ECLI:NL:PHR:2026:347

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
24/01606
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 lid 1 onder 4 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 359 lid 2 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen diefstal afzetcontainer met oud metaal

De verdachte werd door het hof en de politierechter veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen van een afzetcontainer met oud metaal. De container werd op 8 november 2022 in de nacht gestolen van een bedrijfsterrein in Zeeland. Camerabeelden toonden hoe een vrachtwagen met haakarm de container oppikte, terwijl een witte bestelbus met de verdachte en een medeverdachte in de buurt was. De verdachte werd kort daarna samen met de medeverdachte in de bestelbus aangetroffen, met de container op de vrachtwagen vlak achter hen.

De verdediging voerde onder meer aan dat niet vaststaat dat de verdachte de persoon op de beelden was die de container vastmaakte en dat er geen sprake was van een nauwe samenwerking of opzet. Ook werd betoogd dat de aanhouding en inverzekeringstelling onrechtmatig waren. Het hof oordeelde echter dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond en dat de verdachte medepleger was, omdat hij de bestelbus bestuurde, de container hielp vastmaken en op uitkijk stond.

De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten over de bewijsvoering en strafmotivering. De klacht over de bewijsvoering faalde omdat de gevolgtrekkingen van het hof begrijpelijk waren. De klacht over de strafmotivering faalde omdat het hof het verzoek tot matiging van de straf niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt had opgevat en daarom niet verplicht was dit nader te motiveren. De taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, bleef in stand.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; taakstraf van 120 uur bevestigd wegens medeplegen diefstal afzetcontainer met oud metaal.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/01606

Zitting31 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 10 april 2024 (parketnummer 20-000591-23) het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 februari 2023 bevestigd, met aanvulling en verbetering van de gronden. Bij dat vonnis is de verdachte wegens 1 primair "
diefstal door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot een taakstraf van honderdtwintig uren te vervangen door zestig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest (hetgeen door de politierechter is gewaardeerd op twee uur te verrichten arbeid).
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Broere, advocaat in Roosendaal, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het eerste middel bevat een klacht over de bewijsvoering.

De bewezenverklaring en bewijsvoering

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

op 8 november 2022, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een afzetcontainer (met daarin een hoeveelheid oud metaal) die aan [A] of [B] , toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen”.
5. De bewezenverklaring berust op de volgende door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen:

“3.1 De bewijsmiddelen

3.1.1. het ambtsedig proces-verbaal van aangifte [aangever] , opgenomen als pagina 5 e.v. in het eindproces-verbaal nr. PL2000-2022296401 van de regionale eenheid politie Zeeland West-Brabant, basisteam Oosterscheldebekken, opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
Ik ben eigenaar van het bedrijf [A] in [plaats] . Naast de loods van het bedrijf staat normaal een gehuurde container van het bedrijf [B] . Hierin wordt oud ijzer gedeponeerd. Op 7 november 2022 omstreeks 17.00 uur zag ik dat de container er nog stond. Vanochtend, 8 november 2022, zag ik dat de container weg was. In de loop van de ochtend werd ik door de politie op de hoogte gebracht dat de container was gestolen, maar ook weer terecht was. De container kan alleen met een zogenaamde haak vrachtwagen vervoerd worden. In de container lag oud ijzer/metaal.
3.1.2. het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgenomen als pagina 7 e.v. in het eindproces-verbaal nr. PL2000-2022296401 van de regionale eenheid politie Zeeland-West Brabant, basisteam Oosterscheldebekken, opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
Op 7 november 2022 kreeg ik een whatsapp van [betrokkene 1] van metaalhandel [C] uit [plaats] of ik eens wilde kijken naar een vrachtwagen. De vrachtwagen stond al een dag of veertien op het industrieterrein [locatie 2] te [plaats] . [betrokkene 1] stuurde mij een foto van deze rode vrachtwagen. De vrachtwagen stond op naam van [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987. Ambtshalve weet ik dat [medeverdachte] zich veelvuldig bezig hield met metaaldiefstallen. Nadat een baken was geplaatst zag ik dat de rode vrachtwagen op 8 november 2022 omstreeks 03.30 uur in beweging kwam. Ik kon zien dat de vrachtwagen ter hoogte van [a-straat 1] in [plaats] tot stilstand kwam. Nadat het geruime tijd stil had gestaan reed het voertuig via de [snelweg] terug in de richting van [plaats] . Het voertuig kwam tot stilstand op de vrachtwagen parking van ‘ [locatie 1] ’. Ik kon uit de gegevens van het baken halen dat de vrachtwagen met [kenteken 1] tot stilstand kwam op een bouwterrein aan het eind van [locatie 2] . Na ongeveer 20 minuten kwam het voertuig weer in beweging en kwam verder ter hoogte van [locatie 2] [nummer] tot stilstand.
Bij het naderen van [locatie 2] [nummer] zag ik ter hoogte van [E] een witte Mercedes bestelbus staan. Ik zag dat 2 personen in de bestelbus zaten. Ik herkende de mij ambtshalve [medeverdachte] op de passagiersstoel en op de bestuurdersstoel zat een mij onbekende man. Kort achter de witte bestelbus stond de rode vrachtauto. Verdachten werden aangehouden en de rode vrachtauto met groene opzetcontainer werd in beslaggenomen. De inhoud van de container is bekeken en deze was geladen met gebruikte metalen.
[aangever] is telefonisch op de hoogte gesteld en gaf aan eigenaar te zijn maar de groene container in bruikleen te hebben van afvalverwerker [B] . In de container zaten volgens hem gebruikte metalen van zijn bedrijf.
3.1.3. het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgenomen als pagina 25 e.v. in het eindproces-verbaal nr. PL2000-2022296401 van de regionale eenheid politie Zeeland-West Brabant, basisteam Oosterscheldebekken, opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
Op 8 november 2022 was ik belast met het bekijken van camerabeelden. Ik zag dat de beelden van scherpe kwaliteit waren. De beelden waren van 8 november 2022 om 5.35.29 uur. Deze beelden geven [zicht] op de zijkant van het bedrijf [F] en de openbare weg de [a-straat] te [plaats] . Ik zag dat er een vrachtwagen welke voorzien was van een zogenaamde haakarm in de richting van de ambulancepost aan de [a-straat] reed. Het is mij bekend dat dit type vrachtwagen gebruikt wordt voor het transport van open containers. Ik zag dat er vrijwel direct achter de oplegger een bestelbus reed. Vermoedelijk wit van kleur en voorzien van een zwarte streep over de gehele lengte. In de vrachtwagen zat een bestuurder met een lichte huidskleur. In de witte bestelbus zat een bestuurder met een lichte huidskleur. De bestuurder van de witte bestelbus stapte uit en ging op de hoek van de voorgevel en zijgevel staan.
De beelden geven zicht op de zijkant van het naastgelegen bedrijfsterrein van [A] . Ik zag dat op het terrein van [A] een open en dichte container stond. Ik zag dat de hiervoor genoemde vrachtwagen met haakarm ter hoogte van het terrein van [A] reed. Ik zag dat de vrachtwagen achteruit richting de open container reed. Ik zag dat de haakarm de container omhoog tilde en naar voren trok. Ik zag dat de vrachtwagen met container wegreed, voorlangs het pand van [A] .
3.1.4. Het ambtsedig proces-verbaal [getuige] , opgenomen als pagina 28 e.v. in het. eindproces-verbaal nr. PL2000-2022296401 van de regionale eenheid politie Zeeland-West Brabant, basisteam Oosterscheldebekken, opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
Ik ben eigenaar van het bedrijf [G] . Ik had contact opgenomen met de politie omdat een bestelbus van mij die ik verhuurd had niet binnen de verhuurtermijn is teruggebracht. Ik vernam dat de bestelbus in beslag was genomen door de politie. De bestelbus waar het om gaat is een witte Mercedes Sprinter met [kenteken 2] . Dze bus is gehuurd door [verdachte] . Uit het Track and Trace systeem van de genoemde Mercedes bleek dat de bus op 8 november 2022, 04.13 uur ter hoogte van [A] had gestaan.
6. Het hof heeft de bewijsmiddelen aangevuld met de volgende bewijsmiddelen:

I. Het hof vult het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘het ambtsedig proces verbaal van bevindingen, opgenomen als pagina 7 e.v. in het eindproces-verbaal nr. PL2000-2022296401 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, basisteam Oosterscheldebekken, opgemaakt in de wettelijke vorm’ aan met het volgende:
Omdat de vrachtwagen aanvankelijk zonder container in [plaats] had gestaan, vermoedde ik dat deze groene container op de [a-straat] in [plaats] was opgeladen.
II. Het hof vult de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen aan met het bewijsmiddel ‘de eigen waarneming van het hof ter terechtzitting op 27 maart 2024’, voor zover inhoudende:
Het hof neemt op de camerabeelden met bestandnaam
‘192.168.178.22_ch5_20221108053449_20221108054041.mp4' waar dat de persoon op de beelden, nadat de container op de vrachtwagen is geladen, handelingen aan de container/vrachtwagen verricht, eerst linksachter en vervolgens rechtsachter de vrachtwagen. Daarna loopt de persoon naar de bestuurderskant van de vrachtwagen, staat daar even stil en loopt weg. De vrachtwagen rijdt dan weg.
III. Het hof vult de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen aan met het bewijsmiddel 'het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgenomen als pagina 27 in het eindproces-verbaal PL2000-2022296401 van de regionale eenheid politie Zeeland West-Brabant, basisteam Oosterscheldebekken, opgemaakt in de wettelijke vorm’ voor zover inhoudende:
Ik concludeerde dat de tijdstempel van de ontvangen camerabeelden van [F] aan de [a-straat 2] te [plaats] 1 uur en 23 minuten voorliep op het daadwerkelijke tijdstip. Van alle genoemde tijdstippen in het proces-verbaal van bevindingen van de camerabeelden van [F] dienen er 1 uur en 23 minuten afgehaald te worden om het daadwerkelijke tijdstip vast te stellen.
7. De bewijsoverwegingen van de politierechter heeft het hof verbeterd. Ik geef daarbij ook de overwegingen weer die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling omdat deze ook relevant zijn voor de bewijsvoering:

Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsoverweging van de politierechter in het geheel vervangen in het navolgende.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat er sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig zijn geweest, nu er op dat moment geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit was. Volgens de raadsman dient hierdoor - indien het hof komt tot een bewezenverklaring - strafvermindering te worden toegepast.
Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de persoon op de camerabeelden de bestuurder van de witte bestelbus is geweest en ook niet of die bestuurder de verdachte betreft. Voorts is er geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en is er ook geen sprake van wetenschap - en daarmee opzet - op het gronddelict. Indien de verdachte wel de bestuurder van de bestelbus is geweest en de persoon die is uitgestapt, kan het enkel op de uitkijk staan niet worden gekwalificeerd als het medeplegen van de diefstal. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld of er sprake is geweest van een wederrechtelijke toe-eigening van de container van [B] , nu [B] geen aangifte heeft gedaan.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat in de nacht van 8 november 2022 rond 04:13 uur een container bij [A] B.V. in [plaats] is weggenomen. De container is door [A] B.V. gehuurd bij het bedrijf [B] . Op de beschreven camerabeelden is de diefstal van de container te zien. Geverbaliseerd is dat een vrachtwagen en een witte bestelbus aan kwamen bij [A] B.V. en dat vervolgens een persoon komende uit de richting van de witte bestelbus in de buurt van de vrachtwagen en container gaat staan. Het hof heeft op de beelden waargenomen dat wanneer de container op de vrachtwagen is geladen de genoemde persoon linksachter en rechtsachter handelingen bij de vrachtwagen verricht, die er op duiden dat de container wordt vastgezet op de vrachtwagen. Daarna lijkt de persoon contact te hebben met de bestuurder van de vrachtwagen. De vrachtwagen is vervolgens weggereden. De verdachte werd kort daarna samen met [medeverdachte] aangetroffen op een vrachtwagen parking in een witte bestelbus. Kort achter de witte bestelbus stond de vrachtwagen met daarop de gestolen container. De verdachte had de witte bestelbus met [kenteken 2] gehuurd bij [G] .
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat ten tijde van de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte er een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit aanwezig was, nu de verdachte met [medeverdachte] is aangetroffen in de bestelbus met kort daarachter een vrachtwagen met daarop de gestolen container. Op dat moment werd [medeverdachte] al in verband gebracht met de vrachtwagen waarop de gestolen container stond. Deze omstandigheden, ook gelet op het tijdstip waarop de verdachte zich daar bevond met de medeverdachte, rechtvaardigen de conclusie dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan diefstal of heling van de container.
De verdachte heeft ook geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij op dat moment in die bestelbus is aangetroffen. Het hof is dan ook van oordeel dat de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig zijn geweest.
Het hof stelt voorts aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte de bestelbus heeft gehuurd, dat hij met die bestelbus achter [medeverdachte] - die in de vrachtwagen reed - naar [A] B.V. in [plaats] is gereden en dat zij daar samen de container hebben gestolen, waarbij de verdachte heeft geholpen met het vast maken van de container op de vrachtwagen en op de uitkijk heeft gestaan. Vervolgens zijn de verdachte en de medeverdachte weer samen vertrokken, is de vrachtwagen met container geparkeerd en is de medeverdachte bij de verdachte in de bus gestapt. Gelet op deze gang van zaken moet sprake zijn geweest van een gezamenlijk plan. Op grond van deze omstandigheden oordeelt het hof dat sprake is geweest van opzet op de diefstal en van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het medeplegen van de diefstal wettig en overtuigend bewezen.
Omdat de verdachte de huurder van de witte bus was, hij in die bus is aangehouden en bij gebreke van een andersluidende verklaring van de verdachte, acht het hof bewezen dat de verdachte de bus heeft bestuurd naar de plek van de diefstal en vanaf die plek naar de plek van aanhouding. Gelet op de korte tijd tussen het moment dat de witte bus uit beeld verdwijnt en er een persoon op beeld verschijnt, acht het hof ook bewezen dat verdachte de persoon is geweest die te zien is op de beelden.
Voor zover de raadsman heeft bepleit dat niet kan worden vastgesteld of er sprake is geweest van een wederrechtelijke toe-eigening van de container van [B] , nu [B] geen aangifte heeft gedaan en er wellicht toestemming is geweest om de container mee te nemen, oordeelt het hof dat die stelling van de raadsman geen steun vindt in het onderzoek en aldus geen begin van aannemelijkheid heeft.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Bespreking van de aangevoerde klacht

8. Voordat ik de klacht inhoudelijk bespreek stel ik vast dat de steller van het middel ervan uitgaat dat het hof de door de politierechter gebruikte
bewijsmiddelenheeft vervangen door de bewijsmiddelen die ik hierboven bij randnummer 6 heb weergegeven. Dat is niet zo. Het hof heeft de
bewijsoverwegingenvan de politierechter vervangen en de bewijsmiddelen aangevuld.
9. De klacht tegen de bewijsvoering is in de kern gericht tegen de vaststellingen dat de verdachte de bestuurder was van de bestelbus die op camerabeelden wordt gezien, dat de verdachte bij de container uitstapt en de container aan de vrachtwagen bevestigt, waarna de door de medeverdachte bestuurde vrachtwagen wegrijdt, gevolgd door de verdachte in zijn bestelbus.
10. Mijns inziens is de klacht tevergeefs voorgesteld. Met de klacht wordt opgekomen tegen gevolgtrekkingen die het hof heeft verbonden aan de door het hof op basis van de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden. Dergelijke gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst. [1] De gevolgtrekkingen zijn echter verre van onbegrijpelijk. Dat wordt niet anders doordat het hof geen feitelijke kenmerken heeft vastgesteld van de persoon die op de camerabeelden wordt gezien, terwijl de verdachte een kenmerkende tatoeage heeft die op de beelden te zien had moeten zijn, zoals in cassatie wordt aangevoerd. [2]
11. Het middel faalt.

Het tweede middel

12. Het tweede middel bevat een klacht over de strafmotivering. Aangevoerd wordt dat het hof niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat een geldboete moet worden opgelegd of in ieder geval dat de door de politierechter opgelegde taakstraf moet worden gematigd. Ter onderbouwing daarvan is gewezen op de waarde van het gestolen oud ijzer en van de container, en op het ontbreken van justitiecontacten tussen de pleegdatum en de terechtzitting in hoger beroep.

De processuele feiten

13. De terechtzitting van het hof overgelegde pleitnota houdt het volgende in:

“Strafmaat

Mogelijk blijft alleen diefstal van oud ijzer over, met waarde van € 300,00
Maar ook waarde van container niet bijster hoog: € 543,00 vergelijkbaar in nieuwstaat
Er is alleen hele oude recidive, waardoor beeld ontstaat dat client geen beroepsboef is! In tegendeel, nadien ook geen justitiecontacten meer;
Client inverzekering gesteld;
Eventueel strafvermindering vanwege onrechtmatige aanhouding en IVS; Primair verzoek geldboete op te leggen vanwege beperkte waarde ijzerdiefstal; Dit ook indien 'slechts' sprake is van medeplichtigheid;
Anders matiging van de opgelegde taakstraf.
14. Het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter houdt het volgende in:

“5 De strafoplegging

De politierechter is van oordeel dat verdachte samen met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van een container met oud ijzer. De politierechter acht de eis van de officier van justitie passend en zal verdachte veroordelen tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.
15. Het arrest van het hof bevat geen (aanvullende) overwegingen over de door het hof bevestigde taakstraf.

Het juridisch kader

16. De klacht stelt de vraag aan de orde of hetgeen ter terechtzitting van het hof is aangevoerd moet worden aangemerkt als een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’, waarop het hof – bij afwijking ervan – gemotiveerd had moeten reageren. In HR 5 juli 2022 worden daaraan hoge eisen gesteld als het standpunt betrekking heeft op de strafmotivering. Nadat de Hoge Raad in dat arrest uiteen heeft gezet dat en waarom hij zich als cassatierechter bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de strafmotivering toereikend is, terughoudend opstelt, overweegt hij het volgende:

Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv Pro past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.
Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.” [3]

De bespreking van het middel

17. Wat de raadsman in de voorliggende zaak ter terechtzitting heeft aangevoerd met betrekking tot de strafmaat heeft het hof kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt maar als een opsomming van factoren die bij de strafoplegging een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot het opleggen van een geldboete of tot het matigen van de door de politierechter opgelegde taakstraf. In het licht van het arrest van arrest 5 juli 2022 vind ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Daarom was het hof niet gehouden tot een nadere motivering van de opgelegde taakstraf.
18. De klacht faalt en daarmee het middel.

Slotsom

19. De in de middelen aangevoerde klachten falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, r.o. 3.3 onder verwijzing naar HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, r.o. 3.3.
2.In de ter terechtzitting overgelegde pleitnota wordt gewezen op een “
3.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, r.o. 3.5.4.