Conclusie
1.Inleiding
Inleiding
Middel 1richt zich tegen het oordeel over de invloed van de afwijkende CO2-uitstoot op de handelsinkoopwaarde.
Middel 2keert zich tegen het oordeel over het ontbreken van een oordeel van de RDW over de tellerstand.
onderdeel 2schets ik de feiten en het geding in feitelijke instanties en in
onderdeel 3het verloop van het geding in cassatie. In
onderdeel 4beoordeel ik achtereenvolgens de middelen.
middel 1slaagt op de gronden als vermeld in onderdeel 4 van de gemeenschappelijke bijlage. Ik kom tot de slotsom dat het Hof de bewijslast onjuist heeft verdeeld (zie voor een samenvatting 4.2 en 4.3 van deze conclusie). De in art. 10(8) Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) bedoelde taxatiewaarde van de personenauto’s in onbeschadigde staat moet worden vastgesteld op de door de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslagen vastgestelde taxatiewaarde van de personenauto’s. Dat brengt mee dat de in 1.1 geformuleerde vraag (i) mijns inziens aldus moet worden beantwoord dat het gebruik van een hogere historische nieuwprijs van een voertuig in deze zaak leidt tot een hogere afschrijving en de naheffingsaanslag dienovereenkomstig moet worden verlaagd.
Middel 2faalt. Het leent zich mijns inziens voor afdoening met toepassing van art. 81(1) Wet RO.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
middel 1verweert de Staatssecretaris dat het oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in haar bewijslast dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Verder merkt de Staatssecretaris op dat de Belastingdienst naar aanleiding van het arrest van 22 december 2023 bij lopende procedures een hogere afschrijving accepteert indien zij met beroep op dit arrest wordt bepleit op grond van een hogere CO2-uitstoot van het in te schrijven voertuig. Als in voornoemde gevallen de hoogte van de handelsinkoopwaarde tussen partijen al vaststond, wordt deze niet verhoogd indien dit enkel het gevolg zou zijn van de verhoging van de CO2-uitstoot. Het onderhavige geval valt hier niet onder, aangezien de handelsinkoopwaarde nog niet vaststond tussen partijen. Mitsdien faalt het middel.
middel 2bestreden oordeel is naar de mening van de Staatssecretaris van feitelijke aard, waardoor het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel wordt dus tevergeefs voorgesteld.