ECLI:NL:PHR:2026:219

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
25/00467
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 SrArt. 77i lid 1 onder a SrArt. 287 SrArt. 26 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid aan doodslag door levering vuurwapen aan schutter

De zaak betreft een jeugdige verdachte die is veroordeeld voor medeplichtigheid aan doodslag door het leveren van een vuurwapen aan de schutter die op 23 december 2022 een minderjarige jongen in Amsterdam-Zuidoost heeft doodgeschoten. Het gerechtshof Amsterdam bevestigde eerder de veroordeling en legde een jeugddetentie van 365 dagen op, waarvan 153 dagen voorwaardelijk.

De verdachte stelde cassatieberoep in met twee middelen: een bewijsverweer over het vereiste dubbel opzet voor medeplichtigheid en een klacht over de duur van de opgelegde jeugddetentie. De bewijsvoering omvatte verklaringen van de schutter, camerabeelden, chatberichten en telefoongesprekken, waaruit het hof afleidde dat de verdachte bewust het vuurwapen had geleverd en de aanmerkelijke kans op een dodelijke confrontatie had aanvaard.

De Hoge Raad oordeelde dat het bewijs voor medeplichtigheid aan doodslag toereikend is en het hof terecht het voorwaardelijk opzet aannam. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de opgelegde jeugddetentie van 365 dagen het wettelijke maximum van 360 dagen overschrijdt. Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis voor zover het de strafoplegging betreft en vermindert de straf tot 360 dagen jeugddetentie, waarvan 148 dagen voorwaardelijk. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De opgelegde jeugddetentie wordt verminderd van 365 naar 360 dagen, veroordeling medeplichtigheid aan doodslag bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer25/00467 J

Zitting3 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft in zijn arrest van 6 februari 2025 (parketnummer 23-001510-24) [1] het vonnis bevestigd van de rechtbank van 25 juni 2024 (parketnummer 13-336318-22) [2] waarbij de verdachte is veroordeeld wegens feit 1 subsidiair “
medeplichtigheid aan doodslag” en feit 2 “
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie”, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, en met aanvulling van de bewijsoverweging. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie van 365 dagen waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij bijzondere voorwaarden gesteld. Verder heeft het hof de vorderingen van drie benadeelde partijen toegewezen en daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, en de vordering van een benadeelde partij afgewezen en die benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam , heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Op 23 december 2022 werd de toen 17-jarige [slachtoffer] vlak bij zijn woning aan de [a-straat] in [plaats] door [medeverdachte] doodgeschoten. Nadat het slachtoffer was neergeschoten heeft zijn moeder nog geprobeerd hem te reanimeren. De strafzaak tegen de schutter is eerder afgedaan. [3] De dodelijk schietpartij houdt verband met een conflict tussen de schutter en een groep jongeren uit de buurt.

Het eerste middel

4. Het eerste middel bevat klachten over het bewijs van medeplichtigheid aan de doodslag. Aangevoerd wordt ten eerste dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte een vuurwapen heeft ‘geleverd’ zoals bewezen is verklaard, en in het bijzonder dat daaruit niet kan volgen dat de verdachte het vuurwapen heeft geleverd waarmee het slachtoffer is doodgeschoten. Tegen de bewijsvoering wordt ten tweede aangevoerd dat daarin niet ligt besloten dat het opzet van de verdachte op het moment van de ondersteuning was gericht op doodslag, het misdrijf dat hij zou hebben ondersteund.

De bewezenverklaring en de bewijsmotivering

5. Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezen verklaard dat:

[medeverdachte] op 23 december 2022 te [plaats] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door van dichtbij met een vuurwapen in de borst van voornoemde [slachtoffer] te schieten, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 december tot en met 23 december 2022 in Nederland opzettelijk middelen heeft verschaft door een vuurwapen te leveren”.
6. Voor de bewijsvoering waarop de bewezenverklaring berust verwijs ik naar het vonnis van de rechtbank. Hier geef ik de twee bewijsmiddelen weer tegen het gebruik waarvan de deelklachten zich richten, alsmede een derde bewijsmiddel en de bewijsoverwegingen die van belang zijn voor de beoordeling ervan. Wat de bewijsmiddelen betreft gaat het daarbij achtereenvolgens om de verklaring van de schutter [medeverdachte] ; camerabeelden van de portiek [b-straat 1] in [plaats] ; resultaten van het uitlezen van de iPhone 14 van de schutter en de uitwerking van onderschepte telefoongesprekken van de verdachte.
7. De verklaring van de schutter, [medeverdachte] :
5. Een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte met bijlagen van 15 maart 2023, met nummer 2022274616, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 82-119 (persoonsdossier [medeverdachte] ).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in alsvragen van voornoemde opsporingsambtenarenen als verklaring van [medeverdachte] , zakelijk weergegeven:

Op welk moment was het dat jij het vuurwapen weg gegeven of afgegeven hebt.

Kwart voor één.
Kun jij ons vertellen hoe het vuurwapen eruit zag? Wat jij toen had de 23e? Die avond?
Het was zwart.
Je hebt bij de rechter-commissaris verklaard dat het een Glock 19 is.
Ja klopt.
Ook wordt in jouw telefoon een foto gevonden. Deze foto is op 20 december 2022 in de map afbeeldingen opgeslagen. Tonen foto 17.
Dat is het vuurwapen die ik heb gebruikt. Die ik zeg maar ook had geleend.
Het handvuurwapen wat op de foto staat dat is het vuurwapen wat jij de 23e hebt gebruikt?
Klopt.
Jij geeft aan dat de foto is genomen in jouw kamer he?
Ja. Klopt.
Op 21 december om 14:46 uur stuur jij [verdachte] een foto. Tonen foto 18. Dus foto 17, diegene die je hiervoor hebt gezien, en foto 18. De handvuurwapens die je daar op de foto’s ziet, zijn dezelfde foto's? Zijn dezelfde handvuurwapens?
Ja. klopt.
Waar is dit handvuurwapen nu?
Zou ik niet weten, heb het gewoon terug gegeven, omdat ik het heb geleend.
De chat 23 december om 20:07. Dan is de tekst die binnenkomt, die jij ontvangt van [verdachte] : ‘Ey als je wil spinnen holi maak je klaar ben 21:18 [locatie] en 22:00 moet ik het inleveren’.
Wat moet hij inleveren?
Het vuurwapen, maar het was zeg maar via hem gegaan, dus hij heeft het voor mij geregeld. En dan moest hij het ook weer inleveren.
Dus als ik het samenvat: [verdachte] heeft het vuurwapen voor jou geregeld.
Ja.
Wat hij eigenlijk die dag moest inleveren.
Juist.”
8. Camerabeelden van de portiek [b-straat 1] in [plaats] :

6. Een proces-verbaal van bevindingen met BVH nummer 2022274616, documentcode 17405564 van 23 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar Tactisch Opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s 158-165 (einddossier deel 1).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:|
Op 23 december 2022 heeft er een dodelijk schietincident plaatsgevonden, waarbij [medeverdachte] en [verdachte] als verdachten zijn aangemerkt. Uit de uitgelezen telefoon van [medeverdachte] bleek dat [medeverdachte] (en mogelijk ook [verdachte] ) zich na het schietincident heeft verplaatst naar het adres [b-straat 2] te [plaats] . Hierop heeft het onderzoeksteam de camerabeelden gevorderd van de portiek [b-straat 1] te [plaats] .
23-12-2022 23:10:52
Ik zag drie personen vanaf het voertuig naar de portiek lopen. Ik herkende de voorste twee personen als de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] . De personen stapten vervolgens in de lift.
(...).
24-12-2022 00:41:03 Ik zag [verdachte] met de trap naar beneden komen. Hij liep meteen de deur uit en verdween links uit beeld.
24-12-2022 00:46:08
Om 00:45 uur stopte een onbekend voertuig voor de deur. Ik zag dat [verdachte] vanaf dit voertuig richting de voordeur liep. Het voertuig reed meteen weg. [verdachte] pakte de trap naar boven en was daarbij met iemand aan het bellen (of verstuurde een voicebericht).
9. De resultaten van het uitlezen van de iPhone 14 van de schutter:

9. Een proces-verbaal (M22-0083) van bevindingen [medeverdachte] en [verdachte] met vuurwapen in slaapkamer [c-straat 1] [plaats] met proces-verbaalnummer 2022274616, documentcode 17506474 van 1 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door Tactisch Opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s 633-636 (einddossier deel 3).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:
Tijdens het uitlezen van de iPhone 14 pro (onder verdachte [medeverdachte] in beslag genomen) worden er onder meer twee filmpjes aangetroffen, het uitlees programma geeft aan dat dit op 23 december 2022 te 22.15 uur via TIKTOK is verstuurd.
[medeverdachte] heeft gebruik gemaakt van het volgende TIKTOK account:
[accountnummer] .
Op de screenshots van filmpje 1, opgeslagen als
[…] .mp4, staat [medeverdachte] met een zwart kleurig vuurwapen in zijn hand en ligt [verdachte] op het bed met een mobiele telefoon in zijn hand.
Op de screenshots van filmpje 2 staat [verdachte] , liggend op bed, afgedeeld met een zwartkleurig vuurwapen op zijn lichaam.
De filmpjes worden in de slaapkamer van [medeverdachte] . [c-straat 1] [plaats] opgenomen en vermoedelijk verstuurd middels TIKTOK.
10. De inhoud van telefoongesprekken van [verdachte] :

11. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer 2022274616, documentcode 17867451 van 22 mei 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 534-538 (einddossier deel 3).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:
In de periode gelegen tussen 24 maart 2023 en 17 mei 2023 zijn de telefoongesprekken van [verdachte] opgenomen en afgeluisterd. De bedoelde opgenomen gesprekken worden in dit proces-verbaal samengevat. De volledige uitwerking van de opgenomen gesprekken zijn als afzonderlijke bijlages bij dit proces-verbaal gevoegd.
De bijlage bij dit proces-verbaal houdt onder meer in als bijlage sessie 73g van 5 april 2023, doorgenummerde pagina 546:
[verdachte] zegt dat hij verdacht wordt van wapens en munitie en medeplichtigheid aan moord. [betrokkene 1] vertelt wat [medeverdachte] hem gisteren verteld heeft. [verdachte] zal niet lang zitten. Ze vroegen hoe hij aan die wrap (fon) kwam. Hij zei via via. Ze vroegen van wie is die Pee (fon). Van beide. Toen vroegen ze heb je hem, heb je hem van [verdachte] gekregen en toen zij hij ja. [verdachte] vindt het snitchen.
De bijlage bij dit proces-verbaal houdt onder meer in als bijlage sessie 165 van 16 april 2023,doorgenummerde pagina’s. 554-555:
[verdachte] belt uit met [betrokkene 2]
Een persoon wordt aan het gesprek gevoegd. De persoon wordt [medeverdachte] genoemd.
[medeverdachte] is [medeverdachte] (sh)
[medeverdachte] : Jij bent een kanker flikker jij. Ooo G. ik maak 1 fout in mijn leven, ik heb jou alle erge dingen bespaard. dan ga je zeggen ik ben snitta en die mannen moeten mij doven. Je bent kanker swan. joesoe. Ik zweer het. Als man. je laat mij dit niet eens fiksen. Je hebt me... ntv gegeven.
[verdachte] : Yo, hoor je me?
[medeverdachte] : Broer. Je hebt me niet eens te kans gegeven om die fout gewoon goed te maken. Terwijl ..... ntv (door geschreeuw van [verdachte] )
[verdachte] : Hoe ga je die fout daar goed maken broer? Voor dit zit ik gewoon staffe.
[medeverdachte] : Je doet überhaupt. Watte?
[verdachte] : Voor dit zit ik gewoon staffe broer, voor die fout he daar broer.
[verdachte] : Jij bent snitta. wat is je motif. jij zegt toch dat ik die boellie heb geleverd.
11. Met betrekking tot het bewijs heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Op 23 december 2022 is op tragische wijze een einde gekomen aan het leven van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Hij is vlakbij zijn woning aan de [a-straat] in [plaats] in de borst geschoten door [medeverdachte] en kort daarna, aan de gevolgen van de schotverwonding die hij daardoor in zijn borst opliep, overleden.
[medeverdachte] is door de rechtbank en het gerechtshof veroordeeld voor de doodslag op [slachtoffer] . De vraag die de rechtbank in de strafzaak tegen verdachte moet beantwoorden, is of verdachte zich in strafrechtelijke zin schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de doodslag op [slachtoffer] .
Bij de beantwoording van die vraag, leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen onder meer het volgende af. [medeverdachte] had in december 2022 al lange tijd een conflict met een groep jongeren uit de buurt. Eén van de jongens met wie hij problemen had, was [betrokkene 3] . Verdachte wist van het conflict dat [medeverdachte] had. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij er klaar mee was dat hij lastiggevallen werd en dat hij daarom een vuurwapen nodig had. [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte het vuurwapen voor hem heeft geregeld.
Verdachte heeft ontkend dat hij het vuurwapen heeft geregeld en heeft er terecht op gewezen dat [medeverdachte] eerst een anders luidende verklaring heeft afgelegd. Die verklaring hield, kort gezegd, in dat verdachte tot aan het moment dat [medeverdachte] het vuurwapen trok, niet wist van de aanwezigheid van het vuurwapen. Die eerdere verklaring van [medeverdachte] vindt echter geen steun in de bewijsmiddelen en is met een aantal daarvan duidelijk niet in overeenstemming. Een dag voor het schietincident hebben verdachte en [medeverdachte] een chatgesprek over een ‘p’ een vuurwapen. Het gesprek gaat onder meer over doorladen. Op de dag van het schietincident zegt verdachte in de chat tegen [medeverdachte] : (...) maak je klaar ben 21:18 [locatie] en 22:00 moet ik het inleveren’.
Vervolgens zijn filmpjes aangetroffen, waarop verdachte en [medeverdachte] zijn herkend met een zwart vuurwapen. Het is onduidelijk wanneer deze filmpjes zijn opgenomen, maar de filmpjes zijn een kwartier voor het schietincident gepost op Tiktok. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij met dat zwarte vuurwapen heeft geschoten tijdens het schietincident als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Het kan daarom niet zo zijn dat verdachte pas op het moment dat [medeverdachte] het wapen trok, weet had van liet vuurwapen. Daarom gelooft de rechtbank de eerdere verklaring van [medeverdachte] niet. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de latere verklaring van [medeverdachte] dat verdachte het vuurwapen voor hem heeft geregeld en het later weer moest inleveren. Die verklaring wordt namelijk ondersteund door het chatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte] in de avond van 23 december 2022, waarin verdachte aangeeft dat hij ‘het’ moet inleveren. Ook de camerabeelden van de [b-straat] passen bij het scenario dat verdachte het vuurwapen weer heeft ingeleverd. Ook past bij dit scenario de boosheid van verdachte die uit de afgeluisterde gesprekken blijkt, nadat hem bekend is geworden dat [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte hem het vuurwapen heeft geleverd. Hij vindt dat snitchen en zegt tegen [medeverdachte] : ‘jij bent snitta’. [medeverdachte] kondigt vervolgens aan dat hij bij de rechtbank zal gaan verklaren dat hij zelf het vuurwapen heeft geregeld.
De voorgaande, uit de bewijsmiddelen afgeleide feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank in onderlinge samenhang beschouwd in beginsel redengevend voor het bewezen verklaren van het door verdachte leveren van het vuurwapen. Onder omstandigheden zou het anders kunnen zijn en zou die redengevendheid toch kunnen ontbreken, maar van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Dat geldt temeer nu verdachte zich, geconfronteerd niet het voorgaande, heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Hij heeft dan ook geen enkele uitleg gegeven over de genoemde chats en filmpjes. De rechtbank gaat daarom uit van de uit de bewijsmiddelen afgeleide feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte opzettelijk het vuurwapen heeft geleverd.
De vraag die vervolgens moet worden gesteld is, of verdachte opzet heeft gehad op het plegen van een levensdelict met dat vuurwapen. Omdat ‘gewoon’ opzet niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, moet de vraag worden beantwoord of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op een levensdelict. Voorwaardelijk opzet op een bepaald, gevolg - zoals in dit geval de dood - is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
Naar het oordeel van de rechtbank levert de aanwezigheid van een vuurwapen een aanmerkelijke kans op het gebruik daarvan, met fatale afloop op. Verdachte heeft aan [medeverdachte] het vuurwapen met daarin de bijbehorende munitie geleverd en is daarna met hem de straat op gegaan in de omgeving van de woning van [medeverdachte] . Verdachte wist dat [medeverdachte] een conflict had met jongens uit de buurt, waaronder [betrokkene 3] . Toch is hij, met [medeverdachte] die een doorgeladen vuurwapen bij zich droeg, de straat op gegaan. Door zo met [medeverdachte] de straat op te gaan, in de wetenschap van het bestaande conflict en met het risico op een confrontatie met de rivalen van [medeverdachte] , heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op een confrontatie met dodelijke afloop aanvaard.
12. Voor de beoordeling van de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte het vuurwapen heeft ‘geleverd’ is van belang wat daarover ter terechtzitting van het hof van 23 januari 2025 is aangevoerd. De daar overgelegde pleitnota houdt in:

Voor zover U meent dat er wel voldoende bewijs is dat [verdachte] het wapen heeft geregeld merk ik op dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij bij het lenen een uitleg over dat wapen kreeg. Niet blijkt dat het wapen van [verdachte] afkomstig was, niet blijkt dat client bij de overdracht aanwezig was, laat staan dat client hem die uitleg heeft gegeven. Geregeld is iets anders dan geleverd: [medeverdachte] heeft niet verklaard dat [verdachte] dat wapen geleverd heeft. Dat [verdachte] dat wapen voor hem heeft geregeld, en [medeverdachte] in contact heeft gebracht met de verstrekker en [verdachte] er mogelijk voor heeft gezorgd dat het wapen na het delict is teruggegeven aan degene waarvan het wapen afkomstig was maakt dat niet anders.
13. Ter terechtzitting van het hof van 23 januari 2025 heeft de raadsman van de verdachte betwist dat de verdachte opzet had op het gronddelict, de doodslag. De daar overgelegde pleitnota houdt hierover het volgende in:

Medeplichtigheid veronderstelt dubbelopzet: opzet op de gedraging, in dit geval het leveren van een vuurwapen, en opzet op het gronddelict, de levensberoving.
Terecht oordeelt de Rechtbank nog wel dat er geen sprake is van ‘gewoon’ opzet maar ten onrechte komt de Rechtbank wel tot de conclusie dat er sprake is van voorwaardelijk opzet in de zin dat client bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er een levensdelict zou volgen.
Bij uw beoordeling is van belang dat [medeverdachte] al eerder een pistool had (PD [medeverdachte] blz. 79, en dossier blz. 642) en met messen (verklaring van diens moeder) rondliep en dat dat -voor zover kan worden vastgesteld- nimmer tot een dergelijk gevolg heeft geleid, althans niet voor zover [verdachte] bekend. Daarbij had [medeverdachte] dat wapen al een week en is er eerder die week niets met dat wapen gebeurd. Dat [verdachte] moet hebben geweten dat [medeverdachte] met een wapen op zak de straat op ging is niet gebleken, laat staan dat [verdachte] wist dat dat wapen doorgeladen was. Dat [verdachte] moet hebben geweten dat zij liepen in de omgeving van de woning van [slachtoffer] en dat er een (aanmerkelijke) kans was dat zij hem en/of [betrokkene 3] zouden tegenkomen blijkt ook nergens uit. Dat [verdachte] tevoren wist dat [medeverdachte] een conflict had met meerdere jongens waaronder [betrokkene 3] blijkt niet althans onvoldoende. [verdachte] heeft op de inhoudelijke zitting op de vraag of hij daarvan wist gezegd dat hij dat wist maar daaruit kan niet volgen dat het al wist voorafgaande aan het incident.
Ik heb uiteraard het chatgesprek gezien waarbij gesproken wordt over het doorladen van die ‘p’ en waarin kennelijk geconcludeerd wordt dat het wapen niet goed is doorgeladen. Dit gesprek is van een dag voor het incident en de conclusie op basis van dit gesprek is kennelijk dat de ‘p’ niet is doorgeladen; dat die ‘p’ nadien wel nu goed is doorgeladen kan hieruit niet volgen, en bovendien kan niet blijken dat [verdachte] daarvan wetenschap heeft gehad.
Daarbij kan er met een vuurwapen een levensdelict worden gepleegd, en deze zaak is daar illustratief voor, maar een wapen heeft meer functies: er kan mee op blikjes worden geschoten, er kan mee worden gedreigd (al dan niet door daarmee in de lucht te schieten, of -zoals tegenwoordig vaak gebeurt op panden worden geschoten, hetgeen meestal ten laste wordt gelegd als bedreiging en vernieling), het kan worden gebruikt om filmpjes mee te maken om die op social media te posten (zoals ze dat nog in de aanloop naar het incident hebben gedaan), er kunnen berovingen mee gepleegd worden en zo valt er nog wel meer te verzinnen.
Daarbij was tevens niet te voorzien dat [medeverdachte] dat wapen daadwerkelijk zou gebruiken: eerder had hij het niet gedaan dus waarom nu wel, en een reden voor hem om een vuurwapen onder zich te houden kan ook zijn dat hij zich minder angstig zou voelen, zonder daarbij dat wapen daadwerkelijk te willen gebruiken.
Dat iets mogelijk is betekent niet dat het een aanmerkelijke kans oplevert. Ik merk op dat het geen feit van algemene bekendheid is dat er een aanmerkelijke kans is dat het voorhanden hebben van een wapen een levensdelict tot gevolg heeft, ook niet gelet op alle genoemde toepassingen. De officier van justitie heeft in eerste aanleg opgemerkt dat het opzet van de medeplichtige zich niet hoeft uit te strekken over alle elementen van het strafbare feit dat door de hoofddader is gepleegd maar dat tussen het opzet van de medeplichtige en die van de hoofddader een niet te ver verwijderd verband moet bestaan om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, en heeft daarbij gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad (LJN: BO4471).
Zoals altijd zijn ook hier de omstandigheden van belang. Hetgeen client wordt verweten is dat hij ervoor heeft gezorgd dat [medeverdachte] in het bezit is gekomen van een vuurwapen, hetgeen door de verdediging wordt betwist; dat [verdachte] daarbij meer opzet dan dat enkele regelen van dat vuurwapen indien U daartoe komt, blijkt uit niets. Hij heeft uitdrukkelijk niet gezorgd dat dat vuurwapen aan [medeverdachte] zou worden gegeven om daar een strafbaar feit mee te plegen, buiten dat het voorhanden hebben van dat vuurwapen op zichzelf al een strafbaar feit is. Anders dan in de aangehaalde casus heeft [verdachte] er niet voor gezorgd dat [medeverdachte] terwijl het incident al gaande was in het bezit van dat wapen is gekomen om daar het slachtoffer mee te bedreigen. Daarmee gaat de vergelijking mank. Op het moment dat [medeverdachte] in het bezit van dat wapen werd gesteld was het uiteindelijke incident op geen enkele wijze voorzienbaar.
Gelet op het voorgaande is er in de optiek van de verdediging geen sprake van voorwaardelijk opzet op de levensberoving. Voor zover u zou oordelen dat het betrokken zijn bij het verkrijgen van een wapen, indien U dat bewezen acht, wel een aanmerkelijke kans op een levensdelict met zich meebrengt, dan zal uit het bewijs moet blijken dat [verdachte] niet alleen op de hoogte was van die aanmerkelijke kans maar ook, dat hij zich ten tijde van de gedraging hiervan bewust is geweest, terwijl ook hiervoor geen bewijs is. Er kunnen onvoldoende vaststellingen worden gedaan omtrent de aard van de samenwerking, het handelen van [verdachte] en zijn overwegingen daarbij, om ten aanzien van [verdachte] tot het oordeel te komen dat hij de levensberoving bewust heeft aanvaard.
14. Het hof heeft de bewijsoverweging van de rechtbank als volgt aangevuld:

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij pas wist van het conflict dat speelde tussen de [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en een groep jongens, onder wie [betrokkene 3] die met het slachtoffer was die avond, nadat het schietincident had plaatsgevonden. Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring en gaat ervan uit dat de verdachte al vóór het schietincident op de hoogte was van het conflict. Desgevraagd door de rechtbank heeft de verdachte immers verklaard dat hij wel wist van het betreffende conflict. Het had voor de hand gelegen voor de verdachte om reeds op dat moment te verklaren dat zijn wetenschap pas na het schietincident was ontstaan, maar dat heeft hij nagelaten. Mede gelet op het gegeven dat de verdachte zich steeds nagenoeg geheel op zijn zwijgrecht heeft beroepen en niets heeft willen uitleggen omtrent de uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden die evident belastend voor hem zijn, legt het hof dit in zijn nadeel uit.

De eerste deelklacht van het eerste middel: het ‘regelen’ van het wapen

15. In cassatie wordt op het hiervoor weergegeven bewijsverweer voortgebouwd met de klacht dat het ‘regelen’ van een vuurwapen iets anders is dan het ‘leveren’ ervan en dat het hof uit de verklaring van de schutter, te weten dat de verdachte het vuurwapen heeft ‘geregeld’, niet heeft kunnen afleiden dat de verdachte een vuurwapen heeft ‘geleverd’.
16. Deze deelklacht faalt. In het licht van de gebruikte bewijsmiddelen (de chats en de filmpjes) heeft het hof de verklaring van de schutter, te weten dat de verdachte het vuurwapen heeft ‘geregeld’, moeiteloos kunnen verstaan als de mededeling dat de verdachte hem dit wapen heeft ‘geleverd’.

Deelklachten over de redengevendheid van afzonderlijke bewijsmiddelen

17. Verder bevat het middel klachten over de waarde van drie bewijsmiddelen voor de bewijsvoering dat de verdachte het vuurwapen heeft ‘geregeld’ en het heeft ‘ingeleverd’ nadat de schutter het had gebruikt. Het regelen zou niet worden gesteund door de voor het bewijs gebruikte uitlating van de verdachte waarin hij de schutter beschuldigt van ‘snitchen’ (bewijsmiddel 11), terwijl het chatgesprek van 22 december (bewijsmiddel 5) en de op camerabeelden waargenomen activiteiten van de verdachte bij de portiek van [b-straat 1] in [plaats] (bewijsmiddel 6) geen steun zouden bieden aan het door de verdachte inleveren van het vuurwapen gelet op de daarbij vermelde tijdstippen die niet aansluiten bij het tijdstip waarop de verdachte het vuurwapen zou hebben moeten inleveren.
18. De klachten houden met betrekking tot ieder bewijsmiddel in dat het niet redengevend is. De bewijsmiddelen worden daarbij telkens afzonderlijk beschouwd. Als voorbeeld noem ik de klacht dat “
op grond van dat enkele chatgesprek” niet kan worden geconcludeerd dat het gesprek gaat over het inleveren van het vuurwapen. Het hof heeft deze drie bewijsmiddelen en de andere bewijsmiddelen echter in onderlinge samenhang beschouwd en op basis daarvan feiten en omstandigheden vastgesteld waaraan het de gevolgtrekking heeft verbonden dat de verdachte aan de schutter het vuurwapen heeft geleverd waarmee de schutter [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Deze gevolgtrekking is allesbehalve onbegrijpelijk en voor een verdere toets is in cassatie geen plaats. Aan dit oordeel doet niet af dat de verdachte zou hebben afgesproken dat hij het vuurwapen de avond van 23 december 2022 om 22:00 uur zou inleveren en [slachtoffer] later die avond, omstreeks 22:30 uur, is doodgeschoten; het vuurwapen is (dus) niet op de vooraf afgesproken tijd ingeleverd. Het niet nakomen van het afgesproken tijdstip bewijst echter niet dat de afspraak niet is gemaakt. Ik wijs hierbij op de voor het bewijs gebruikte verklaring van de schutter, te weten dat de verdachte ‘eigenlijk’ het vuurwapen die dag al had moeten inleveren (bewijsmiddel 5). De klachten gaan dus niet op.
19. Dit geldt eveneens voor de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het door de verdachte aan de schutter geleverde vuurwapen het vuurwapen is waarmee het slachtoffer is doodgeschoten. De voor het bewijs gebruikte verklaring van de schutter houdt immers in dat hij met het door de verdachte geregelde vuurwapen heeft geschoten.

Deelklachten over het ‘dubbel opzet’ van de medeplichtige

Een nadere toelichting op de klacht
20. De steller van het middel brengt naar voren dat uit de bewijsvoering niet het voor medeplichtigheid vereiste ‘dubbel opzet’ kan volgen. Het opzet van de medeplichtige dient niet alleen gericht te zijn op ondersteuning maar ook op het (ondersteunde) misdrijf, in deze zaak doodslag. Dat opzet moet aanwezig zijn op het moment van de ondersteuning.
21. Aangevoerd wordt dat de overweging dat het vereiste opzet op doodslag bewezen kan worden verklaard op de grond dat “
de aanwezigheid van een vuurwapen een aanmerkelijke kans op het gebruik daarvan met fatale afloop op(levert)”, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat de “
enkele aanwezigheid” van een vuurwapen niet voldoende is “
voor het aannemen van de aanmerkelijke kans op gebruik met fatale afloop”. De aanmerkelijke kans zou ten eerste betrekking moeten hebben op het gebruik van het vuurwapen en ten tweede op het gebruik om te schieten (en bijvoorbeeld niet om mee te dreigen), zo wordt aangevoerd. Ook als moet worden aangenomen dat het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, dan is het oordeel over het bewijs van het vereiste dubbel opzet onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed, omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het vereiste opzet bestond op het moment dat de verdachte het vuurwapen leverde, aldus de steller van het middel. Zij voegt hieraan toe dat uit de bewijsvoering bovendien niet zou kunnen volgen dat de verdachte wist dat de latere schutter met een doorgeladen vuurwapen de straat op ging, terwijl de voor het bewijs gebruikte verklaring van de schutter inhoudt dat hij [betrokkene 3] “
daarmee gewoon wou dreigen” zodat daaruit niet kan afgeleid dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de schutter “
met dat wapen iemand van het leven zou beroven”.
De bespreking van deelklachten over het ‘dubbel opzet’ van de medeplichtige
22. Uit de hierboven onder randnummer 14 weergegeven aanvullende bewijsoverweging blijkt dat het hof het voorwaardelijk opzet van de verdachte gericht op de doodslag niet heeft gebaseerd op “
enkele aanwezigheid” van een vuurwapen. De rechtsklacht mist feitelijke grondslag.
23. Uit de aanvullende bewijsoverweging blijkt verder dat het hof op basis van de navolgende afwegingen heeft geoordeeld dat het opzet van de verdachte (in voorwaardelijke zin) was gericht op doodslag. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte aan de schutter een vuurwapen heeft geleverd omdat de schutter een conflict had met meerdere jongens uit de buurt, onder wie [betrokkene 3] . Het hof heeft beredeneerd dat de verdachte van dit conflict op de hoogte was toen hij het vuurwapen leverde. Kort voor de schietpartij is de verdachte die avond samen met de schutter de straat op gegaan in de omgeving van de woning van de schutter. Zodoende bestond er het risico op een confrontatie met rivalen van [medeverdachte] . [medeverdachte] en de verdachte zijn op straat [betrokkene 3] en [slachtoffer] tegengekomen. Daar heeft vervolgens daadwerkelijk een confrontatie plaatsgevonden. De overwegingen van het hof wijzen uit dat de verdachte ofwel wist dat het vuurwapen dat de schutter bij zich had doorgeladen was, ofwel zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat het doorgeladen zou zijn. Aan de vooravond van de schietpartij had de verdachte immers aan de latere schutter een bericht gestuurd waarin de verdachte opmerkt dat hij een doorgeladen vuurwapen had. Op de dag van de schietpartij heeft de verdachte enkele uren daarvoor een bericht aan de schutter gestuurd waaruit het hof heeft afgeleid dat het betrekking heeft op een vuurwapen dat de verdachte die avond moest inleveren.
24. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft het hof m.i. kunnen oordelen dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op een confrontatie met dodelijke afloop. Hierbij betrek ik in het bijzonder dat een doorgeladen vuurwapen gereed is gemaakt voor onmiddellijk gebruik en dus bedoeld is om daarmee zo snel mogelijk te kunnen schieten, wat niet nodig is om daarmee te dreigen. Daarnaast wijst het hof erop dat de verdachte zich “
steeds nagenoeg geheel op zijn zwijgrecht heeft beroepen en niets heeft willen uitleggen omtrent de uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden die evident belastend voor hem zijn”. De verdachte heeft bijvoorbeeld niets verklaard over de redenen waarom hij veronderstelde dat [medeverdachte] het vuurwapen nodig zou hebben of over de manier waarop [medeverdachte] het vuurwapen in de veronderstelling van de verdachte zou gaan gebruiken, bijvoorbeeld om de jongens waarmee [medeverdachte] een conflict het vuurwapen te laten zien of hen daarmee te bedreigen en er zo voor te zorgen dat ze hem in de toekomst met rust zouden laten. Zonder enige verklaring daarover (anders dan de door de raadsvrouw ter terechtzitting geopperde mogelijkheden) kan in cassatie niet met succes worden geklaagd over een gebrek in de bewijsvoering dat erop neerkomt dat [medeverdachte] het vuurwapen op een manier heeft gebruikt waarop het opzet van de verdachte niet (ook niet in voorwaardelijke zin) was gericht. De voor het bewijs gebruikte verklaring van de schutter dat hij het vuurwapen pakte en gewoon wou dreigen ondersteunt daarom niet een versie waarin de verdachte het vuurwapen slechts heeft geleverd om te dreigen.
25. Ook deze klacht faalt, en daarmee het hele middel.

Het tweede middel

26. Het tweede middel bevat een klacht over de duur van de jeugddetentie ter hoogte van 365 dagen. De steller van het middel wijst erop dat het bewezen verklaarde feit is begaan acht dagen voordat de verdachte de leeftijd van zestien jaren bereikte. In artikel 77i lid 1 onder a Sr is bepaald dat de duur van de jeugddetentie ten hoogste twaalf maanden is voor degene die ten tijde van het misdrijf de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. Ingevolge artikel 88 Sr Pro, waarin is bepaald dat onder ‘een maand’ een tijd van dertig dagen wordt verstaan, komen twaalf maanden overeen met 360 dagen jeugddetentie en niet met 365 dagen.
27. Het middel is terecht en op juiste gronden voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. [4] Uit de motivering van de op te leggen straf en uit wat ter terechtzitting van het hof van 23 januari 2025 is besproken over het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten (212), kan worden afgeleid dat het hof voor het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie bij de duur van het voorarrest heeft willen aansluiten. [5] Dit zou dan resulteren in een jeugddetentie van 360 dagen waarvan 148 dagen voorwaardelijk.

Slotsom

28. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
29. Het tweede middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de opgelegde straf te verminderen.
30. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie, tot vermindering daarvan zodat deze 360 dagen, waarvan 148 dagen voorwaardelijk beloopt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

3.Gerechtshof Amsterdam 18 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3586.
4.Vgl. HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1023, r.o. 2.10.
5.Het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 januari 2025 houdt in: