Conclusie
1.[eiser 1] (hierna ook: ‘ [eiser 1] ’)
[eiseres 2]
1.Feiten
Aanleiding tot sluiting van de woning
A-G]. Hierop werd gezien dat (…) al rennend [de woning] verliet, waarna hij enige tijd later werd aangehouden. Tijdens deze aanhouding bleek dat de verdachte [zoon 2] [ [zoon 2] ,
A-G] een vuurwapen in zijn broeksban[d] droeg. Dit vuurwapen was geladen echter niet doorgeladen. In het vuurwapen zat een magazijn met daarin 8 patronen.
Aanvullende informatie:
A-G], verklaarde hij dat zijn vader het misschien had gevonden in de tijd dat hij het wapen thuis bewaarde, die vier dagen. Misschien had zijn vader het verplaatst.”
2.Procesverloop
Eerste aanleg
subsidiair: de huurovereenkomst ontbindt;
primair en subsidiair: de bewindvoerder veroordeelt om de woning binnen vijf dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;
Schade
de grote hoeveelheid harddrugs die is aangetroffen: de aangetroffen hoeveelheid harddrugs betreft 209 keer de toegestane gebruikershoeveelheid 0,5 gram.
het risico dat bij dergelijke hoeveelheid drugs rekening moet worden gehouden met criminele activiteiten in en in de omgeving van bovengenoemde woning.
de aanwezigheid van een drugspers, hetgeen een dealerindicatie betreft.
de aanwezigheid van een verboden steekwapen.
de aanleiding van de doorzoeking van de woning was de aanhouding van een verdacht met een doorgeladen vuurwapen op zak.
Een eerdere verstoring van de openbare orde bij deze woning: een schietpartij in de tuin in de nacht van 31 december 2019 op 1 januari 2020. De politie stelt dat meerdere keren met een vuurwapen is geschoten op de schutting tijdens Oud en Nieuw. Het voetpad is openbaar en wordt gebruikt door omwonenden en voorbijgangers. Hiervoor is een bestuurlijke waarschuwing gegeven.
Dat buurtbewoners al langer overlast ervaren vanuit de woning.
zero tolerancebeleid ten aanzien van drugs in haar woningen en op het feit dat in dit soort zaken in de regel buitengerechtelijk wordt ontbonden. In hoger beroep heeft Eigen Haard hier nog aan toegevoegd dat in dit geval geen sprake is van een enkel incident, maar van een reeks van ernstige feiten en dat het risico dat zich in de toekomst nieuwe ernstige feiten voordoen, niet langer op omwonenden kan worden afgewenteld. Tot slot heeft Eigen Haard erop gewezen dat in het stadsdeel waar de woning gelegen is, Amsterdam Zuidoost, het bezit en gebruik van vuurwapens een groot maatschappelijk probleem is, waardoor het voor Eigen Haard extra belangrijk is om op te treden indien naast drugs ook wapens in een woning worden aangetroffen.
Termijn voor ontruiming
3.Juridische achtergrond
een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft.
geheel onmogelijkmaakt, is buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst mogelijk op grond van art. 7:210 lid 1 BW Pro. [14] In zoverre bestaat de mogelijkheid van samenloop met de andere te bespreken uitzonderingsbepaling: art. 7:231 lid 2 BW Pro.
hoevenop te leveren [16] ) bevoegd is tot buitengerechtelijke ontbinding. Deze bepaling voorziet daarmee (net als het eerder besproken art. 7:210 BW Pro) in twee uitzonderingen. In de eerste plaats is voor ontbinding door de verhuurder in afwijking van de hoofdregel van art. 6:265 BW Pro
geentekortkoming van de huurder vereist. [17] In de tweede plaats is er in afwijking van art. 7:231 lid 1 BW Pro
buitengerechtelijkeontbinding door de verhuurder mogelijk.
weinig zin” zal hebben (vergelijk de onderbouwing voor art. 7:210 BW Pro, weergegeven in randnummers 3.4 en 3.6-3.7 van deze conclusie) en in de regel schadelijk zal zijn voor de verhuurder. [18] Aan het mogelijke belang van de huurder bij voortzetting van de huurovereenkomst (bijvoorbeeld in verband met hervatte bewoning nadat een tijdelijke woningsluiting zal zijn geëindigd) is tijdens de parlementaire behandeling niet kenbaar aandacht besteed, terwijl wel uitdrukkelijk is opgemerkt dat de ontbinding niet is gegrond op een tekortkoming van de huurder. [19]
tekortkomingvan voldoende gewicht was om (gehele of gedeeltelijke) ontbinding te rechtvaardigen, terwijl de dwingend voorgeschreven rechterlijke toetsing van de ontbindingsvordering meebrengt dat de rechter in voorkomend geval ook ambtshalve de tenzij-bepaling moet toepassen. [24] Voor de ontbinding bedoeld in art. 7:210 lid 1 BW Pro respectievelijk art. 7:231 lid 2 BW Pro is evenwel
nietvereist dat sprake is van een tekortkoming en rechterlijke tussenkomst voor de ontbinding is niet dwingend voorgeschreven. De maatstaven van art. 6:265 lid 1 BW Pro zijn daarom onbruikbaar. [25] De bevoegdheid van de verhuurder hangt niet af van het antwoord op de vraag of aan de maatstaven van art. 6:265 lid 1 BW Pro is voldaan. De rechter die na uitoefening van deze bevoegdheid door de verhuurder wordt geroepen hierover te oordelen staat dan ook niet voor de vraag of destijds aan de maatstaven van art. 6:265 lid 1 BW Pro was voldaan.
Stichting Ymereheeft Uw Raad deze regels in zoverre gepreciseerd, dat de rechter ingevolge de hem in art. 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) gegeven opdracht zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is.
Tenzij-uitspraak) door de rechter te verrichten ambtshalve onderzoek van de buitengerechtelijke ontbinding en ambtshalve beantwoording van de vraag of het gebruikmaken van de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding door de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was of misbruik van bevoegdheid opleverde.
Stichting Ymereheeft Uw Raad antwoord gegeven op door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland gestelde prejudiciële vragen over – kort gezegd – de betekenis van art. 3 lid 1 IVRK Pro bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming van een woning waarin ook kinderen wonen. [30] Uit de door Uw Raad tot uitgangspunt genomen feiten blijkt niet dat in die zaak sprake was van een vordering tot ontruiming van een huurwoning, nadat deze op grond van art. 13b Opiumwet was gesloten en de huurovereenkomst buitengerechtelijk was ontbonden. [31] Wellicht dat dit verklaart waarom Uw Raad bij de beantwoording van de vragen alleen is uitgegaan van gevorderde ontruiming na of in combinatie met ontbinding op grond van een tekortkoming, kortom van het kader van art. 6:265 BW Pro in verbinding met art. 7:231 lid 1 BW Pro, zoals dat is ingevuld in de rechtspraak.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1heeft het hof in de rov. 5.3-5.10 miskend dat Eigen Haard haar bevoegdheid om tot ontbinding over te gaan in het onderhavige geval heeft misbruikt in de zin van art. 3:13 lid 1 in Pro verbinding met lid 2 BW.
niet relevantis aangemerkt; [36]
vervolgvraag” of gebruikmaking van die bevoegdheid door Eigen Haard naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW Pro) of misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW Pro) oplevert, waarbij het ook de vraag diende te beantwoorden of, gegeven de belangen van de verhuurder bij buitengerechtelijke ontbinding en ontruiming, de belangen van de huurders niet onevenredig worden aangetast (art. 8 EVRM Pro). Deze toetsing vereist een belangenafweging en is terughoudend. In het kader van deze belangenafweging (rov. 5.6-5.10) heeft het hof het betoog van [eisers] (kort gezegd: dat zij niet in verband konden worden gebracht met de verdenkingen die aanleiding waren voor de woningsluiting) alsnog in aanmerking genomen.
uitsluitendvoor dat doel heeft verleend. [40] In het algemeen wordt aangenomen dat de in art. 7:231 lid 2 BW Pro bedoelde bevoegdheid tot ontbinding niet exclusief voor het in de parlementaire geschiedenis vermelde, door [eisers] aangehaalde doel is verleend. [41] Uit de door [eisers] aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis blijkt daarnaast dat het wenselijk (er staat eigenlijk: “
beter”) is geacht dat de verhuurder “
aan de sanering meewerkt, hetgeen hij kan doen door de bestaande huurovereenkomst zo spoedig mogelijk te beëindigen”. [42] Dit gedeelte van de alinea is in de procesinleiding niet geciteerd, maar het duidt er wel op dat het door [eisers] aangehaalde doel niet het enige doel is dat met art. 7:231 lid 2 BW Pro is nagestreefd.
subonderdeel 1.4heeft het hof in rov. 5.6 van het bestreden arrest geoordeeld dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid, waarbij is vermeld dat dit oordeel “
hierna” is toegelicht. Het hof heeft volgens het subonderdeel in rov. 5.7-5.10 vervolgens slechts belangen en omstandigheden in het kader van de toetsing ex art. 6:248 lid 2 BW Pro benoemd. Doordat na rov. 5.6 niet, althans niet kenbaar, is gemotiveerd waarom naar het oordeel van het hof geen sprake is van misbruik van bevoegdheid, is het oordeel van het hof volgens het subonderdeel onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 2.1heeft ten aanzien van het DNA te gelden dat [eisers] uitdrukkelijk en gemotiveerd hebben betwist dat zij (althans [eiser 1] ) van het vuurwapen afwisten en dat zij hebben gesteld dat het enkele feit dat DNA van iemand op een vuurwapen wordt aangetroffen nog niet betekent dat die persoon dan van dat vuurwapen af moet hebben geweten, met name omdat het kan gaan om een sleepspoor. Gezien de gemotiveerde betwisting door [eisers] en/of op grond van algemene ervaringsregels had het hof volgens het subonderdeel niet – althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt – mogen oordelen dat [eisers] van het vuurwapen af (moeten) hebben geweten, op grond van de enkele omstandigheid dat DNA van [eiser 1] op het vuurwapen is aangetroffen. Het bestreden oordeel van het hof is daarom volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende toereikend gemotiveerd.
randnummer 21 van de conclusie van antwoord in eerste aanleg”. Dat randnummer bestaat niet. Er is mogelijk sprake van een verschrijving. De conclusie van antwoord in eerste aanleg bevat wel de randnummers 2.1., 2.21. en 3.21. In randnummer 55 van haar schriftelijke toelichting heeft Eigen Haard verweer gevoerd tegen het subonderdeel als was daarin verwezen naar randnummer 2.1. van de conclusie van antwoord.
conclusie van antwoord in eerste aanleg”, maar naar randnummer 21. van de memorie van antwoord in hoger beroep. Daarbij is op te merken dat Eigen Haard op deze mogelijkheid in haar schriftelijke toelichting in cassatie niet is ingegaan. Dat kon van haar naar mijn mening ook niet worden verwacht, nu de verschrijving niet dusdanig evident is. De klacht dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd in het licht van randnummer 21. van de memorie van antwoord in hoger beroep is daarom niet in de procesinleiding te lezen.
De conclusie van Eigen Haard dat er voorts DNA op het wapen zat dat van [eisers] afkomstig was, is naar het [eisers] inziet onvoldoende om hiermee te zeggen dat hij van het wapen afwist. Daarvoor ontbeert het aan aannemelijke conclusies. [eisers] bestrijdt in civielrechtelijke zin – maar ook strafrechtelijke – dat hij het besproken wapen heeft vastgehad. Niet ondenkbaar is dat het hier sleepsporen betreft. Als het aankomt op argumentatie omtrent DNA dient een terughoudende opstelling te worden verlangd, al niet in de laatste plaats dat DNA in bewijsrechtelijk kader zeer gecompliceerd ligt en dient te voldoen aan van toepassing zijnde wetgeving. Maar belangrijker, niet is aangetoond dat dit onderzochte wapen enig verband houdt met de huurrechtelijke kwestie waar [eisers] nu voor staat. Er is nimmer een vuurwapen in het huis aangetroffen – een kardinaal gegeven – welke maakt dat hiermee ten onrechte een daad van bekendheid in de schoenen van [eisers] wordt geschoven. Assumpties.”
Niet ondenkbaar is dat het hier sleepsporen betreft. Als het aankomt op argumentatie omtrent DNA dient een terughoudende opstelling te worden verlangd, al niet in de laatste plaats dat DNA in bewijsrechtelijk kader zeer gecompliceerd ligt en dient te voldoen aan van toepassing zijnde wetgeving.” Bij de laatste van deze twee volzinnen is in een voetnoot verwezen naar het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken 2020.
niet ondenkbaar” is dat het een sleepspoor is en (naar ik begrijp: van de rechter) terughoudendheid mag worden verlangd, vooral niet nu dit betoog voor het overige niet is toegelicht of is toegespitst op de omstandigheden van het concrete geval.
subonderdeel 2.2heeft ten aanzien van de aangetroffen hennep te gelden dat [eisers] zowel in eerste aanleg [49] als in hoger beroep [50] aan hun verweer ten grondslag hebben gelegd dat (a) het hier gaat om hennepafval dat (b) door [eiser 1] voor zichzelf werd gebruikt om thee te trekken ter pijnbestrijding en (c) daarvoor door het openbaar ministerie dan ook niet vervolgd is. Volgens het subonderdeel, dat veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van deze stellingen, heeft het hof zijn oordeel dat [eisers] niet hebben betwist dat zij wisten van de aanwezigheid van 1,5 kilo hennep onbegrijpelijk, althans anderszins onvoldoende toereikend gemotiveerd.
bestrijdt dat het hennep was ten behoeve van de handel, doch slechts resten waarvan [eiser 1] thee trekt in het kader van zijn pijnbestrijding.” Deze stelling is in het geheel niet nader toegelicht. In dat licht is het oordeel van het hof dat [eisers] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de aangetroffen 1,5 kg hennep (of de resten daarvan, voor zover dat iets anders is dan hennep) was bedoeld voor thee niet onbegrijpelijk.