ECLI:NL:PHR:2026:307

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
24/01948
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 SvArt. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens onduidelijke betekening dagvaarding

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Het hof verklaarde het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk omdat dit niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen was ingesteld, uitgaande van de aanname dat de dagvaarding in persoon aan verdachte was betekend.

De verdachte stelde dat zij pas op 20 januari 2024 op de hoogte was van de uitspraak, wat zij per e-mail aan de rechtbank kenbaar maakte. Uit de akte van uitreiking bleek echter dat de dagvaarding op 15 november 2022 niet aan de verdachte zelf, maar aan een ander persoon op het adres was uitgereikt. Dit maakte de vaststelling van het hof onbegrijpelijk.

De Hoge Raad oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 408 lid 1 sub a Sv Pro niet kan worden gehandhaafd omdat de betekening niet aan verdachte zelf heeft plaatsgevonden. Ook is niet gebleken dat verdachte op de terechtzitting is verschenen of dat zij eerder bekend was met de datum van de zitting. Daarom had het hoger beroep binnen veertien dagen na bekendwording van de uitspraak moeten worden ingesteld.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het middel slaagt, het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe behandeling en beslissing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01948
Zitting31 maart 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 mei 2024 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat D.W.H.M. Wolters heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel richt zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep. Het voert onder meer aan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn hoger beroep heeft ingesteld.
2.2
De verdachte is bij vonnis van 10 januari 2023 door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Op 26 januari 2024 (een jaar en zestien dagen later) heeft de verdachte een e-mail gestuurd naar de strafgriffie van de rechtbank Noord-Holland. Die e-mail houdt het volgende in:
“Geachte Rechtbank,
Ik wil in hoger beroep gaan, op de uitspraak van de rechter die mij is aangeleverd, op 20-01-2024 om 18.30h. In de avond stonden er plots 2 agenten in ons vakantie huisje.
Met de mededeling dat er een zitting had plaatsgevonden en hierbij de uitspraak (2 weken celstraf).
Bij binnenkomst zeiden de 2 heren dat ik onvindbaar was al tijden, wat niet klopte aangezien ik altijd al ingeschreven was op [a-straat 1] , [plaats] .
Dat kan ik ook aantonen.
Ik ben het niet eens met de straf die mij is opgelegd omdat de agenten die mij staande gehouden hebben mij hebben verteld dat ik niet vervolgd zou worden en dit was in 2021.
Ik ben helemaal niet op de hoogte gebracht dat ik voor zou moeten komen anders had ik wel aanwezig geweest op de zitting.
Want dit kwam als een donderslag bij heldere hemel en snap ook niet beslissing komen, 3 jaar later. Vooral omdat mij bij weg gaan van het bureau is verteld dat ik mij niet druk hoefde te maken. En er geen vervolg zou komen. En het gaat om een feit uit 2021 het is nu 2024 daarom wil, dat bij deze mijn wil om hoger beroep aan te gaan.
Zeker omdat ik jaren lang therapie gehad heb om trauma’s te verwerken. Waarvan mijn allergrootste angst is om opgesloten te worden.
Parketnummer 96-158938-22 toegepaste artikelen 9, 176 wegenverkeerswet 1994
Met vriendelijke groet,
[verdachte] ”
2.3
Uit de “akte instellen hoger beroep”, die op 26 januari 2024 door een medewerker van de griffie van de rechtbank is opgemaakt, blijkt dat deze e-mail van de verdachte door de rechtbank als bijzondere volmacht is aangemerkt.
2.4
Het hof heeft de verdachte vervolgens bij arrest van 7 mei 2024 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het arrest van het hof houdt het volgende in:

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 10 januari 2023 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland. De dagvaarding is de verdachte op 15 november 2022 in persoon betekend.
De verdachte is op 10 januari 2023 bij verstek veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 26 januari 2024.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.”
2.5
Art. 408 Sv Pro luidt – voor zover van belang – als volgt:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
[...]
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
2.6
Uitgaande van de vaststelling van het hof dat de dagvaarding in eerste aanleg voor de terechtzitting op 10 januari 2023 inderdaad in persoon is betekend, had de verdachte op grond van art. 408 lid 1 onder Pro a Sv binnen veertien dagen hoger beroep moeten instellen. De omstandigheid dat de verdachte in haar hiervoor onder 2.2 geciteerde e-mail heeft gesteld dat zij pas op 20 januari 2024 op de hoogte is geraakt van de uitspraak van de politierechter van 10 januari 2023, zou daaraan in dat geval niet afdoen. De gedachte achter de termijn van veertien dagen bij betekening van de dagvaarding in persoon is immers dat de verdachte er in dat geval van op de hoogte is dat er tegen hem of haar een strafzaak is aangespannen en dat – in aansluiting daarop – van die verdachte mag worden gevergd dat hij of zij zich vergewist van het verloop en de uitkomst van die strafzaak. [1]
2.7
De steller van het middel betoogt in de toelichting op het middel onder meer dat de vaststelling van het hof dat de dagvaarding in eerste aanleg in persoon is betekend niet begrijpelijk is. Uit de akte van uitreiking van 15 november 2022 blijkt namelijk dat de dagvaarding in eerste aanleg niet aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
2.8
Bij de stukken van het geding bevindt zich de akte van uitreiking van de dagvaarding voor de zitting van de politierechter in eerste aanleg op 10 januari 2023. Gelet op datum die op de akte wordt vermeld, te weten 15 november 2022, lijdt het geen twijfel dat het hof in zijn de hiervoor onder 2.4 geciteerde overweging het oog heeft gehad op deze akte van uitreiking. Uit deze akte blijkt dat de dagvaarding niet is uitgereikt aan de geadresseerde zelf, maar aan een ander op het op de akte vermelde adres, te weten [betrokkene 1]. Deze persoon heeft de akte van uitreiking ook ondertekend.
2.9
De steller van het middel klaagt dus terecht over de vaststelling van het hof dat de dagvaarding in eerste aanleg in persoon is betekend. De op art. 408 lid 1 onder Pro a Sv gebaseerde niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep is daarom niet begrijpelijk. Het middel is terecht voorgesteld.
2.1
Verder kan overigens ook niet uit het dossier worden afgeleid dat de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg is verschenen (art. 408 lid 1 onder Pro b Sv) of dat zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat zij tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg (art. 408 lid 1 onder Pro c Sv). Dat betekent dat hoger beroep moest worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de verdachte met de einduitspraak bekend was (art. 408 lid 2 Sv Pro). Uit het dossier volgt geen omstandigheid waaruit blijkt dat de verdachte eerder bekend is geworden met de uitspraak van de politierechter dan – zoals zij in haar e-mail van 26 januari 2024 stelt – het moment waarop twee politieagenten de uitspraak aan haar meedeelde op 20 januari 2024 bij haar vakantiehuisje. [2]

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie
2.Deze stelling van de verdachte wordt ondersteund door een akte van uitreiking van 20 januari 2024 die zich in het dossier bevindt, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1]. Op die akte wordt weliswaar niet vermeld welk stuk er op die dag aan de verdachte is uitgereikt (vgl. daarover HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:596), maar staat wel een parketnummer dat overeenkomst met het parketnummer in eerste aanleg. In het dossier bevinden zich verder nog een tweetal aktes van uitreiking die betrekking hebben op de mededeling van de uitspraak van de politierechter, waaruit blijkt dat drie keer is gepoogd de mededeling uit te reiken maar dat steeds mislukte omdat de verdachte ofwel niet aanwezig was, ofwel niet meer op het betreffende adres woonde.