Conclusie
Nummer25/00467 J
Inleiding
medeplichtigheid aan doodslag” en feit 2 “
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie”, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, en met aanvulling van de bewijsoverweging. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie van 365 dagen waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij bijzondere voorwaarden gesteld. Verder heeft het hof de vorderingen van drie benadeelde partijen toegewezen en daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, en de vordering van een benadeelde partij afgewezen en die benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het eerste middel
De bewezenverklaring en de bewijsmotivering
[medeverdachte] op 23 december 2022 te [plaats] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door van dichtbij met een vuurwapen in de borst van voornoemde [slachtoffer] te schieten, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 december tot en met 23 december 2022 in Nederland opzettelijk middelen heeft verschaft door een vuurwapen te leveren”.
Op welk moment was het dat jij het vuurwapen weg gegeven of afgegeven hebt.
6. Een proces-verbaal van bevindingen met BVH nummer 2022274616, documentcode 17405564 van 23 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar Tactisch Opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s 158-165 (einddossier deel 1).
9. Een proces-verbaal (M22-0083) van bevindingen [medeverdachte] en [verdachte] met vuurwapen in slaapkamer [c-straat 1] [plaats] met proces-verbaalnummer 2022274616, documentcode 17506474 van 1 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door Tactisch Opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s 633-636 (einddossier deel 3).
11. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer 2022274616, documentcode 17867451 van 22 mei 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 534-538 (einddossier deel 3).
Op 23 december 2022 is op tragische wijze een einde gekomen aan het leven van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Hij is vlakbij zijn woning aan de [a-straat] in [plaats] in de borst geschoten door [medeverdachte] en kort daarna, aan de gevolgen van de schotverwonding die hij daardoor in zijn borst opliep, overleden.
Voor zover U meent dat er wel voldoende bewijs is dat [verdachte] het wapen heeft geregeld merk ik op dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij bij het lenen een uitleg over dat wapen kreeg. Niet blijkt dat het wapen van [verdachte] afkomstig was, niet blijkt dat client bij de overdracht aanwezig was, laat staan dat client hem die uitleg heeft gegeven. Geregeld is iets anders dan geleverd: [medeverdachte] heeft niet verklaard dat [verdachte] dat wapen geleverd heeft. Dat [verdachte] dat wapen voor hem heeft geregeld, en [medeverdachte] in contact heeft gebracht met de verstrekker en [verdachte] er mogelijk voor heeft gezorgd dat het wapen na het delict is teruggegeven aan degene waarvan het wapen afkomstig was maakt dat niet anders.”
Medeplichtigheid veronderstelt dubbelopzet: opzet op de gedraging, in dit geval het leveren van een vuurwapen, en opzet op het gronddelict, de levensberoving.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij pas wist van het conflict dat speelde tussen de [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en een groep jongens, onder wie [betrokkene 3] die met het slachtoffer was die avond, nadat het schietincident had plaatsgevonden. Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring en gaat ervan uit dat de verdachte al vóór het schietincident op de hoogte was van het conflict. Desgevraagd door de rechtbank heeft de verdachte immers verklaard dat hij wel wist van het betreffende conflict. Het had voor de hand gelegen voor de verdachte om reeds op dat moment te verklaren dat zijn wetenschap pas na het schietincident was ontstaan, maar dat heeft hij nagelaten. Mede gelet op het gegeven dat de verdachte zich steeds nagenoeg geheel op zijn zwijgrecht heeft beroepen en niets heeft willen uitleggen omtrent de uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden die evident belastend voor hem zijn, legt het hof dit in zijn nadeel uit.”
De eerste deelklacht van het eerste middel: het ‘regelen’ van het wapen
Deelklachten over de redengevendheid van afzonderlijke bewijsmiddelen
op grond van dat enkele chatgesprek” niet kan worden geconcludeerd dat het gesprek gaat over het inleveren van het vuurwapen. Het hof heeft deze drie bewijsmiddelen en de andere bewijsmiddelen echter in onderlinge samenhang beschouwd en op basis daarvan feiten en omstandigheden vastgesteld waaraan het de gevolgtrekking heeft verbonden dat de verdachte aan de schutter het vuurwapen heeft geleverd waarmee de schutter [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Deze gevolgtrekking is allesbehalve onbegrijpelijk en voor een verdere toets is in cassatie geen plaats. Aan dit oordeel doet niet af dat de verdachte zou hebben afgesproken dat hij het vuurwapen de avond van 23 december 2022 om 22:00 uur zou inleveren en [slachtoffer] later die avond, omstreeks 22:30 uur, is doodgeschoten; het vuurwapen is (dus) niet op de vooraf afgesproken tijd ingeleverd. Het niet nakomen van het afgesproken tijdstip bewijst echter niet dat de afspraak niet is gemaakt. Ik wijs hierbij op de voor het bewijs gebruikte verklaring van de schutter, te weten dat de verdachte ‘eigenlijk’ het vuurwapen die dag al had moeten inleveren (bewijsmiddel 5). De klachten gaan dus niet op.
Deelklachten over het ‘dubbel opzet’ van de medeplichtige
de aanwezigheid van een vuurwapen een aanmerkelijke kans op het gebruik daarvan met fatale afloop op(levert)”, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat de “
enkele aanwezigheid” van een vuurwapen niet voldoende is “
voor het aannemen van de aanmerkelijke kans op gebruik met fatale afloop”. De aanmerkelijke kans zou ten eerste betrekking moeten hebben op het gebruik van het vuurwapen en ten tweede op het gebruik om te schieten (en bijvoorbeeld niet om mee te dreigen), zo wordt aangevoerd. Ook als moet worden aangenomen dat het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, dan is het oordeel over het bewijs van het vereiste dubbel opzet onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed, omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het vereiste opzet bestond op het moment dat de verdachte het vuurwapen leverde, aldus de steller van het middel. Zij voegt hieraan toe dat uit de bewijsvoering bovendien niet zou kunnen volgen dat de verdachte wist dat de latere schutter met een doorgeladen vuurwapen de straat op ging, terwijl de voor het bewijs gebruikte verklaring van de schutter inhoudt dat hij [betrokkene 3] “
daarmee gewoon wou dreigen” zodat daaruit niet kan afgeleid dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de schutter “
met dat wapen iemand van het leven zou beroven”.
enkele aanwezigheid” van een vuurwapen. De rechtsklacht mist feitelijke grondslag.
steeds nagenoeg geheel op zijn zwijgrecht heeft beroepen en niets heeft willen uitleggen omtrent de uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden die evident belastend voor hem zijn”. De verdachte heeft bijvoorbeeld niets verklaard over de redenen waarom hij veronderstelde dat [medeverdachte] het vuurwapen nodig zou hebben of over de manier waarop [medeverdachte] het vuurwapen in de veronderstelling van de verdachte zou gaan gebruiken, bijvoorbeeld om de jongens waarmee [medeverdachte] een conflict het vuurwapen te laten zien of hen daarmee te bedreigen en er zo voor te zorgen dat ze hem in de toekomst met rust zouden laten. Zonder enige verklaring daarover (anders dan de door de raadsvrouw ter terechtzitting geopperde mogelijkheden) kan in cassatie niet met succes worden geklaagd over een gebrek in de bewijsvoering dat erop neerkomt dat [medeverdachte] het vuurwapen op een manier heeft gebruikt waarop het opzet van de verdachte niet (ook niet in voorwaardelijke zin) was gericht. De voor het bewijs gebruikte verklaring van de schutter dat hij het vuurwapen pakte en gewoon wou dreigen ondersteunt daarom niet een versie waarin de verdachte het vuurwapen slechts heeft geleverd om te dreigen.