Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 3zou de rechter-commissaris tot het stellen van die vraag verplicht zijn geweest, waarvoor het onderdeel verwijst naar de rechtspraak van het Hof van Justitie over de verplichting om prejudiciële vragen te stellen voor de rechter die in hoogste instantie in een lidstaat uitspraak moet doen. Dit onderdeel faalt reeds omdat het schenden van een eventueel op dit punt bestaande verplichting niet valt onder te brengen bij een van de gronden waarop doorbreking van een rechtsmiddelenverbod mogelijk is. Bovendien is het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad geen verplichting van de lagere rechter, maar uitsluitend een bevoegdheid, in het gebruik waarvan hij vrij is. [24]
onderdeel 4nog de klacht dat de rechtbank zelf prejudiciële vragen aan de Hoge Raad had moeten stellen over de uitleg van art. 295 lid 3 Fw Pro. Dit onderdeel faalt reeds omdat volgens art. 392 lid 1 Rv Pro alleen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kunnen worden gesteld als dat nodig is om op de vordering of het verzoek te beslissen en het oordeel van de rechtbank erop neerkomt dat dit laatste niet het geval is. Hiernaast ziet ook dit onderdeel eraan voorbij dat het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad niet verplicht is.