Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 oktober 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens faillissementsfraude als bestuurder van een besloten vennootschap die failliet werd verklaard. Het hof stelde vast dat verdachte opzettelijk geen deugdelijke administratie voerde en deze niet aan de curator verstrekte, waardoor schuldeisers werden benadeeld.
Bij de strafoplegging hield het hof rekening met niet tenlastegelegde feiten, namelijk dat verdachte vaker als enig bestuurder stond geregistreerd bij kort daarna failliet verklaarde ondernemingen, wat volgens het hof duidde op een delictpatroon. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze feiten niet op juiste wijze had gemotiveerd als grondslag voor strafverzwaring, omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor het betrekken van niet tenlastegelegde feiten.
De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat betrekking had op de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe strafoplegging. De overige klachten van de verdachte werden verworpen. De zaak betreft toepassing van artikel 343 Sr Pro (oud) en de strafmotivering met betrekking tot de strafmaximums en recidive.
De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij het betrekken van niet tenlastegelegde feiten bij strafoplegging en bevestigt de voorwaarden waaronder dit is toegestaan. De strafoplegging dient opnieuw te worden beoordeeld met inachtneming van deze voorwaarden.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het hofarrest over strafoplegging wegens ontoereikende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.