ECLI:NL:PHR:2026:118

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
25/01676
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 WVW 1994Art. 164 lid 6 WVW 1994Art. 164 lid 8 WVW 1994
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking inzake inhouding rijbewijzen wegens overschrijding termijn

De klager had zijn Nederlandse en twee buitenlandse rijbewijzen laten invorderen in verband met een verdenking van een verkeersovertreding. De officier van justitie besloot de rijbewijzen in te houden tot 27 februari 2026. De klager diende een klaagschrift in op grond van artikel 164 lid 8 WVW Pro 1994, strekkende tot teruggave van de rijbewijzen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde dit klaagschrift op 9 april 2025 ongegrond.

De klager stelde cassatie in tegen deze beschikking. De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat de officier van justitie niet had voldaan aan het voorschrift van artikel 164 lid 6 WVW Pro 1994, dat bepaalt dat een ingevorderd rijbewijs moet worden teruggegeven indien binnen zes maanden na de dag van invordering geen terechtzitting is aangevangen of geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Uit ingewonnen inlichtingen bleek dat er geen zitting had plaatsgevonden en geen strafbeschikking was uitgevaardigd, terwijl de termijn van zes maanden reeds was verstreken.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot het bepalen dat de officier van justitie de rijbewijzen onverwijld moet teruggeven. Tevens werd opgemerkt dat indien de Hoge Raad uitspraak doet na de uiterste inhoudingstermijn van 27 februari 2026, de klager geen belang meer heeft bij het cassatieberoep. De conclusie bevatte geen andere gronden voor vernietiging en het middel behoeft geen bespreking.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en bepaalt dat de officier van justitie de rijbewijzen onverwijld moet teruggeven wegens overschrijding van de zesmaandentermijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01676 B
Zitting3 februari 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 9 april 2025 (raadkamernummer 25-007178) het op grond van art. 164 lid 8 WVW Pro 1994 ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave aan de klager van zijn door de politie ingevorderde en door het Openbaar Ministerie ingehouden rijbewijzen [1] , ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 23 april 2025 ingesteld namens de klager. T. Roggenkamp, advocaat in Roosendaal, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt opgekomen tegen (de motivering van) de ongegrondverklaring van het klaagschrift.
1.3
Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en dat de Hoge Raad bepaalt dat de officier van justitie onverwijld de ingehouden rijbewijzen aan de klager teruggeeft.

2.Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking

2.1
Op 4 maart 2025 zijn een aan de klager afgegeven Nederlands rijbewijs en twee aan de klager afgegeven rijbewijzen uit de Verenigde Arabische Emiraten ingevorderd in verband met een verdenking van overtreding van onder meer art. 5a WVW 1994. Op 11 maart 2025 heeft de officier van justitie beslist de rijbewijzen in te houden tot 27 februari 2026.
2.2
In art. 164 lid 6 WVW Pro 1994 is onder meer bepaald dat een ingevorderd of ingehouden rijbewijs wordt teruggegeven indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijn van zes maanden in art. 164 lid 6 WVW Pro 1994 moet worden verstaan als een termijn van zes maal dertig dagen. [2]
2.3
Uit namens mij ingewonnen inlichtingen is gebleken:
i. dat de officier van justitie de rijbewijzen van de klager nog niet heeft teruggegeven;
ii. dat er geen zitting (ook geen regie- of pro formazitting) heeft plaatsgevonden en dat het onderzoek van de zaak op de terechtzitting dus nog niet is aangevangen;
iii. dat er geen strafbeschikking is uitgevaardigd.
2.4
Inmiddels is er ruim tien maanden na de dag van de invordering van de rijbewijzen noch gedagvaard, noch een strafbeschikking uitgevaardigd. De consequentie daarvan is dat de officier van justitie op grond van de regeling van art. 164 lid 6 WVW Pro (op dit moment al) verplicht is de ingehouden rijbewijzen onverwijld terug te geven aan de klager. [3]
2.5
Daarnaast merk ik op dat op 27 februari 2026 de beslissing van de officier van justitie tot het inhouden van de rijbewijzen van de klager (automatisch) afloopt. Vanaf die datum is er dus geen sprake meer van inhouding van een rijbewijs op grond van art. 164 WVW Pro 1994. De consequentie daarvan is dat indien de Hoge Raad uitspraak doet na 27 februari 2026, de klager geen belang meer heeft bij het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank, zodat hij daarin niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard. [4] Datzelfde geldt indien de officier van justitie vóór 27 februari 2026 eigenstandig ingrijpt en bepaalt dat de rijbewijzen aan de klager moeten worden teruggegeven. [5]

3.Slotsom

3.1
Het middel behoeft geen bespreking.
3.2
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3
Gelet op de huidige stand van zaken strekt deze conclusie ertoe dat
– de bestreden beschikking wordt vernietigd, en
– de Hoge Raad zal bepalen dat de officier van justitie de op 11 maart 2025 ingehouden rijbewijzen onverwijld teruggeeft aan de klager.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het klaagschrift, de beschikking van de rechtbank en in overwegende mate ook de cassatieschriftuur lijken zich te beperken tot het Nederlandse rijbewijs. Uit de processen-verbaal van de politie en de “beslissing bij invordering rijbewijs” blijkt echter dat er drie rijbewijzen zijn ingevorderd en vervolgens ingehouden. Daarom spreek ik in deze conclusie over rijbewijzen.
2.HR 13 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1435,
3.Aldus ook de voor het OM intern geldende Instructie inzake de invordering van rijbewijzen d.d. 1 september 2022, registratienummer 2022I004, par. 2.2 (gepubliceerd op de website van het OM).
4.HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:248 onder verwijzing naar de conclusie van A-G Knigge vóór dit arrest, randnrs. 3.1 en 3.2.
5.HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1166.