordeelde reeds ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in voldoende mate duidelijk te zijn welke objectieve criteria zullen worden aangelegd bij de herbeoordeling, zodat hij weet aan welke vereisten zal moeten worden voldaan, wil hij – op termijn – voor verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling in aanmerking komen. En met het oog op het bieden van een reële mogelijkheid tot herbeoordeling is het van belang dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf – ook voordat de vorengenoemde herbeoordeling plaatsvindt – moet kunnen voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving en dat in verband daarmee binnen het kader van de tenuitvoerlegging mogelijkheden tot resocialisatie moeten worden geboden.
NJ2019/326, m.nt. Van Kempen – in een regeling ter zake van de advisering en de besluitvorming omtrent het aanbieden van zogeheten re-integratieactiviteiten aan levenslanggestraften, mede met het oog op eventuele gratieverlening. De introductie van het nieuwe wettelijke stelsel in het kader van de levenslange gevangenisstraf brengt de Hoge Raad tot de volgende conclusie:
NJ2021/43, m.nt. Jörg heeft ook de civiele kamer van de Hoge Raad zich over de kwestie gebogen, en meer specifiek over de beoordelingsruimte van de Kroon c.q. de minister na een advies van het gerecht omtrent gratieverlening in een concreet geval. Dit arrest houdt onder meer het volgende in (ook hier zijn de voetnoten door mij weggelaten):
3.5.3
3.5.5
3.5.6
3.5.7
Zoals al is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017, laat de invoering van het in 2017 in werking getreden stelsel van herbeoordeling onverlet dat indien op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van dit nieuwe stelsel in de praktijk nimmer wordt verkort, dat bepaaldelijk een factor van betekenis zal zijn bij de dan te beantwoorden vraag of de oplegging dan wel de (onverkort) verdere tenuitvoerlegging verenigbaar is met art. 3 EVRM Pro. Dat betekent dat de burgerlijke rechter, op een daartoe strekkende vordering, de verdere tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf kan verbieden, indien de (periodieke) herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf — ambtshalve of naar aanleiding van daartoe strekkende gratieverzoeken — niet tot de benodigde bekorting of aanpassing van die straf heeft geleid terwijl de (onverkort) verdere tenuitvoerlegging van de straf in strijd met art. 3 EVRM Pro is. Die vraag is in de onderhavige procedure, waarin de vorderingen betrekking hebben op — kort gezegd — het herroepen van de beslissing op het gratieverzoek en het doen van een nieuwe voordracht tot het verlenen van gratie dan wel het in behandeling nemen van een nieuw gratieverzoek (zie hiervoor in 2.3.1), echter niet aan de orde.” [56]