Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Amsterdam van 30 juli 2024, waarin het vonnis van de politierechter van 3 november 2023 grotendeels werd bevestigd. De verdachte werd veroordeeld voor bedreiging met een mes en mishandeling van zijn levensgezel. Naast een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van de benadeelde partij.
De benadeelde partij vorderde een immateriële schadevergoeding van €1.250,- wegens aantasting van haar persoonlijke levenssfeer. De politierechter kende een vergoeding van €500,- toe, met wettelijke rente, en legde een schadevergoedingsmaatregel op. Het hof bevestigde deze beslissing, met uitzondering van een vrijheidsbeperkende maatregel.
In cassatie werd betoogd dat het oordeel over de ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer onvoldoende gemotiveerd was en dat niet was aangetoond dat sprake was van een aantasting in de persoon op andere wijze. De Hoge Raad oordeelde dat de toewijzing niet onbegrijpelijk is, gelet op de bewezen bedreiging met een mes en de aard van de normschending. Een nadere motivering was niet vereist omdat in hoger beroep alleen de hoogte van de vergoeding werd betwist.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd, inclusief de toewijzing van immateriële schadevergoeding.