Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
1. Een proces-verbaal van aangifte van 16 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (dossierpagina’s 8 en 9).
"door [medeverdachte] en [verdachte] uit het raam waren gegooid". Dat is echt onjuist.
"twee zwartgekleurde voorwerpen uit het raam aan de passagierszijde van de bus werden gegooid". Het lijkt mij stug dat de chauffeur dergelijke relatief grote voorwerpen óver zijn passagier heen uit het passagiersraam gooit, al rijdende nota bene.
"beide heren{hebben; opm. rv} (...)
verklaard dat zij de dashboardonderdelen hebben gevonden in de berm". De verklaring die client ter zitting heeft afgelegd is opgenomen in het proces-verbaal van die zitting - en dat proces-verbaal is leidend - en daaruit volgt in het geheel niet dat cliënt een dergelijke verklaring heeft afgelegd.
eerste plaatsde klacht dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
tweede plaatswordt geklaagd dat het hof het standpunt van de verdachte dat hij enkel op het vakantiepark was om [medeverdachte] daar op te halen, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. In het bijzonder maken de tot het bewijs gebezigde camerabeelden en de overwegingen van het hof niet duidelijk waarom de verklaring van verdachte niet juist kan zijn, terwijl de raadsvrouw van verdachte in hoger beroep erop heeft gewezen dat er ook camerabeelden zijn waarop te zien is dat de verdachte alleen het terrein van het vakantiepark is opgelopen.
half uurop het vakantiepark rondlopen én dat zij wegrennen op het moment dat ze de zaklampen van de politie zien. Het hof heeft daarmee gemotiveerd uiteengezet waarom de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. [1] Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.