ECLI:NL:PHR:2026:374

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
24/04338
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 279 lid 1 SvArt. 6 lid 3 EVRMArt. 81 lid 1 ROArt. 36a-36n Sv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aanhoudingsverzoek wegens onvoldoende belangenafweging

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf wegens medeplegen van een strafbaar feit, mishandeling en het niet voldoen aan een ambtelijk bevel. Tijdens de behandeling in hoger beroep verscheen de verdachte niet, waarop zijn raadsvrouw een aanhoudingsverzoek indiende vanwege het ontbreken van contact en mogelijke onwetendheid over de zittingsdatum.

Het hof wees het verzoek af, stellende dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend en dat er geen concreet bewijs was dat de verdachte niet in staat was de zitting bij te wonen. Het hof maakte een belangenafweging waarbij het belang van een doeltreffende en spoedige berechting zwaarder woog dan het aanwezigheidsrecht van de verdachte.

De Hoge Raad bevestigt deze afwijzing en benadrukt het toetsingskader voor aanhoudingsverzoeken, waarbij de rechter moet beoordelen of de verdachte daadwerkelijk op de hoogte is van de zitting en vervolgens een belangenafweging moet maken. Het hof heeft volgens de Hoge Raad terecht alle relevante belangen betrokken en voldoende gemotiveerd waarom het verzoek werd afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het aanhoudingsverzoek blijft afgewezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04338
Zitting7 april 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 14 november 2024 (parketnummer 23-000635-24) wegens het in zaak A onder 1 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, in zaak B wegens “mishandeling” en in zaak C wegens “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken met aftrek van voorarrest. Verder is een inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en A.T.C. Castermans en M.G. Cantarella, beiden advocaat in 'sGravenhage, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel komt op tegen de afwijzing van een aanhoudingsverzoek en houdt in dat het hof in onvoldoende mate blijk heeft gegeven van afweging van alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2024 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De verdachte, opgeroepen als
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
adres: [a-straat 1] , [postcode] [plaats] .
is niet verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.T.C. Castermans, advocaat te 's-Gravenhage, die mededeelt dat zij uitdrukkelijk is gemachtigd om als raadsvrouw de verdachte te verdedigen. Zij deelt mee:
Ik heb de inhoudelijke behandeling met de verdachte eerder voorbereid, maar ik weet niet of hij de zittingsdatum heeft onthouden. Ik verzoek u om de zaak aan te houden, omdat het mij deze week niet is gelukt om contact met de verdachte te krijgen. Ik heb hem in september voor het laatst gesproken. De politie heeft mij meegedeeld dat de verdachte niet recent is aangehouden. Ik maak mij zorgen om hem en ben bang dat er iets is gebeurd. Omdat het belangrijk is dat de verdachte de zitting bijwoont, doe ik een beroep op zijn aanwezigheidsrecht. Ik verzoek u om mij nog één kans te geven de verdachte te bereiken.
De advocaat-generaal deelt mee:
De verdachte is niet gedetineerd. Ik verzet mij tegen aanhouding. De verdachte is op de hoogte van de datum van de terechtzitting en hij heeft genoeg tijd gehad om contact op te nemen met zijn raadsvrouw.
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad in raadkamer. Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mee:
De betekening heeft op rechtsgeldige wijze plaatsgevonden en onduidelijk is waarom de verdachte niet ter zitting is verschenen. Bij die stand van zaken dient de rechter bij een beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Een concreet aanknopingspunt dat hij niet in staat is op de zitting aanwezig te zijn, ontbreekt. Het hof weegt de laatste twee belangen onder de gegeven omstandigheden zwaarder en wijst het verzoek tot aanhouding daarom af.”
2.3
In zijn recente uitspraak van 3 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:329 heeft de Hoge Raad nog eens uiteengezet hoe de rechter een aanhoudingsverzoek in een geval als dit moet beoordelen. Dat beoordelingskader luidt als volgt:
“2.3.1 Als de raadsman, zoals in deze zaak, voorafgaand aan de terechtzitting aangeeft dat hij geen contact kan krijgen met de verdachte en dat hij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting, en om die reden een aanhoudingsverzoek doet met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde machtiging, is voor de beoordeling van zo’n verzoek – naast wat daarover is overwogen in onder meer HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737 – het volgende van belang.
2.3.2
De aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte (mogelijk) geen weet heeft van de zitting, kan zonder meer als “niet aannemelijk” worden beoordeeld als de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting in persoon is betekend. Dan kan de rechter het verzoek al op deze grond afwijzen.
2.3.3
Als de dagvaarding of de oproeping niet in persoon is uitgereikt, maar wel op rechtsgeldige wijze – dat wil zeggen: in overeenstemming met de ter zake geldende wettelijke voorschriften (artikel 36a-36n Sv) alsmede de in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking gebrachte regels (vgl. in het bijzonder HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163) – is betekend, kan de rechter dat verzoek niet op die enkele grond afwijzen. Uit zo’n betekening volgt immers niet zonder meer dat de verdachte op de hoogte is van de zitting. In dat geval is een afwijzing van het aanhoudingsverzoek op de grond dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, alleen mogelijk als op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting.
2.3.4
Als niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1158.)
2.3.5
Bij die belangenafweging kan betekenis toekomen aan de omstandigheid dat de dagvaarding of de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep op rechtsgeldige wijze, zij het niet in persoon, is betekend. Zoals tot uitdrukking is gebracht in HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.36-3.37, mag dan immers van de verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman – die uit eigen hoofde een afschrift van de appeldagvaarding ontvangt als hij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Het kennelijk niet treffen door de verdachte van dergelijke in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen kan de rechter in hoger beroep – naast andere factoren die daarvoor van belang kunnen zijn, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak – in de vereiste belangenafweging betrekken. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142.)”
2.4
In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat het hof in zijn belangenafweging enkel oog heeft gehad voor het belang van de maatschappij bij een doeltreffende en spoedige berechting en niet voor de belangen van de verdachte. Dit nu uit de beslissing van het hof niet volgt dat het – in het kader van het aanwezigheidsrecht van de verdachte – aandacht heeft besteed aan hetgeen de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, inhoudende dat zij niet weet of de verdachte de zittingsdatum heeft onthouden, dat zij zich zorgen maakt om de verdachte en bang was dat er iets is gebeurd. Bovendien is de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon betekend. Verder wordt naar voren gebracht dat tussen de rolzitting van het hof op 30 juli 2024 en de inhoudelijke behandeling op 31 oktober 2024 relatief korte tijd zit, zodat niet gezegd kan worden dat van een doeltreffende en spoedige behandeling van de zaak geen sprake is. Tot slot merken de stellers van het middel op dat het belang van een goede organisatie van de rechtspleging geen onderdeel uitmaakt van het toetsingskader van de Hoge Raad.
2.5
Het hof heeft het verzoek tot aanhouding afgewezen. In dat verband heeft het hof vastgesteld dat de betekening op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden en onduidelijk is waarom de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen. Het hof overweegt vervolgens dat het bij die stand van zaken een afweging dient te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Naar het oordeel van het hof ontbreekt een concreet aanknopingspunt dat verdachte niet in staat is op de zitting aanwezig te zijn. Het hof is van oordeel dat de laatste twee genoemde belangen onder de gegeven omstandigheden zwaarder wegen en wijst het aanhoudingsverzoek af.
2.6
Nu de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven dat de verdachte mogelijk geen weet heeft van de zitting en derhalve een aanhoudingsverzoek doet (met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte) en het hof vervolgens heeft overwogen dat onduidelijk is waarom de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is, heeft het hof op zichzelf terecht een belangenafweging gemaakt.
2.7
Die afweging van het hof dient te worden beoordeeld in het licht van hetgeen ten grondslag is gelegd aan het aanhoudingsverzoek. De raadsvrouw heeft bij dat verzoek niet naar voren gebracht dat de verdachte, die zij een maand of langer geleden voor het laatst had gesproken, haar op enig moment duidelijk heeft gemaakt dat hij op de zitting aanwezig wilde zijn. De raadsvrouw noemt het wel zelf belangrijk dat de verdachte de zitting bijwoont, maar geeft daarvoor geen bijzondere reden. [1]
2.8
Bij zijn belangenafweging heeft het hof wel degelijk betrokken dat de raadsvrouw het voor mogelijk houdt dat er wat is gebeurd. Het hof heeft immers overwogen dat een concreet aanknopingspunt ontbreekt dat de verdachte “niet in staat” is op de zitting aanwezig te zijn. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk gegeven de opmerking van de raadsvrouw dat het ook mogelijk is dat de verdachte de zittingsdatum niet heeft onthouden. [2] Deze opmerking kan verder niet anders worden begrepen dan dat de verdachte op enig moment op de hoogte is geweest van de zittingsdatum.
2.9
Dat het hof in de gegeven omstandigheden het belang van de verdachte bij de uitoefening van zijn aanwezigheidsrecht minder zwaar heeft laten wegen dan het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting, acht ik niet onbegrijpelijk. Over het door het hof genoemde belang van een goede organisatie van de rechtspleging merk ik het volgende op.
2.1
Dit belang wordt niet meer expliciet genoemd bij de belangen die blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dienen te worden afgewogen. Het belang van een goede organisatie van de rechtspleging werd door de Hoge Raad voor het laatst genoemd in zijn arrest van 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:779. Daarbij werd verwezen naar HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314. In een arrest van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, werd voor wat betreft de te maken belangenafweging wederom verwezen naar voornoemd arrest uit 1999, maar werd in het kader van de belangenafweging overwogen dat het daarbij gaat “om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en,
kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting” (onderstreping MvW). Hieruit kan naar het mij voorkomt dan ook niet worden afgeleid dat het hof omstandigheden die te scharen zijn onder het belang van een goede organisatie van de rechtspleging niet (meer) mag betrekken bij de belangenafweging, zeker niet als deze omstandigheden ook het belang van de maatschappij raken bij een doeltreffende en spoedige berechting van verdachten.
2.11
Het middel faalt.

3.Afronding

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1073.
2.Vgl. wederom HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1073.