Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
Strafmaatoverwegingen
Het vonnis waarvan beroep
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
PHvK), straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd (ik begrijp: LOVS-oriëntatiepunt fraude,
PHvK), het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte waaruit blijkt dat de verdachte de afgelopen vijf jaren niet voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en op het over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport. Evenals de officier van justitie heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte de leeftijd van de verdachte (toen: 69 jaar) en het feit dat de meeste bewezenverklaarde feiten geruime tijd geleden zijn gepleegd meegewogen. Na afweging van dit alles is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren (= 36 maanden), zoals door de officier van justitie is geëist, in deze zaak passend en geboden is. De rechtbank spreekt anders dan de officier van justitie niet expliciet over het concreet gehanteerde uitgangspunt voor de in deze zaak passend geachte straf en noemt evenmin de hoogte van de concreet toegepaste strafvermindering. Niettemin lijkt uit de strafmotivering in haar geheel bezien te kunnen worden afgeleid dat de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de officier van justitie geheel is gevolgd en dus ook de straf van 4 jaren (48 maanden) tot uitgangspunt heeft genomen.
PHvK) en de daaruit voortvloeiende gevangenisstraf, omdat daarbij de persoon van de verdachte uit het oog wordt verloren. Bepleit is om een taakstraf in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen. Dat het hof de factor “ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan” in de strafmotivering niet nader heeft geconcretiseerd, wekt tegen de(ze) achtergrond (van het ‘voortbouwend appel’ [5] ) dan ook geen verbazing. Daarover bestond in hoger beroep immers geen discussie meer.
an sichook niet is betwist, nu enkel is gesteld dat de rechter zich niet blind moet staren op “de richtlijnen voor de tenlastegelegde feiten” (en de daaruit volgende strafindicatie) omdat de persoon van de verdachte daarmee uit het oog wordt verloren. Gelet op een en ander meen ik dat de strafoplegging in het onderhavige geval geen verbazing wekt. [6] Dat is mijns inziens niet anders doordat de rechtbank op grond van de leeftijd van de verdachte en het tijdsverloop van de feiten (kennelijk) tot een strafvermindering van 12 maanden is gekomen, terwijl het hof tot een strafvermindering van gelijke grootte komt op basis van enerzijds de serieuze medische omstandigheden van de verdachte (groot 6 maanden) en anderzijds de redelijke-termijnschending in hoger beroep alsmede – evenals de rechtbank – het forse tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten (groot 6 maanden). De weging van die factoren is aan de feitenrechter voorbehouden en is ook overigens niet onbegrijpelijk. Verder doet aan de slotsom dat de strafoplegging in het onderhavige geval geen verbazing wekt niet af dat een meer uitdrukkelijke concretisering van de “ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan” helderder zou zijn geweest en zou hebben aangesloten bij de strekking van art. 359 lid 6 Sv Pro. Overigens wordt daarover op zichzelf ook niet in cassatie geklaagd.