Conclusie
Nummer25/00189
Inleiding
diefstal" is veroordeeld tot één week gevangenisstraf en de tenuitvoerlegging is gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vijf dagen.
De beslissing van het hof
De verdachte (…)
Het middel
voorafgaand aan de verwijdering” in kennis te stellen van de procedure. Deze inspanningsverplichting zou blijken uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak
HN/Sofiyska rayonna prokuratura [1] en op de daaraan voorafgaande conclusie van A-G J. Richard de la Tour, die uiteenzette dat het “
aan de autoriteiten is om bijzonder maatregelen te nemen wanneer een verdachte is verwijderd voordat deze daadwerkelijk op de hoogte is gesteld van de zitting indien de autoriteiten ervoor kiezen om de verwijdering van het grondgebied niet uit te stellen tot na de inhoudelijke behandeling van de zitting”. Uit vaste rechtspraak zou blijken, zo geeft de steller van het middel de conclusie weer, “
dat het enkele feit dat een verdachte kennis heeft dat er een vervolging tegen hem is ingesteld onvoldoende is om in een dergelijk geval vast te stellen dat er afstand is gedaan van de verdedigingsrechten wanneer contact is verloren met de raadsman.” [2]
De bespreking van het middel
door toezending”. [5] Hieruit volgt dat de vertaling tijdig is uitgereikt zodat het (weinige) dat de verdediging op dit punt ter zitting heeft aangevoerd het hof geen reden hoefde te geven om de behandeling van de zaak aan te houden. [6]
hoewel dat”, aldus het hof, “
in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verlangd”. [7] In de overweging dat “
aan de zijde van de verdachte gesproken kan worden van een zeer geringe mate van zorgvuldigheid om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen” heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de verdachte niet de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de vertaling van de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. [8] Mijns inziens is dat oordeel niet onbegrijpelijk en brengt het onder de gegeven omstandigheden geen schending van het aanwezigheidsrecht mee.
HN/Sofiyska rayonna prokuraturaen de daaraan voorafgegane conclusie. De vergelijking met die zaak gaat echter mank. Ik zal uitleggen waarom.
HN/Sofiyska rayonnaprokuratura heeft betrekking op een Albanese verdachte die in Bulgarije was aangehouden omdat hij bij een grenscontrolepost een vals paspoort en een valse identiteitskaart had getoond. [9] Aan de verdachte was vervolgens een terugkeerbesluit opgelegd met daarbij een inreisverbod voor de duur van vijf jaar waarna hij naar de Bulgaarse grens is teruggeleid om het terugkeerbesluit uit te voeren. Het Bulgaarse ministerie van Binnenlandse Zaken heeft de rechter laten weten dat de verdachte daardoor niet naar behoren kon worden geïnformeerd over de tegen hem ingestelde procedure. De datum voor de preliminaire openbare terechtzitting was door de rechter vastgesteld op 24 juni 2020, nadat de verdachte ruim een week eerder, op 16 juni 2020, naar de Bulgaarse grens was teruggeleid. In zijn beslissing had de Bulgaarse rechter ook vastgesteld dat een vertaling van de beslissing en de tenlastelegging in het Albanees aan de verdachte moest worden overhandigd en werd de verdachte erop gewezen dat de aanwezigheid van de beklaagde bij de terechtzitting verplicht was en alleen onder in de wet bepaalde voorwaarden in zijn afwezigheid kon plaatsvinden.
HN/Sofiyska rayonna prokuraturabetrekking heeft op een verdachte aan wie behalve een terugkeerbesluit ook een inreisverbod was opgelegd. Het was hem daardoor verboden het grondgebied waar de terechtzitting zou plaatsvinden binnen te komen. In de voorliggende zaak is geen inreisverbod opgelegd (wat niet kan omdat de verdachte de Poolse nationaliteit bezit en dus EU-burger is) zodat het op grond van dit arrest niet nodig is voor de Nederlandse autoriteiten om “
te voorzien in maatregelen om hem ondanks dit verbod toch tot het grondgebied toe te laten”. [10] Doordat het inreisverbod in de voorliggende zaak niet speelt, is niet relevant of de verdachte in de onderhavige zaak daadwerkelijk is uitgezet. Bij de weergave van de feiten door het Hof van Justitie valt dan ook op dat daarbij in het midden blijft of de Albanese verdachte daadwerkelijk is uitgezet. Het Hof van Justitie stelt ‘slechts’ vast dat de verdachte naar de Bulgaarse grens was teruggeleid om het terugkeerbesluit uit te voeren. Het gaat erom dat aan de Albanese verdachte een inreisverbod was opgelegd. In
datgeval moet worden voorzien in maatregelen om hem ondanks het inreisverbod toch tot het grondgebied toe te laten. [11] Hierop stuiten de betreffende deelklachten af.
het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting” waarbij “
laatstgenoemd belang moet prevaleren”. Het hof was inderdaad gehouden om voor zijn beslissing op een verzoek tot aanhouding een afweging te maken tussen het belang van de verdachte bij het uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. [12] De gemaakte belangenafweging is naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Het ongespecificeerde beroep op de doelstellingen van richtlijn 2016/343 [13] en de stelling dat het hof “
nader onderzoek naar de vraag of [de verdachte] vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht” had moeten doen, maken dit niet anders. Ook als een verdachte van zijn aanwezigheidsrecht namelijk géén afstand heeft gedaan, kan de rechter na een zorgvuldige belangenafweging besluiten over te gaan tot een behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid.