Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
a) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl
b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en
c) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.
Ingevolge art. 77i, eerste lid onder a, Sr is het maximum van een op te leggen jeugddetentie aan de verdachte voor de feiten die hij heeft begaan toen hij nog geen zestien jaren oud was, tot twaalf maanden begrensd. Deze maximumduur is absoluut in die zin dat bij samenloop van diverse strafbare feiten die een verdachte van die leeftijd heeft begaan ingevolge art. 77gg, tweede lid, Sr geen verhoging boven het genoemde maximum is toegestaan, terwijl art. 77a Sr de werking van art. 57 Sr Pro voor jeugdigen uitsluit.
a) de rechter ook in geval van samenloop van verschillende strafbare feiten in de eerste plaats ermee rekening dient te houden dat de duur van de jeugddetentie ingevolge art. 77i, eerste lid onder b, Sr in totaal ten hoogste 24 maanden bedraagt;
b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met dit maximum van 24 maanden verminderd met de door de eerste rechter opgelegde straf, voor zover ten aanzien van die feiten het jeugdstrafrecht is toegepast;
c) de rechter in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit;
d) hij voorts rekening dient te houden met het absolute strafmaximum van 12 maanden dat ingevolge art. 77i, eerste lid onder b, Sr geldt voor alle feiten die de verdachte heeft begaan toen hij nog geen zestien jaren oud was.
Weliswaar kan in sommige gevallen het door het Hof gehanteerde twee schotten-systeem tot dezelfde uitkomsten leiden als het onder 2.8 beschreven systeem, maar in andere gevallen leidt het twee schotten-systeem ertoe dat – in strijd met hetgeen onder 2.8 is overwogen – in totaal meer dan 24 maanden jeugddetentie worden opgelegd voor de feiten die met toepassing van het jeugdstrafrecht zijn berecht.
3.Beslissing
2 juli 2019.