Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
Inleiding
Onvolledigheid van het onderzoek
30290240, Coöperatieve Rabobank Amsterdam, [rekeningnummer 3] , t.n.v. [verdachte] ;
30290213, ABN AMRO Bank NV, [rekeningnummer 2] , t.n.v. [verdachte] ;
30284470, ABN AMRO BANK NV, [rekeningnummer 4] , t.n.v. [verdachte] ;
30290231, ABN AMRO BANK NV, [rekeningnummer 5] , t.n.v. [verdachte] ;
30270241, ING Bank, gegevens met [rekeningnummer 1] , t.n.v. [medeverdachte] .
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging
NJ2021/169 m.nt. Jörg, r.o. 2.1.3 en 2.4.1-2.5.2 over de toepassing van artikel 359a Sv onder meer overwogen:
NJ2025/195, r.o. 2.3 over het bewijs dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf overwogen: [1]
PHvK] inbeslaggenomen administratie in het ongerede is geraakt”. Hieruit blijkt dat het hof de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk heeft geacht.
C.G.P. tegen Nederland. [4] Daarin stelde de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging diende te worden verklaard omdat de officier van justitie niet beschikte over een observatierapport waarnaar werd verwezen in een voor het bewijs gebruikt proces-verbaal. In dat proces-verbaal was opgenomen dat de politie informatie had ontvangen van de Criminele Inlichtingen Dienst (verder: CID) over een hasjtransport van de verdachte naar Nederland en verder bevatte het informatie over de observatie van de verdachte door de Belgische en Nederlandse politie. Die informatie was overgenomen uit het genoemde niet meer beschikbare observatierapport. Volgens de verdediging was kennisneming van het rapport nodig om vast te kunnen stellen of sprake was van onrechtmatige opsporing. Bij afwezigheid van het rapport wees de rechter in hoger beroep het verdedigingsverzoek toe om een aantal opsporingsambtenaren te horen onder wie enkelen die bij de observatie waren betrokken. Dit leidde echter niet tot opheldering over de bron die was gebruikt door de CID. Evenmin bleek uit de getuigenverhoren dat sprake was geweest van onrechtmatige opsporing. Gelet hierop en omdat het hof met het toestaan van de getuigenverhoren zijn bereidheid had getoond om rechtsgevolgen te verbinden aan eventuele onrechtmatigheden in de opsporing, verklaarde de Commissie de klacht van de verdachte “manifestly ill-founded”. Nu gaat het anders dan in deze zaak in de onderhavige zaak niet om een onrechtmatigheidsverweer. Niettemin illustreert de beslissing van de Commissie dat in gevallen waarin relevant materiaal niet meer beschikbaar is, het bieden van de gelegenheid om getuigen te horen een dusdanige compensatie kan opleveren dat de procedure (als geheel) toch in voldoende mate in overeenstemming is met art. 6 EVRM Pro.
4.Het tweede middel
het hof begrijpt: [a-straat 1] te [plaats]) met datum 24 oktober 2012 als vertrek uit Nederland. (...) In een van de badjassen zat in de rechterzak een bundel met geld wat later na telling 87.000 euro blijkt te zijn. (...)
Overwegingen met betrekking tot het bewijs