Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak
3.Het eerste middel
Het middel
datwas opgenomen in de CC- aanhef/regel) verwijderd/weggehaald
De verklaring van de verdachte.De [verdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 mei 2018 verklaard – zakelijk weergegeven – (p. 6, 7, 12 en 15):
verklaring van [verdachte]:
een e-mailwisseling, nummer D-423, ordner 13 van onderzoek Klaproos met nummer 50335, onder andere inhoudende:
verklaring van [getuige 1] :
verklaring van [getuige 2](pagina 6) :
verklaring van [getuige 2]:
relaas van de betreffende opsporing:
1.E-mail van 03-11-2009, 13.16 uur
2.E-mail van 14-01-2010, 12.20 uur
3.E-mail van 08-02-2010, 16.03 uur
4.E-mail van 25-02-2010, 11.01 uur
5.E-mail van 13-10-2010, 17.23 uur
6.E-mail van 04-02-2011, 15.50 uur
7.E-mail van 29-09-2011, 16.27 uur
Een e-mail van 06-01-2009, 09.39.19 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
Een e-mail van 28-01-2009, 13.05.33 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
Een e-mail van 12-03-2009, 15.56.03 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
Een e-mail van 11-08-2009, 14.12.15 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
Een e-mail van 07-01-2010, 11.11.48 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
Een e-mail van 18-01-2011, 15.57.34 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
Een e-mail van 21-06-2011, 10.01 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte](“ [verdachte] ”) met als onderwerp: “RE: Vestia restructure”.
verklaring van [verdachte] :
ONTBREKEN BEWIJSBESTEMMING
[getuige 3]– medewerker van de Treasury administratie – deze e-mails gebruikte. Volgens de rechtbank volgt uit de verklaring van [getuige 3] dat de pre-confirmation leidend was voor de verificatie van hetgeen uiteindelijk in het schriftelijke contract stond. De pre-confirmation e-mails – die onderdeel uitmaakten van de bedrijfsadministratie – dienden ter controle of wat was vastgelegd in het uiteindelijke schriftelijke contract overeenkwam met de telefonisch afgesloten transactie, aldus de rechtbank.
bijlage 8) pleitnota. Daarop aanvullend deelt zij mede:
NJ2009/56 ging het om brieven die afkomstig waren van (een jurist verbonden aan) een belastingadvieskantoor en die geadresseerd waren aan bepaalde overheidsinstanties, advocatenkantoren of bedrijven. De desbetreffende brieven waren in strijd met de waarheid voorzien van de naam en handtekening van een derde. Nu het hof niets had vastgesteld over de relevantie van de daarin vervatte valse gegevens voor de (rechts)positie van de daarbij betrokken personen, was zijn oordeel dat deze brieven kunnen worden aangemerkt als geschriften waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend, dat telkens sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr Pro, volgens de Hoge Raad ontoereikend gemotiveerd.
NJ2018/36, m.nt. P.A.M. Mevis. Daarin stond de bewijsbestemming van een onderzoeksrapport, zogenaamd afkomstig van een particulier rechercheadviesbureau, centraal. Uit de bewijsvoering van het hof volgde dat het onderzoeksrapport bestemd was om te dienen tot het bewijs dat het overmaken van bedragen van de bankrekening van een betrokkene naar de bankrekening van de verdachte het gevolg was van fouten bij de SNS bank, dat een bij Santander afgesloten zakelijke lening op naam van de verdachte was afgesloten, dat de declaratie van de advocaat van de verdachte onjuist was en dat bij de postbestelling een brief met een geldbedrag was verdwenen. Het oordeel van het hof dat dit onderzoeksrapport, dat was voorzien van de naam, de adresgegevens en het logo van een recherchebureau, in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis kan worden toegekend, dat het daardoor kan worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 lid 1 Sr Pro gaf volgens de Hoge Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk.
NJ1991/668, m.nt. G.J.M. Corstens ging het om een op een magneetschijf vastgelegd computerbestand dat dagelijks werd weggeschreven naar andere bestanden. Het oordeel van het hof dat dit bestand bestemd was om, zij het niet in rechtstreekse zin, tot bewijs van enig feit te dienen, aangezien dit bestand weliswaar niet na geruime tijd nog kon dienen tot controle en bewijs van de daarin neergelegde gegevens, maar de noodzakelijke grondslag vormde voor verwerking van betalingsopdrachten in de betalingstapes voor derden en in andere bestanden van de administratie, waarbij op de juistheid van de in het bestand neergelegde gegevens werd vertrouwd, gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
NJ2007/326, m.nt. J.M. Reijntjes ook voor interne groslijsten. De verdachte had op deze zogenaamde groslijsten, waarop alle in de computer ter betaling ingevoerde facturen behoren te worden vermeld en waaraan alle te betalen facturen behoren te zijn bevestigd, in strijd met de waarheid een aantal betalingsopdrachten niet vermeld en de daarmee corresponderende facturen daaraan niet gehecht. De verdachte had deze lijsten vervolgens telkens voor akkoord voorgelegd aan een intern leidinggevende, die bevoegd was de betalingsopdrachten te autoriseren en te verzenden. Deze leidinggevende controleerde of alle facturen waren geparafeerd en controleerde ook steekproefsgewijs of de op de groslijst vermelde bedragen ook op het computerscherm zichtbaar waren. Het hof had vastgesteld dat de leidinggevende ervan is uitgegaan en mocht uitgaan dat alle op de groslijst vermelde betalingen overeenkwamen met de in werkelijkheid in het computersysteem ter uitvoering gereedstaande betalingsopdrachten en op grond daarvan de opdrachten heeft geautoriseerd en verzonden. Het oordeel van het hof dat deze groslijsten bewijsbestemming hadden hield in cassatie stand. De Hoge Raad nam daarbij in aanmerking dat het hof kennelijk had aangenomen dat deze groslijsten in de interne financieel-administratieve organisatie naar zijn aard voor de leidinggevende diende als bewijs dat de daarop voor akkoord vermelde betalingsopdrachten overeenkwamen met de daadwerkelijk in het computerprogramma door de verdachte klaargezette betalingsopdrachten en kennelijk heeft geoordeeld dat aan deze bewijsbestemming niet afdoet dat voor anderen binnen de organisatie daaraan die betekenis voor het bewijs niet zou toekomen en evenmin dat de leidinggevende de mogelijkheid of de verplichting had (beter) te controleren of de gegevens op de groslijst overeenkwamen met gegevens die op het computerscherm zichtbaar waren of konden zijn.
4.Het tweede middel
Het middel
De verklaring van de verdachte.De [verdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 mei 2018 verklaard – zakelijk weergegeven – (p. 6, 7, 12 en 15):
verklaring van [verdachte] :
relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
UITGAVEN (II)
bijlage 13). In totaal heeft cliënt dus een bedrag van €5.354.187 aan de Belastingdienst afgedragen.
€ 3.173.124.83en niet € 7.457.171,83. Nog los van het feit dat betalingen aan de Belastingdienst bezwaarlijk als verhullende witwashandelingen kunnen worden gekwalificeerd, is niet ten laste gelegd dat cliënt het geldbedrag zou hebben witgewassen door (een deel van) het bedrag aan de Belastingdienst te betalen.
€ 3.173.124.83, zijnde het bedrag dat door cliënt daadwerkelijk is uitgegeven aan de in de tenlastelegging genoemde zaken.”
NJ2014/500, m.nt. N. Keijzer, rechtsoverweging 2.4, waarin het ‘overdragen’/‘gebruik maken’/‘omzetten’ plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen ‘verwerft’ of ‘voorhanden heeft’, in welk geval geldt dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als witwassen, sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft.