Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
Artikel 4. Legaten
2. Bezittingen
3.Schulden
4.Bespreking van het cassatiemiddel
recht op betalingpast niet bij de werking van de opschortende voorwaarde die de verbintenis eerst met het plaatsvinden van een gebeurtenis doet aanvangen. In deze lijn redenerend heeft het hof terecht de bewijslast bij Erfgenaam gelegd.
wettelijkeregeling voor vermindering van legaten dient dus niet te worden bezien in het perspectief van het bestaan van een (opschortende) voorwaarde, maar behelst een regeling voor de rangorde en voldoening van schulden van de nalatenschap. Van het later aanvangen van de werking van de verbintenis uit het legaat onder bepaalde voorwaarden, of van het vervallen daarvan onder bepaalde voorwaarden is geen sprake.
legitimaris(die niet erfgenaam is) dat deze jegens de erfgenamen en de met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en zij hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken. [21] Het is aannemelijk dat een vergelijkbaar recht op inlichtingen en informatie bestaat ten behoeve van de legataris, voor zover dat noodzakelijk is voor de berekening van de hoogte van zijn vorderingsrecht
niethoeven in te brengen. Erfgenamen zijn alleen verplicht tot inbreng van de waarde van de hun door de erflater gedane giften bij de verdeling van de nalatenschap voor zover de erflater dit, hetzij bij de gift, hetzij bij de uiterste wilsbeschikking heeft voorgeschreven (art. 4:229 lid 1 BW Pro). Een bij de gift opgelegde verplichting tot inbreng kan bij uiterste wilsbeschikking ongedaan worden gemaakt (lid 2).
vooral in de vorm van aangiften inkomstenbelasting en bankafschriften”. Legataris heeft in de memorie van grieven niet concreet aandacht gegeven aan (1) de waardering van het Montfleuri-fonds en (2) de berekening van de moederlijke erfdelen. Ook (niet) in het licht van de concrete stellingen daarover van Erfgenaam in eerste aanleg. [52]
in ieder gevalbehoren de inlichtingen en stukken genoemd in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding. Aan het slot van haar memorie van grieven verwijst zij naar haar beroepsvordering zoals omschreven in haar appeldagvaarding. Ook wijst Legataris in haar memorie van grieven op haar belang om te kunnen controleren/vaststellen of er sprake is van een negatieve boedel en haar vorderingsrecht vast te kunnen stellen. [53]
een beschrijving van de activiteiten van Stichting Mont Fleuri en de laatste drie jaarrekeningen c.q. financiële jaaroverzichten over de jaren 2015 tot en met 2019”, een toelichting op de waardebepaling van de certificaten en om uitleg van de betrokkenheid en relatie van Erflater bij Stichting Montfleuri. Zowel in het petitum van de appeldagvaarding als in de memorie van grieven verwijst Legataris naar de inlichtingen en stukken genoemd in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding (randnr. 13). Verder wordt daarin in het kader van de mogelijkheid van de benoeming van een deskundige aangevoerd dat de onderzoeksvraag aan de deskundige zal zijn om aan de hand van de bescheiden een opstelling te maken van het vermogen van erflater per overlijdensdatum, waarbij aan de deskundige tevens opdracht kan worden gegeven om verder onderzoek te doen en/of om waarden die zijn opgenomen in de IB aangiften en de mutaties die bankafschriften laten zien te beoordelen op de werkelijke waarde in het maatschappelijke verkeer per overlijdensdatum (randnr. 23).
erfrechtelijke aanspraak van ieder van de dochters uit hoofde van de door erflaatster gemaakte ouderlijke boedelverdeling becijferd op € 163.079,01 (na afdracht erfbelasting).” (akte van 28 maart 2022 randnummer 4)
dat een afwikkeling van de nalatenschap naar Nederlands recht en zonder aandacht voor de gedane schenkingen, zou hebben geleid tot een vordering van [erflater] en [dochter] ieder netto € 163.079,02.” Inclusief rente tot het overlijden van erflater zou de vordering € 294.162,03 bedragen.
moetde rechter) nader onderzoek in te stellen naar de berekeningen en een partij daarover vragen te stellen.
komt nog dat [Erfgenaam] in dit geding inmiddels heeft erkenddat ten onrechte de helft van het destijds op [bankrekening 1] staande saldo van € 747.983,71 buiten beschouwing is gelaten, waardoor deze volgens haar toen zelfs € 904.798,67 zou hebben bedragen.” [onderstreping A-G]
(…) niets maar dan ook helemaal niets (…) blijkt dat er eventueel aflossingen gedaan zouden zijn. (…)”(memorie van antwoord randnummer 16)
allebeschikbare en nog opvraagbare stukken te overleggen omtrent de daarna onder a t/m h genoemde punten. Niet duidelijk is welke stukken vallen onder ‘alle stukken ter zake de (overeenkomst inzake het) Montfleuri-fonds en de waardering daarvan per 8 december 2019 (rov. 3.22 onder a tussenarrest), te meer omdat op dit punt geen partijdebat heeft plaatsgevonden. Ook is niet duidelijk welke stukken over aflossingen moeten worden overgelegd als er geen aflossingen gedaan zijn anders dan de reeds erkende aflossing aan [dochter] van € 257.500,- noch welke stukken ter zake de nalatenschap-moeder en berekende erfdelen moeten worden overgelegd, nu de door de notaris destijds gemaakte berekeningen reeds waren overgelegd.
haar stellingen zodanig toe te lichten dat de rechter in het verdelingsgeschil kan beoordelen of de vereffening is voltooid’. [80]
gecontroleerd en akkoord bevonden’. [88]
Subonderdeel 3.bis gericht tegen rov. 6.6.2 en 6.6.3 over de door Erfgenaam overgelegde berekeningen. Het hof overweegt in rov. 6.6.1 t/m 6.6.3:
- moederlijk erfdeel, nalatenschap-moeder en nalatenschap- [dochter]
mogelijkonjuist is).
Subonderdeel 3.cis gericht tegen de hierna door mij onderstreepte overwegingen in rov. 6.6.4 en rov. 6.7.1 (tweede gedeelte). Subonderdeel 3.d is gericht tegen de eerste alinea van rov. 6.7.1. Het hof overweegt in deze overwegingen als volgt:
Hoewel in het tussenarrest (rov. 3.20) reeds is aangehaald dat in door [Erfgenaam] eerder ingeroepen berekeningen van [notaris] schenkingen als voorschot op erfdelen werden gekwalificeerd, informeert [Erfgenaam] het hof evenwel niet althans onvoldoende duidelijk over schenkingen die mogelijk als af- of inlossing op enige nalatenschapsuitkering zouden kunnen gelden. Dit klemt nog temeer in het licht van de navolgende overwegingen.
Volgens subonderdeel 3.dis het oordeel in rov. 6.7.1 dat uit de overgelegde bankafschriften van [bankrekening 1] schenkingen blijken en dat Erfgenaam daarover niets heeft toegelicht onbegrijpelijk, omdat de door erflater gedane schenkingen niet van invloed zijn op de vaststelling van het saldo van zijn nalatenschap. De vraag of erflater schenkingen heeft gedaan is irrelevant voor de beoordeling van het voorliggende geschil. Daarnaast kan een schenking niet kwalificeren als de voldoening van een reeds bestaande schuld.
moeder. Dat volgt uit de verwijzing naar de berekening van [notaris] . Bij de bespreking van subonderdeel 3b is al uiteengezet dat en waarom ten aanzien van die schenkingen en het wel en niet meenemen ervan in de berekening van het saldo van de nalatenschap een nadere toelichting van Erfgenaam mocht worden verwacht. Subonderdeel 3.c faalt in zoverre in het voetspoor van subonderdeel 3.b.
Subonderdeel 3.eis gericht tegen rov. 6.7.2:
Wat van die banksaldi verder ook zij, het hof komt reeds op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat [Erfgenaam] niet heeft voldaan aan het door het hof gegeven bevel (…).’ Het subonderdeel behoeft daarom geen behandeling.
Onderdeel 4is gericht tegen rov. 6.8.1 van het eindarrest:
Subonderdelen 4a en 4bbevatten onder meer de klachten dat het hof heeft miskend dat er slechts sprake kan zijn van een schending van de waarheidsplicht en het niet voldoen aan een bevel op grond van art. 22 Rv Pro indien de partij waartoe dat bevel gericht is feiten achter houdt waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been worden gezet en/of indien een partij bewust stukken achterhoudt waarvan die partij wist of had behoren te begrijpen dat die stukken of informatie relevant was voor de beoordeling van de zaak, althans dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd uit welke feiten blijkt dat Erfgenaam opzettelijk feiten heeft achtergehouden of had moeten begrijpen dat zij de betreffende informatie en stukken had moeten verstrekken. Ook klagen deze subonderdelen dat het hof, mede gezien de algemene strekking van het bevel en de memorie na tussenarrest waarmee Erfgenaam meende te voldoen aan het bevel, in de gelegenheid had moeten stellen te reageren op de nadere constateringen van het hof. Verder heeft het hof een verrassingsbeslissing gegeven door feiten en omstandigheden in de beoordeling te betrekken waarop Erfgenaam niet heeft kunnen reageren en/of niet op kon anticiperen vanwege het onvoldragen partijdebat. Het subonderdeel (4a) verwijst daarbij naar hetgeen in de onderdelen 2 en 3 is aangevoerd.
Subonderdeel 4bvoegt daar nog aan toe dat de aard en de ernst van de door het hof geconstateerde schendingen niet in verhouding staan met de gevolgen die het hof daaraan verbindt en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het Erfgenaam niet een herkansingsmogelijkheid heeft gegeven of waarom een onomkeerbare gevolgtrekking aan de geconstateerde schending is verbonden. Dit mede omdat een voldragen partijdebat ontbrak en het bevel op grond van art. 22 Rv Pro eerst in hoger beroep is gegeven.
directbij de eerst mogelijke gelegenheid worden aangevoerd, namelijk bij dagvaarding en bij conclusie van antwoord (art. 85 lid Pro 1, 111 lid 3 en 128 lid 5 Rv, in samenhang met art. 20 lid 2 en Pro 21 Rv). [105] Zo wordt bevorderd dat ‘
het geschil in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure “uit de verf komt”.’ [106]
behorente kennen. [113] Van partijen mag immers worden verwacht dat zij zich hebben verdiept in het geschil, [114] in de context van hun zaak en in de vraag of de feiten, zoals die hun voor ogen staan, kloppen en volledig zijn. [115] Daarmee is sprake van een gedeeltelijke objectivering van de verplichting van art. 21 Rv Pro, zo stelt Seinen. [116] Behoefde een partij de relevantie van een bepaald feit of het niet correct zijn van een feit niet te kennen of behoren te kennen, dan is er ook geen aanleiding om die partij erop af te rekenen dat een bepaald feit niet naar voren is gebracht, ook al is het volgens de rechter wel van belang. [117]
de gevolgtrekking [te] maken die hij geraden acht’. De wetgever is bewust vaag gebleven over de sanctie die in een concreet geval moet worden gesteld op schending van art. 21 Rv Pro. [118] De figuur van de geraden gevolgtrekking laat de rechter grote vrijheid. [119]
rechtprevaleren boven een rechterlijke beslissing die berust op de feiten zoals die zich in werkelijkheid hebben voorgedaan. [128]
subonderdeel 4.cis gericht tegen rov. 6.8.1 en – zo begrijp ik – tegen de daarop volgende toewijzing van de vordering in 6.10.1 en het dictum. Het subonderdeel klaagt dat de toewijzing van de vordering van Legataris van een onjuiste rechtsopvatting getuigt gezien de rangorde die art. 4:7 lid 2 BW Pro geeft voor de voldoening van de schulden van de nalatenschap. Legaten worden pas voldaan na voldoening van alle andere schulden. Het hof heeft niet geoordeeld of er al dan niet andere schulden zijn, waartoe mede behoren de schulden van erflater aan Erfgenaam (en voorheen ook [dochter] ) uit hoofde van de nalatenschap-moeder. Onbeslist is gebleven of de nalatenschap negatief is. Het hof kon de vordering niet toewijzen zonder ook te oordelen over de vraag of de vordering gezien de van toepassing zijnde rangorde wel voldaan kon worden. Dit klemt te meer nu Erfgenaam de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, [129] waardoor schulden van de nalatenschap niet op haar privévermogen verhaald kunnen worden. Ook heeft het hof niet geoordeeld dat Erfgenaam een onrechtmatige daad heeft gepleegd waardoor zij ook met haar privévermogen aansprakelijk zou zijn. Het hof heeft een onuitvoerbare beslissing gegeven.