Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2001:AA9902

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/131HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 295 lid 3 FArt. 315 lid 2 FArt. 360 F
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in cassatieberoep wegens ontbreken hoger beroep tegen rechter-commissaris beschikking

De Rechtbank te Utrecht verklaarde de schuldsaneringsregeling van toepassing op verzoeker. Verzoeker vroeg om restitutie van ingehouden bedragen op de boedelrekening, maar de rechter-commissaris wees dit af. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze beslissing, maar verscheen niet op de terechtzitting. De Rechtbank verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat volgens de wet geen hoger beroep mogelijk is tegen beschikkingen van de rechter-commissaris zoals bedoeld in art. 295 lid Pro 3 F.

Verzoeker stelde daarop beroep in cassatie in. De Hoge Raad verwijst naar de conclusie van de Advocaat-Generaal en bevestigt dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep op grond van art. 360 F, omdat het hoger beroep niet ontvankelijk was.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van verzoeker niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de eerdere beslissing van de Rechtbank. Dit arrest benadrukt de beperkingen in de mogelijkheid tot hoger beroep tegen bepaalde rechter-commissaris beschikkingen binnen de insolventierechtelijke procedure.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van ontvankelijk hoger beroep.

Uitspraak

9 februari 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/131HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr D. Poot.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Rechtbank te Utrecht heeft bij vonnis van 6 april 1999 ten aanzien van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
[Verzoeker] heeft de rechter-commissaris in deze Rechtbank verzocht om de tot 1 juli 2000 maandelijks ten behoeve van de boedelrekening ingehouden bedragen aan [verzoeker] te restitueren.
Dit verzoek heeft de rechter-commissaris op 30 augustus 2000 afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] met een op 1 september 2000 ter griffie van de Rechtbank te Utrecht hoger beroep ingesteld.
[Verzoeker] is, hoewel ter zake behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting van de Rechtbank verschenen.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 13 september 2000 [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1 Wat betrteft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar punt 1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer.
3.2 De Rechtbank heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat [verzoeker] met zijn beroepschrift heeft beoogd hoger beroep in te stellen tegen een beschikking die de rechter-commissaris op 31 augustus 2000 zou hebben genomen overeenkomstig art. 295 lid Pro 3 F. Vervolgens heeft de Rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat ingevolge art. 315 lid Pro 2 F. geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen, onder meer, de beschikkingen bedoeld in art. 295 lid Pro 3 F.
3.3 Het in 3.2 overwogene brengt mee dat [verzoeker] op grond van het bepaalde in art. 360 F. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 9 februari 2001.