ECLI:NL:PHR:2026:229

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
25/00446
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 27 lid 1 SrArt. 70 lid 1 SrArt. 71 SrArt. 72 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens absolute verjaring verduistering

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens verduistering van geldbedragen van vier benadeelden. Het hof stelde vast dat de verduisteringen plaatsvonden tussen 2010 en 2017. In cassatie werd betoogd dat het vervolgingsrecht voor drie van de vier feiten was verjaard.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat de bewezenverklaringen, die niet ter discussie staan, aantonen dat de verduisteringen uiterlijk in november 2011 zijn voltooid. Gezien de absolute verjaringstermijn van twaalf jaar op grond van art. 71 lid 2 Sr Pro, is het recht tot vervolging voor deze feiten op 16 november 2023 verjaard. Hierdoor is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor deze feiten.

De strafoplegging en schadevergoedingsmaatregelen voor deze drie feiten worden vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting van het vierde feit, dat niet verjaard is. De overige middelen van cassatie worden niet behandeld. De conclusie leidt tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest en niet-ontvankelijkheid van het OM voor de drie verduisteringen.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard voor drie verduisteringen wegens absolute verjaring en de strafoplegging voor het vierde feit wordt terugverwezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00446
Zitting10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 29 januari 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-003692-22) wegens “verduistering” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] toegewezen. Voor de toegewezen bedragen heeft het hof telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld. [1]

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is in hoger beroep wegens vier verduisteringen veroordeeld op grond van art. 321 Sr Pro. Deze strafbaarstelling kent als strafbedreiging een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vijfde categorie. Volgens de tenlasteleggingen zouden de gedragingen zich hebben afgespeeld tussen april 2010 en februari 2017. In cassatie wordt ten eerste geklaagd dat voor de feiten onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair het recht tot strafvervolging is verjaard. Een tweede middel bestrijdt het oordeel van het hof betreffende de schending van de redelijke termijn. Het derde middel klaagt over het totaal aantal dagen gijzeling dat is bepaald voor de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het eerste middel slaagt. De overige middelen kunnen daarom onbesproken blijven.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het vervolgingsrecht voor de feiten onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair is verjaard, nu de op basis van art. 72 lid 2 Sr Pro geldende absolute verjaringstermijn van twaalf jaar is verstreken. De officier van justitie zou daarom alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging moeten worden verklaard.
3.2
Aan de verdachte is voor zover van belang ten laste gelegd dat:
“1. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 3 september 2010 tot en met 10 februari 2017 te [plaats] , gemeente [...] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €20.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
[…]
2. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 5 september 2010 tot en met 9 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €10.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
[…]
3. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 9 april 2010 tot en met 10 februari 2017 te [plaats] , gemeente [...] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €10.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
[…]
4. subsidiair hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 februari 2017 te [plaats] , gemeente [...] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €5.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”
3.3
Daarvan heeft het hof bewezen verklaard dat:
“1. subsidiair
hij in de periode van 3 september 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €20.000,-) toebehorende aan [benadeelde 1] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2. subsidiair
hij in de periode van 5 september 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €10.000,-) toebehorende aan [benadeelde 2] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
3. subsidiair hij in de periode van 9 april 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €10.000,-) toebehorende aan [benadeelde 3] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
4. subsidiair hij in de periode van 20 september 2014 tot en met 16 september 2015 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €5.000,-) toebehorende aan [benadeelde 4] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”
3.4
Het hof heeft onder meer het volgende overwogen over de onder 1, 2 en 3 telkens subsidiair bewezen verklaarde feiten (met weglating van een voetnoot):
“Het hof stelt vast dat de aangevers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] op 3 september 2010, 5 september 2010 en (omstreeks) 9 april 2010 geld hebben overgemaakt naar het rekeningnummer [rekeningnummer] , maar dat van dat rekeningnummer saldo- en transactiegegevens van jaar 2010 ontbreken en dat de wél beschikbare gegevens dateren van 28 januari 2011 tot en met 16 november 2011. Het hof overweegt dat uit deze gegevens volgt dat gedurende deze periode geen enkele beweging van geldbedragen richting investeringsprojecten op de rekening zichtbaar is, maar dat wel zichtbaar is dat allerhande privébetalingen zijn gedaan vanaf de rekening. Zoals eerder vastgesteld ontbreekt het daarnaast aan andere stukken die enig aanknopingspunt bieden voor het bestaan van de door verdachte genoemde inversteringsdoelen. Ook deze betrokkenen hebben bovendien niets van het door hun overgemaakt geld terug gezien. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen het hof ten aanzien van [benadeelde 4] heeft overwogen, is het hof daarom van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich ook deze geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend.”
3.5
Bij de bespreking van het middel is het volgende van belang. Op grond van art. 70 lid 1 aanhef Pro en onder 2° Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop een geldboete, hechtenis of een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Uit art. 71 Sr Pro blijkt dat de verjaringstermijn behoudens uitzonderingen aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Ingevolge art. 72 lid 1 Sr Pro stuit iedere daad van vervolging de verjaring. De stuitingsregeling is evenwel gemaximeerd in art. 72 lid 2 Sr Pro: de totale periode mag door stuiting voor misdrijven niet langer dan tweemaal de verjaringstermijn beslaan.
3.6
Het onder 1, 2 en 3 telkens subsidiair ten laste gelegde is strafbaar gesteld in art. 321 Sr Pro. Overtreding van dit artikel wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vijfde categorie. Aldus is de gewone verjaringstermijn hier zes jaren op grond van art. 70 lid 1 aanhef Pro en onder 2° Sr. In samenhang met art. 72 lid 2 Sr Pro betekent dit dat de absolute verjaringstermijn voor deze feiten ten hoogste twee maal zes jaren, dus twaalf jaren beloopt.
3.7
Zoals al naar voren kwam onder 3.5 bepaalt art. 71 Sr Pro dat de termijn van verjaring aanvangt “op de dag na die waarop het feit is gepleegd” (behoudens hier niet relevante uitzonderingen). Blijkens de bewezenverklaring door het hof hebben de onder 1, 2 en 3 telkens subsidiair ten laste gelegde verduisteringen van respectievelijk € 20.000,- toebehorende aan [benadeelde 1] , € 10.000,- toebehorende aan [benadeelde 2] en € 10.000,- toebehorende aan [benadeelde 3] plaatsgevonden in periodes die zich uitstrekken tot steeds 16 november 2011. De ten laste gelegde en tevens geheel bewezen verklaarde verduisteringen (de opzettelijke wederrechtelijke toe-eigeningen van de geldbedragen die de verdachte anders dan door misdrijf onder zich had) zijn dus blijkens de bewezenverklaring gepleegd in die periodes en daarmee niet later voltooid dan op 16 november 2011. Dit betekent dat de gepleegde verduisteringen uitgaande van de bewezenverklaring uiterlijk zijn verjaard op 16 november 2023.
3.8
De dag waarop het feit is gepleegd is de dag waarop de delictsgedraging of althans de vervulling van de delictsomschrijving daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. [2] De dag wordt dus materieel bepaald en niet formeel in die zin dat de dag waarop het feit volgens de tenlastelegging zou zijn gepleegd beslissend is. Dat neemt niet weg dat men zich zou kunnen afvragen of voor het bepalen van de pleegdatum in plaats van de bewezenverklaring de tenlastelegging tot uitgangspunt dient te worden genomen omdat deze met de daarin opgenomen ruimere periodes de mogelijkheid openlaat dat de verduistering pas daadwerkelijk (materieel) is voltooid na 16 november 2011. De in de tenlastelegging onder 1, 2 en 3 telkens subsidiair opgenomen periodes lopen immers tot 10 februari 2017, 9 februari 2017 en 10 februari 2017. Wanneer de verduisteringen bijvoorbeeld pas op die data zouden zijn voltooid, zou de absolute vervolgingsverjaring intreden op 10 februari 2029, 9 februari 2029 en 10 februari 2029.
3.9
Het hof heeft onder meer overwogen (zie onder ‎3.4) dat de gegevens over het rekeningnummer waarop de aangevers op 3 september 2010, 5 september 2010 en (omstreeks) 9 april 2010 geld hebben overgemaakt, dateren van 28 januari 2011 t/m 16 november 2011. Het hof overweegt verder dat gedurende deze periode geen enkele beweging van geldbedragen richting investeringsprojecten [waarvoor de gelden waren bedoeld,
PHvK] op de rekening zichtbaar is, maar dat wel zichtbaar is dat allerhande privébetalingen zijn gedaan vanaf de rekening, en dat er geen aanknopingspunten zijn voor het bestaan van de door verdachte genoemde investeringsdoelen terwijl de betrokkenen niets van het door hen overgemaakte geld hebben teruggezien. Het hof concludeert op grond hiervan dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich ook deze geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. De bewezenverklaring en de daaraan ten grondslag liggende bewijsvoering staan niet ter discussie in cassatie en dienen daarom tot uitgangspunt te worden genomen. Dit betekent dat het recht tot vervolging voor de onder 1, 2 en 3 telkens subsidiair ten laste gelegde verduisteringen ingevolge art. 71 lid 2 Sr Pro absoluut is verjaard op 16 november 2023.
3.1
Het middel slaagt.
3.11
De verdachte heeft belang bij cassatie aangezien er grond is voor het verminderen van de duur van de voor de feiten onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair opgelegde gevangenisstraf. Nu het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging voor de feiten onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair, zal de strafoplegging immers moeten aansluiten bij de aard en ernst van de verduistering onder 4 subsidiair, het wat betreft omvang van de verduistering lichtste feit.

4.Het tweede middel en het derde middel

4.1
Het tweede middel houdt in dat art. 6 EVRM Pro en art. 13 EVRM Pro zijn geschonden omdat het oordeel van het hof dat de schending van de redelijke termijn van geringe omvang is en met de enkele constatering daarvan kan worden volstaan, onbegrijpelijk is. Het derde middel richt zich tegen de totale duur van de gijzeling bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
4.2
Nu het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wat betreft de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde verduisteringen, dienen ook de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregelen te worden vernietigd. Het tweede en het derde middel behoeven daarom geen bespreking. [3]

5.Afronding

5.1
Het eerste middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde (daaronder begrepen de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregelen) en de strafoplegging,
- niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde,
- terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak wat betreft de strafoplegging voor het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde opnieuw wordt berecht en afgedaan,
- en verwerping van het beroep voor het overige. [4]
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het cassatieberoep is op 31 juli 2025 partieel ingetrokken, namelijk voor zover het cassatieberoep is gericht tegen de door het hof gegeven vrijspraken.
2.Vgl. A.J.A. van Dorst,
3.Zie ten aanzien van het tweede middel HR 18 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
4.Vgl. HR 13 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:730, r.o. 4.