ECLI:NL:PHR:2026:455

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
25/02196
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 lid 1 BWArt. 2:11 BWArt. 6:74 lid 1 BWArt. 160 GemeentewetArt. 171 lid 1 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige overdracht grond zonder toestemming gemeente

De zaak betreft de verkoop en overdracht van een perceel grond door vennootschap [A] zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente, terwijl dit volgens de koopovereenkomst verplicht was. Hierdoor verbeurde [A] een contractuele boete van €250.000. De koopprijs werd gebruikt om een schuld aan de moedervennootschap [Beheer] af te lossen, waarna [A] werd geliquideerd.

De gemeente stelde [Beheer] en haar bestuurders aansprakelijk wegens onrechtmatig handelen, omdat zij de overdracht en betaling aan zichzelf hadden bewerkstelligd, waardoor de gemeente geen verhaal meer had op de boete. Rechtbank Limburg veroordeelde hen tot betaling van €195.000, het hof verhoogde dit tot €250.000 en bevestigde bestuurdersaansprakelijkheid.

In cassatie betoogden [Beheer] en bestuurders dat zij niet wisten van de vordering van de gemeente, dat er geen sprake was van onrechtmatigheid, en dat de boete gematigd moest worden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de boete niet gematigd kan worden en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de matiging. De aansprakelijkheid van bestuurders blijft in stand, maar de hoogte van de schadevergoeding moet opnieuw worden vastgesteld.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst terug voor nadere beoordeling matiging contractuele boete en schadevergoeding, bevestigt bestuurdersaansprakelijkheid.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02196
Zitting8 mei 2026
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak

1.[A] Beheer B.V.(hierna: ‘ [Beheer] ’)

2.
[eiser 2](hierna: ‘ [eiser 2] ’)
3.
[eiser 3](hierna: ‘ [eiser 3] ’)
4.
[eiser 4](hierna: ‘ [eiser 4] ’)
tegen
Gemeente Peel en Maas(hierna: ‘de Gemeente’)
In deze zaak heeft [A] B.V. (hierna: ‘ [A] ’) een perceel verkocht en geleverd aan een derde. Zij mocht op grond van een overeenkomst met de Gemeente alleen na voorafgaande toestemming overdragen en heeft omdat die toestemming ontbrak een boete verbeurd van € 250.000. Met de koopprijs heeft [A] haar schuldeiser (tevens bestuurder) [Beheer] voldaan. Op dezelfde dag is [A] geliquideerd.
In deze bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure zijn de (middellijke) bestuurders van [A] door de Gemeente aangesproken tot betaling van € 250.000. Het hof heeft deze vordering toegewezen. In cassatie komen de (middellijke) bestuurders op tegen het onrechtmatigheidsoordeel van het hof, tegen het oordeel over de hoogte van de schade en het causaal verband en tegen het oordeel dat de boete niet kan worden gematigd.

1.Feiten

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1]
1.2
[Beheer] stond bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als zelfstandig bevoegd bestuurder van [A] . [2] [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] (hierna gedrieën: ‘de bestuurders’) zijn middellijk bestuurders van [Beheer] .
1.3
Binnen de Gemeente is [de locatie] (hierna: [de locatie] ) gelegen. Het terrein van [de locatie] – opgedeeld in drie percelen [3] – was eigendom van de Gemeente en is gelegen aan de [a-straat 1] tot en met [a-straat 3a] te [plaats 1] . Op [de locatie] bevonden zich het oude schoolgebouw (hierna: ‘het schoolgebouw’) ( [a-straat 3] ), een bijgebouw (nummer [a-straat 3a] ) en een oude meesterswoning (hierna: ‘de meesterswoning’) ( [a-straat 1] ).
1.4
Tussen de Gemeente en [A] is op 31 december 2011 een koopovereenkomst [4] (hierna: ‘de koopovereenkomst’) gesloten ter zake van [de locatie] met, voor zover relevant, de volgende bepalingen:
“(…)
artikel 7. Bebouwing
7.1
Koper zal op de onroerende zaak de volgende bebouwing realiseren voor de doelgroep jongeren (geboortejaar 1981 of later):
a.
12 nieuwbouw starterswoningen op het achterterrein voor maximaal € 110.000 vrij op naam conform de bebouwingsvisie in bijlage II.
b.
6 startersappartementen in het voormalige schoolgebouw voor maximaal € 110.000, casco, kosten koper conform de bebouwingsvisie In bijlage II.
met de daarbij behorende:
c.
parkeer-, groen en infiltratievoorzieningen.
d.
met de insteek cradle-to-cradle, overeenkomstig het ingediende plan bij de prijsvraag.
(…)
7.3
Binnen twee jaar na datum van het ondertekenen van de notariële akte moet de op de onroerende zaak te stichten bebouwing voltooid en gebruiksklaar zijn; Indien daartoe aanleiding bestaat, kan deze termijn op verzoek van de koper door het college van burgemeester en wethouders met maximaal een jaar worden verlengd.
7.4
Indien na verloop van de in lid 3 genoemde termijn de bebouwing nog niet is aangevangen is koper aan gemeente een schadevergoeding verschuldigd ter grootte van 10% van de koopprijs en heeft gemeente het recht de ontbinding van de koopovereenkomst te vorderen. De kosten van teruglevering zijn in dat geval voor rekening van koper, zodat gemeente vrij op naam krijgt teruggeleverd.
(…)
artikel 13 Verbod Pro overdracht contractspositie
13.1
Het is koper niet toegestaan om rechten en/of verplichtingen die zij op grond van deze koopovereenkomst heeft, over te dragen aan derden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente. Aan een dergelijke toestemming kan de gemeente voorwaarden verbinden ter verzekering van de nakoming van deze koop- en samenwerkingsovereenkomst. Hieronder valt niet de juridische levering aan de kopers van een individuele woning c.q. appartement of de overdracht van bouwblokken c.q. planonderdelen aan een belegger. Beide overdrachten kunnen desgewenst middels een ABC akte al dan niet na splitsing door de gemeente in appartementsrechten op kosten van koper, plaatsvinden.
13.2
Bij overtreding van het in lid 1 bepaalde, verbeurt de overtredende partij jegens de gemeente een zonder rechterlijke tussenkomst of ingebrekestelling direct opeisbare en niet voor rechte[r]
lijke matiging vatbare boete van € 250.000,-- (zegge: tweehonderd vijftig duizend euro).
(…)
artikel 15 Onvoorziene Pro omstandigheden
15.1
Indien de omstandigheden waaronder de onderhavige overeenkomst is gesloten zodanige herzieningen ondergaan, dat van partijen of één van de partijen in redelijkheid niet meer gevergd kan worden dat de onderhavige overeenkomst ongewijzigd geheel of gedeeltelijk wordt nagekomen of kan worden nagekomen, heeft de meest gerede partij het recht van de andere partij te verlangen dat partijen een ontbindingsovereenkomst sluiten.
15.2
Indien partijen niet tot overeenstemming komen is de geschillenregeling zoals bedoeld in artikel 19 van Pro overeenkomstige toepassing.
15.3
Onder onvoorziene omstandigheden in de zin van dit artikel wordt mede verstaan:
o
de onmogelijkheid om de ter zake van de uitvoering van wezenlijke delen van het Plan benodigde vergunningen van hogere overheden te verkrijgen;
o
het wegvallen van de haalbaarheid van de ontwikkeling, hetgeen door koper moet worden aangetoond,
o
hetgeen in deze overeenkomst is overeengekomen laat onverlet dat de gemeente als gevolg van haar publiekrechtelijke bevoegdheden en verplichtingen, bijvoorbeeld door ingediende zienswijzen ex artikel 4 lid Pro 2, tot gewijzigde inzichten kan komen met als gevolg herziening in of weigering van de door koper verzochte planologische maatregel.
Partijen treden met elkaar in overleg indien blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet of slechts gedeeltelijk kan worden gerealiseerd.
(…)
artikel 20 Einde Pro van de overeenkomst
De onderhavige overeenkomst eindigt op het moment dat aan alle verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst is voldaan.
(…).”
1.5
Op 9 november 2012 heeft de juridische levering van [de locatie] aan [A] plaatsgevonden. [5]
1.6
Bij akte van 2 februari 2016 [6] heeft [A] het gedeelte van [de locatie] waarop het schoolgebouw is gelegen overgedragen aan een derde. Hiervoor had [A] schriftelijke toestemming van de Gemeente. [7]
1.7
Bij akte van 31 juli 2017 [8] heeft [A] de meesterswoning overgedragen aan particulieren met schriftelijke toestemming van de Gemeente. De kopers van de meesterswoning hebben nadien zelf de renovatie van de meesterswoning ter hand genomen.
1.8
Eind 2017 of begin 2018 is [betrokkene 1] [9] van HMH Ontwikkeling B.V. (hierna: ‘HMH’) in contact gekomen met [eiser 4] . Hij heeft toen het initiatief genomen om het restant van de grond van [A] te kopen.
1.9
Bij brief van 20 februari 2018 [10] heeft [A] de Gemeente bericht als volgt:
“(…)
Betreft: wijziging overeenkomst 2011 ontwikkeling [de locatie] tussen de gemeente en [A] BV te [plaats 2]
Geacht college van Burgemeester en Wethouders,
In 2011 hebben de Gemeente Peel en Maas en [A] BV een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de [de locatie] . Op 9 november 2012 zijn de gronden in eigendom gekomen van [A] BV.
De overeenkomst is gebaseerd op de prijsvraag die [A] BV destijds heeft gewonnen.
Na enkele jaren het oorspronkelijk plan zonder succes in de verkoop te hebben gehad, is in onderling overleg met Gemeente geconcludeerd dat het huidige plan niet levensvatbaar is.
Derhalve is vanaf 2014 veelvuldig overleg met u als Gemeente gevoerd om tot een alternatief plan te komen, wat ook financieel haalbaar is. Met instemming van u als Gemeente zijn het schoolgebouw en de andere woning inmiddels verkocht (in 2015 resp. in 2017) en resteert nu nog ongeveer 1.330m2 bouwgrond.
Een lokale ondernemer ziet kans om nieuwbouwwoningen te realiseren op de bouwgrond en heeft [A] BV verzocht of zij bereid is de (overgebleven) grond aan haar te verkopen.
[A] BV is bereid deze grond aan de ondernemer te verkopen mits de Gemeente bereid is toestemming te geven voor de overdracht ingevolge artikel 13.1 van de koopovereenkomst. Daarnaast verzoek ik de Gemeente om te bevestigen dat de nieuwe eigenaar niet zal worden belast met de bepalingen zoals opgenomen in artikelen 7.4, 7.5 en 7.6 van de koopovereenkomst.
Ik verneem graag of u met bovenstaande kunt instemmen en medewerking verleent aan de verdere uitwerking/verkoop van de bouwgrond.
Met vriendelijke groet,
[eiser 4]
Namens [A] BV
1.1
Op 27 maart 2018 [11] heeft [betrokkene 3] , Adviseur Omgevingsontwikkeling bij de Gemeente aan [betrokkene 1] van HMH bericht:
“(…)
Zoals gezegd heeft [betrokkene 2] aan de huidige eigenaar van de [de locatie] gevraagd om een gesprek te arrangeren n.a.v. het ingediende verzoek om doorverkoop.(…)
Ik ga er van uit dat u daar als koper van het perceel ook bij aanwezig bent. In dit gesprek zullen alle aspecten m.b.t. de [de locatie] aan de orde komen. Bij dit gesprek zal [betrokkene 2] als projectleider van de [de locatie] ook aanwezig zijn.(…)”
1.11
Op 16 april 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de Gemeente, [eiser 4] en HMH. Tijdens dit gesprek is gesproken over de verkoop van het restant van de grond door [A] aan HMH.
1.12
Bij e-mail van 5 juli 2018 [12] heeft [eiser 4] namens [A] de voorgenomen verkoop en overdracht van het restant van [de locatie] aan HMH in de volgende bewoordingen aan de Gemeente voorgelegd:

Geachte [betrokkene 2]
We hebben op 16 april jl een gesprek gehad bij u op het gemeentehuis m.b.t. de voorgenomen verkoop van de gronden aan de Burgemeester Engelsstraat/’t Strotje in [plaats 1] aan [betrokkene 1]dan wel een door hem aan te wijzen nader te noemen meester
Onderling is daar overeenstemming bereikt
We hebben aan u als Gemeente verzocht of er van uw kant bezw[a]
ren cq. voorwaarden zijn aan deze verkoop.
U zou daar op korte termijn bij mij op terugkomen
Aangezien wij niets meer van u hebben vernomen(…) [en er]
inmiddels een aantal positieve gesprekken hebben plaatsgehad tussen koper en de Gemeente, ga ik er van uit dat er van u[w]
kant geen voorwaarden/problemen zijn
Mocht het anders zijn, verneem ik graag(…) [per]
omgaande van u
Ik dank u alvast voor de genomen moeite
(…)”
1.13
Bij leveringsakte van 23 november 2018 [13] heeft [A] het restant – te weten het perceel kadastraal bekend [gemeente] , [sectie] , nummer [001] (hierna: ‘het perceel’) – overgedragen aan HMH. De koopprijs bedroeg € 235.950 inclusief btw. Voor deze overdracht heeft de Gemeente geen schriftelijke toestemming gegeven.
1.14
[A] is direct na de overdracht van 23 november 2018 ontbonden. De liquidatie van [A] is op 28 november 2018 beëindigd wegens het ontbreken van bekende baten. Per 17 december 2018 is [A] uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.
1.15
De door [A] voor het perceel ontvangen koopprijs is ten goede gekomen aan [Beheer] . [14]

2.Procesverloop

In eerste aanleg

2.1
In eerste aanleg heeft de Gemeente gevorderd, kort gezegd, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [Beheer] en de bestuurders hoofdelijk uit hoofde van onrechtmatige daad te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan de Gemeente van € 250.000, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
2. [Beheer] en de bestuurders hoofdelijk in de kosten van het geding te veroordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
3. [Beheer] en de bestuurders hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.
2.2
Aan haar vordering heeft de Gemeente, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [Beheer] jegens de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij, vertegenwoordigd door haar bestuurders, actief heeft bewerkstelligd dat [A] haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen, waardoor [Beheer] de Gemeente schade heeft berokkend. Op grond van art. 2:11 BW Pro zijn ook de bestuurders van [Beheer] aansprakelijk. De schade is € 250.000, een bedrag gelijk aan de contractuele boete die [A] volgens de Gemeente aan haar verschuldigd is. [15]
2.3
Na een mondelinge behandeling op 23 november 2021 heeft de rechtbank bij vonnis van 19 januari 2022 [16] (hierna: ‘het vonnis’) onder meer als volgt geoordeeld: [17]
- vast staat dat [A] de op grond van artikel 13 van Pro de koopovereenkomst vereiste schriftelijke toestemming van de Gemeente voor de overdracht aan HMH van het restant van [de locatie] niet heeft. Door de – ongeoorloofde – overdracht aan HMH is de contractuele boete verbeurd. Die boete is niet voldaan zodat geen sprake is van een situatie waarin aan alle verplichtingen uit de koopovereenkomst is voldaan. Daarmee is ook geen sprake van het eindigen van de koopovereenkomst. Dat betekent dat de Gemeente een vordering had op [A] van € 250.000 (rov. 4.3.2.);
- tussen partijen is niet in geschil dat [A] direct na de overdracht van het perceel aan HMH en de ontvangst van de koopsom met betrekking tot het perceel is ontbonden (rov. 4.3.4.);
- de verkoopopbrengst is kennelijk aangewend om een betaling te verrichten aan [Beheer] , de bestuurder van [A] . Deze betaling was onverschuldigd. Door deze betaling heeft [Beheer] bewerkstelligd dat de Gemeente voor de boete geen verhaal meer kon nemen op de verkoopopbrengst. Gelet daarop is [Beheer] aansprakelijk voor de schade die de Gemeente daardoor heeft geleden (rov. 4.3.7.);
- het enkel verbeurd (doen) raken van de contractuele boete brengt geen bestuurdersaansprakelijkheid mee. Aan het verbeuren van die boete is een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst voorafgegaan, bestaande uit het zonder schriftelijke toestemming overdragen van het perceel aan HMH. Dat [Beheer] op het moment dat zij tot die overdracht besloot wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat voor de als gevolg daarvan te verbeuren contractuele boete voor de Gemeente geen verhaal mogelijk zou zijn is gesteld noch gebleken. Tegenover de overdracht stond immers een significante opbrengst. De onrechtmatigheid zit in het frustreren van verhaal door ontbinding van [A] direct na ontvangst van de verkoopopbrengst en het aanwenden van de verkoopopbrengst om [Beheer] onverschuldigd te betalen (rov. 4.3.9.);
- de schade bedraagt geen € 250.000, maar € 195.000. De netto verkoopopbrengst (na afdracht van btw) bedroeg € 195.000. Dit bedrag had [A] aan de Gemeente kunnen en moeten voldoen en van overige verhaalsmogelijkheden voor de Gemeente is niet gebleken (rov. 4.3.11.);
- nu er geen sprake is van een situatie dat de billijkheid dit klaarblijkelijk eist ziet de rechtbank geen reden om over te gaan tot matiging van de boete. Dat de Gemeente aanvankelijk een fors hogere koopprijs voor de door haar aan [A] geleverde percelen wenste te ontvangen dan de prijs die later in de koopovereenkomst met [A] is overeengekomen, is tussen partijen niet in geschil. Niet is betwist dat [Beheer] door haar handelen het recht van de Gemeente op realisatie van twaalf circulair gebouwde jongerenwoningen, althans de afdwingbare verplichting van de eigenaar van [de locatie] daartoe, teniet heeft gedaan. De Gemeente en HMH hadden op het moment van overdracht van het perceel door [A] aan HMH nog geen overeenstemming bereikt over het (eventueel) door HMH te realiseren project. Het verweer van [Beheer] en de bestuurders dat tussen de Gemeente en HMH op het moment van overdracht al overeenstemming was bereikt is namelijk onvoldoende onderbouwd en door de Gemeente gemotiveerd betwist. De rechtbank kan niet uitgaan van de juistheid van de stelling van [Beheer] en de bestuurders dat het project dat HMH thans realiseert ‘sterk vergelijkbaar is en voldoet aan de plannen van de Gemeente’, nog daargelaten dat realisatie van een ‘sterk vergelijkbaar project’ ook afdoet aan de belangen van de Gemeente om precies het project te laten realiseren dat haar voor ogen stond en niet slechts iets dat daarbij in de buurt komt. Een boete in de orde van grootte van € 250.000 leidt tegenover het voorgaande niet tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat (rov. 4.3.12.);
- het contractuele boetebeding is een prikkel tot nakoming en heeft geen schade-fixerende functie, zodat toepassing van het beroep van [Beheer] en de bestuurders op de schadebeperkingsplicht en eigen schuld van de Gemeente niet aan de orde is. [Beheer] en de bestuurders hebben als (middellijk) bestuurders van [A] bewust gekozen om over te gaan tot overdracht van het perceel aan HMH en niet gekozen voor andere contractuele of wettelijke mogelijkheden om geheel of gedeeltelijk onder hun verplichtingen jegens de Gemeente uit te komen, zodat een beroep op onvoorziene omstandigheden in het kader van deze procedure niet kan slagen (rov. 4.3.13.);
- de boetebepaling bepaalt niet dat de contractuele boete slechts (geheel) wordt verbeurd indien aan alle verplichtingen uit de koopovereenkomst niet wordt voldaan. De rechtbank ziet daarom geen reden om te oordelen dat de boete slechts voor 1/3e deel is verbeurd, omdat voor de overdracht van de andere twee percelen door de Gemeente wel toestemming is verleend (rov. 4.3.14.).
2.4
De rechtbank heeft [Beheer] en de bestuurders, kort gezegd, hoofdelijk veroordeeld om aan de Gemeente een bedrag van € 195.000, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 19 januari 2022 tot de dag van volledige betaling daarover, te betalen en [Beheer] en de bestuurders hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld. [18]
Het voorlopige getuigenverhoor
2.5
Bij beschikking van 18 augustus 2022 heeft het hof het verzoek van [Beheer] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de in die beschikking genoemde getuigen (onder meer de bestuurders, enkele medewerkers van de Gemeente, enkele medewerkers van HMH en twee accountants) toegewezen. [19] De voorlopige getuigenverhoren zijn gehouden op 19 januari 2023, 20 januari 2023 en op 26 januari 2023. [20]
In hoger beroep
2.6
[Beheer] en de bestuurders hebben in hoger beroep vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijkverklaring van de Gemeente in al haar vorderingen, althans tot afwijzing hiervan. [21]
2.7
Bij memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep heeft de Gemeente in incidenteel hoger beroep één grief gericht tegen het vonnis waarvan beroep en in principaal en incidenteel hoger beroep geconcludeerd om, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [Beheer] en de bestuurders niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep, althans hun vorderingen in principaal hoger beroep te ontzeggen, respectievelijk het vonnis voor zover bestreden met de grief van de Gemeente in incidenteel hoger beroep te vernietigen en dat vonnis voor het overige te bekrachtigen. [22]
2.8
De Gemeente heeft voorts, kort gezegd, geconcludeerd tot hoofdelijke veroordeling van [Beheer] en de bestuurders in de proceskosten, inclusief de aan het voorlopig getuigenverhoor verbonden kosten (deze kosten nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet), te vermeerderen met de wettelijke rente. [23]
2.9
Bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep hebben [Beheer] en de bestuurders ertoe geconcludeerd bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente niet ontvankelijk te verklaren in het incidenteel hoger beroep, althans de grief van de Gemeente in incidenteel hoger beroep af te wijzen en, kort gezegd, het vonnis waarvan beroep uitsluitend voor het betreffende gedeelte te bekrachtigen behoudens voor zover dit door [Beheer] en de bestuurders in principaal hoger beroep is bestreden, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten (inclusief de kosten van het voorlopig getuigenverhoor). [24]
2.1
Bij het bestreden arrest van 18 maart 2025 heeft het hof ’s-Hertogenbosch – voor zover in cassatie van belang – het vonnis vernietigd voor zover [Beheer] en de bestuurders daarin hoofdelijk waren veroordeeld tot betaling van € 195.000 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 19 januari 2022 tot de dag van volledige betaling, en opnieuw rechtdoende [Beheer] en de bestuurders hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de Gemeente van een bedrag van € 250.000 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 19 januari 2022 tot de dag van volledige betaling. Voor het overige heeft het hof het vonnis bekrachtigd. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.11
Voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe als volgt overwogen.
2.12
In rov. 9.8.1-9.8.2 heeft het hof grief 1 weergegeven en verworpen. In rov. 9.8.3-9.8.4.6 heeft het hof grief 2 weergegeven en verworpen. Tegen deze rechtsoverwegingen zijn in cassatie geen klachten gericht, zodat ik met een korte weergave kan volstaan.
2.13
Grieven 1 en 2 hadden de strekking dat de rechtbank had nagelaten te onderzoeken of [A] de contractuele boete heeft verbeurd en onvoldoende acht had geslagen op in het bijzonder de weren die [A] zouden toekomen als zij nog bestond (rov. 9.8.1). Het hof heeft enkele van deze verweren alsnog besproken en verworpen. Het beroep op matiging van de boete, eigen schuld van de Gemeente en afwezigheid van schade geleden door de Gemeente heeft het hof behandeld samen met grief 4 (rov. 9.8.2), waarover randnummer 2.18 en volgende hierna.
2.14
In cassatie is slechts van belang dat [Beheer] en de bestuurders (in het kader van grief 2) onder meer hebben betoogd dat [A] erop mocht vertrouwen dat de Gemeente geen bezwaar had tegen de overdracht van het perceel aan HMH. Ten aanzien van dit betoog heeft het hof voor zover in cassatie van belang als volgt geoordeeld:
“9.8.4.2 Ten aanzien van het verdere betoog van [Beheer] B.V. c.s. dat [A] er op mocht vertrouwen dat de gemeente geen bezwaar had tegen de overdracht van het perceel door [A] aan HMH oordeelt het hof als volgt. De omstandigheid dat nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst niet mogelijk was en de gemeente niet op het verzoek van [A] van februari 2018 en de herinneringen daartoe van 16 april 2018 en 5 juli 2018 om toestemming tot overdracht van het perceel aan HMH heeft gereageerd, betekent niet – ook niet in het licht dat de gemeente geen goedkeuring verleende voor aangeboden herziene bouwplannen van [A] , de oorspronkelijke planopzet met instemming van de gemeente was verlaten, de gemeente met de verkoop van de andere twee percelen had ingestemd en de omstandigheid dat de gemeente onderhandelingen voerde met HMH – dat [A] er op mocht vertrouwen dat de gemeente geen bezwaar had tegen overdracht van het perceel aan HMH. Dat [A] er op mocht vertrouwen dat toestemming voor de overdracht, was verleend door de daartoe bij de gemeente bevoegde(n) is gesteld noch gebleken. Tussen partijen is niet in geschil dat voor toestemming tot de overdracht van het perceel aan HMH een collegebesluit is vereist (artikel 160 gemeentewet Pro), terwijl volgens artikel 171 lid 1 gemeentewet Pro de burgemeester de gemeente in en buiten rechte vertegenwoordigt en volgens artikel 171 lid 2 van Pro die wet de burgemeester die vertegenwoordigingsbevoegdheid kan opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon. Dat het gestelde vertrouwen dat toestemming voor de overdracht bestond door een tot genoemde kring behorende is gewekt, is gesteld noch gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat tot die kring behorende(n) schijn van bevoegdheid van een ander bij de gemeente werkzame persoon hebben gewekt. Voor zover [Beheer] B.V. c.s. heeft beoogd te stellen dat het uitblijven van een reactie op het verzoeken om toestemming voor risico van de gemeente dient te komen in die zin dat daarmee toestemming tot overdracht van het perceel door de gemeente is verleend, gaat dat betoog niet op. Dat is nagelaten door een tot voornoemde kring behorende of nalaten door deze had kunnen worden voorkomen is niet gesteld of gebleken. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat [A] mocht vertrouwen dat de gemeente geen bezwaar had tegen de overdracht van het resterende perceel door haar aan HMH en kan, anders dan [Beheer] B.V. c.s. heeft betoogd, niet worden geoordeeld dat geen sprake was van een aan [A] toerekenbare tekortkoming. Daar komt bij dat [A] en HMH, zonder de gemeente daarover in te lichten, reeds op 9 maart 2018 een koopovereenkomst sloten. [A] heeft de gemeente hiervan ook niet op de hoogte gebracht tijdens het overleg van 16 april 2018. Ook in dit licht bezien, heeft [Beheer] B.V. c.s., tegenover de gemotiveerde betwisting door de gemeente, het door haar gestelde vertrouwen op instemming met overdracht van het perceel door [A] aan HMH onvoldoende onderbouwd. Van de overdracht per 23 november 2018 ter naleving van de koopovereenkomst bleek de gemeente pas naderhand, toen zij in verband met het opstellen van de anterieure overeenkomst met HMH het kadaster raadpleegde. Zij werd hierdoor verrast. [A] is tekort geschoten in de nakoming van de tussen haar en de gemeente gesloten koopovereenkomst door het perceel zonder toestemming van de gemeente over te dragen.”
2.15
Het voorgaande betekent volgens het hof dat het betoog van [Beheer] en de bestuurders dat het, gelet op de door hen genoemde omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Gemeente een beroep doet op het ontbreken van schriftelijke toestemming evenmin opgaat (rov. 9.8.4.3).
2.16
Vervolgens is het hof in rov. 9.8.5-9.8.6 toegekomen aan de weergave (rov. 9.8.5) en bespreking (rov. 9.8.6) van grief 3. Met grief 3 hebben [Beheer] en de bestuurders betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het in de gegeven omstandigheden onrechtmatig was om de koopopbrengst van het perceel te gebruiken om de volgens hen wel bestaande schuld (van [A] ) aan [Beheer] af te lossen en [A] daarna te ontbinden. Volgens [Beheer] en de bestuurders was er geen sprake van een onverschuldigde betaling van [A] aan [Beheer] . Daarnaast hebben zij aangevoerd dat zij op het moment dat [A] werd ontbonden nog niet wisten en ook niet behoefden te weten dat de Gemeente een vordering zou instellen.
2.17
Het hof heeft deze grief in rov. 9.8.6 verworpen. Het heeft kennelijk wel aangenomen dat er een rechtsgrond voor de betaling van [A] aan [Beheer] bestond. Het hof heeft onder verwijzing naar zijn bespreking van grief 2 geoordeeld dat [Beheer] en de bestuurders rekening moesten houden met een vordering van de Gemeente op [A] :
“9.8.6 Het hof passeert het betoog van [Beheer] B.V. c.s. dat zij geen rekening hoefde te houden met een vordering, naar het hof begrijpt de contractuele boete van € 250.000,--, van de gemeente op [A] . Ten aanzien van grief 2 heeft het hof al geoordeeld dat zij er niet op mocht vertrouwen dat de gemeente toestemming voor de overdracht van het perceel aan HMH had verleend. Dat betekent dat [Beheer] c.s. wel rekening met genoemde vordering van de gemeente behoorde te houden.
Geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat [A] direct na de overdracht van het perceel aan HMH en de ontvangst van de koopsom met betrekking tot het perceel is ontbonden (rechtsoverweging 4.3.4.). De overdracht van het perceel heeft plaatsgevonden op 23 november 2018 en op die datum is ook [A] ontbonden, dat betekent, gelet op voornoemd oordeel van de rechtbank, dat de koopsom op of kort voor die datum is ontvangen. De factuur van de koopsom van € 235.950,-- is van 12 november 2018. [A] stond, naar eigen zeggen, in de periode april – november 2018 in het rood. Op 31 december 2017, dus vóór de ontvangst van de koopsom, was het eigen vermogen € 130.252,-- negatief en op 28 november 2018, na aflossing van de schuld aan [Beheer] B.V., € 60.770,-- negatief. Gelet op deze vermogensstand en de omstandigheid dat [A] geen activiteiten meer ontplooide, had [Beheer] B.V. er op bedacht moeten zijn dat voor de gemeente geen verhaal meer mogelijk was.
Ook indien er vanuit zou moeten worden gegaan dat sprake was van een opeisbare schuld van [Beheer] B.V. had [Beheer] B.V. in de situatie dat [A] werd ontbonden, althans had besloten haar activiteiten te beëindigen en zij niet over voldoende middelen beschikte om ook de gemeente te voldoen deze betaling niet mogen doen, vgl. Hoge Raad 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669[ [25] ]. Door dit wel te doen valt aan haar een voldoende ernstig verwijt te maken. Dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de aflossing van de schuld van [Beheer] B.V. rechtvaardigen kan gelet op hetgeen [Beheer] B.V. c.s. heeft aangevoerd niet worden geoordeeld.
Grief 3 faalt.”
2.18
Daarna heeft het hof in rov. 9.8.7-9.8.14 grief 4 weergegeven en besproken. Met grief 4 is, zo blijkt uit de weergave in rov. 9.8.7 van het bestreden arrest, kort gezegd betoogd dat de Gemeente geen schade heeft geleden, omdat [Beheer] ook als [A] niet zou zijn ontbonden aanspraak zou hebben gemaakt op de verkoopopbrengst van het perceel en de schuld van [A] aan [Beheer] zou zijn afgelost. Daarnaast zou volgens [Beheer] en de bestuurders uit een collegebesluit van 19 april 2020 blijken dat de Gemeente € 400.000 winst heeft gemaakt. Ook indien [A] nog zou hebben bestaan op het moment dat de Gemeente haar aansprakelijk stelde is het maar zeer de vraag of de Gemeente betaling zou hebben ontvangen. [A] zou zich tegen de aanspraak op de boete hebben geweerd en zij zou onvoldoende vermogen hebben gehad om [Beheer] en de Gemeente te betalen.
2.19
Het hof heeft in rov. 9.8.8 het betoog dat de Gemeente geen schade heeft geleden, verworpen. Volgens het hof heeft de Gemeente voldoende onderbouwd dat haar schade bestaat uit het niet meer kunnen verhalen van de boete van € 250.000:
“9.8.8 Het hof passeert het betoog dat de gemeente geen schade heeft geleden. Het betoog van [Beheer] B.V. c.s. dat de feitelijke situatie, waarin [A] is geliquideerd, niet anders is dan de hypothetische situatie waarin [A] niet zou zijn ontbonden, maakt niet dat de gemeente geen schade heeft geleden. Het gaat er om dat door betaling aan [Beheer] geen verhaal meer voor de gemeente bestaat. Het hof gaat daar hierna onder 9.8.10 nader op in.
De gemeente heeft haar schade aldus onderbouwd dat deze bestaat uit het niet meer kunnen verhalen van de boete van € 250.000,-- en dat dit boetebedrag in de koopovereenkomst was opgenomen, omdat in de prijsvraag van 2010 voor herontwikkeling van [de locatie] een lagere verkoopprijs voor de grond was bedongen, te weten € 455.000,-- in plaats van de getaxeerde verkoopprijs € 757.000,--. Ter zitting in hoger beroep is door de gemeente nader toegelicht dat het bedrag van het boetebeding is om dit verschil te ondervangen.
In het licht van de onderbouwing van haar schade door de gemeente gaat het betoog van [Beheer] B.V. c.s. dat de gemeente geen schade heeft geleden, omdat blijkens het collegebesluit 19 april 2010 een winst van € 400.000,-- zou zijn gemaakt niet op. Het collegebesluit, dat ziet op de concept koopovereenkomst met [A] , noemt een winst van € 400.000,-- door verkoop van de grond voor € 455.000,-- aan Milba B.V. (de winnaar van de prijsvraag) ten opzichte van boekwaarde van € 0,-- van de grond en andere kosten van de gemeente. Dat de gemeente gelet op genoemde verkoopprijs, waarbij geldt dat de grond door de gemeente voor hetzelfde bedrag aan [A] is verkocht, en de getaxeerde verkoopprijs (€ 757.000,--) schade heeft geleden is door [Beheer] B.V. c.s. onvoldoende betwist.
Dat het contractuele boetebeding, zoals de rechtbank heeft geoordeeld een prikkel tot nakoming betreft en geen schade fixerende functie heeft, waar tegen geen grief is gericht, maakt niet dat de gemeente met het voorgaande haar schade niet heeft onderbouwd.”
2.2
In rov. 9.8.9-9.8.10 is het hof ingegaan op het betoog dat er geen sprake zou zijn van causaal verband tussen de verweten handeling van [Beheer] en de bestuurders en de door de Gemeente gestelde schade. Het hof heeft dit betoog in rov. 9.8.10 verworpen omdat [A] haar schuld aan [Beheer] niet zonder rechtvaardigingsgrond had mogen aflossen. Nu dit wel is gebeurd bestaat volgens het hof wel een causaal verband tussen het handelen van [Beheer] en de schade van de Gemeente, die bestaat in het niet hebben van verhaal:
“9.8.9 Met grief 4 betoogt [Beheer] B.V. c.s. dat er geen causaal verband is tussen de verweten handeling en de gestelde schade. Volgens [Beheer] B.V. c.s. is de gemeente door de liquidatie niet in haar verhaalsmogelijkheden gefrustreerd, omdat [A] ook indien zij nog zou bestaan geen verhaal had kunnen bieden aan de gemeente. De baten zouden nooit voldoende zijn geweest om de vordering van [Beheer] B.V. en de gemeente te voldoen. Verder zou in het geval dat de schuld aan [Beheer] B.V. niet zou zijn afgelost onzeker zijn of de gemeente betaling van [A] zou hebben ontvangen. Gelet op de vordering van [Beheer] B.V. en de slechte financiële positie van [A] , zou aannemelijk zijn dat [A] haar eigen faillissement had moeten aanvragen. Het is allerminst zeker dat de gemeente dan enige betaling zou ontvangen, aldus nog steeds [Beheer] B.V. c.s.
9.8.10
Het hof passeert het betoog van [Beheer] B.V. c.s. dat geen sprake is van causaal verband. Ook indien geen sprake zou zijn van liquidatie had [A] haar schuld aan [Beheer] B.V., gelet op de omstandigheid dat haar activiteiten waren beëindigd niet zonder rechtvaardigingsgrond, mogen aflossen. Nu dit wel is gebeurd bestaat causaal verband tussen het handelen van [Beheer] B.V. en de schade van de gemeente, te weten het niet hebben van verhaal. Gelet op het, zoals het hof hierna zal oordelen, slagen van de grief van de gemeente in incidenteel hoger beroep, is het hof van oordeel dat niet slechts causaal verband bestaat met het schadebedrag van € 195.000,-- als impliciet door de rechtbank geoordeeld, maar dat causaal verband bestaat tussen het handelen van [Beheer] B.V. c.s. en de door de gemeente gestelde schade van € 250.000,--. Het hof verwijst naar hetgeen is geoordeeld in rechtsoverweging 9.9.3.”
2.21
In rov. 9.8.11-9.8.12 is het hof ingegaan op het betoog dat [A] de boete niet heeft verbeurd omdat sprake is van eigen schuld van de Gemeente. In rov. 9.8.12 heeft het hof dit betoog verworpen omdat het onvoldoende is onderbouwd:
“9.8.11 [Beheer] B.V. c.s. heeft met grief 4 verder aangevoerd dat [A] de boete niet zou hebben verbeurd omdat sprake is van eigen schuld van de gemeente. De gemeente heeft nagelaten om op het verzoek en de herinneringen van [A] te reageren, dat kan de gemeente worden toegerekend. De gemeente had indien zij bezwaren had tegen de overdracht van het perceel aan HMH moeten reageren. Zij had dat in februari 2018 na het verzoek van [A] of april 2018 na de mondelinge herinnering dan wel in juli 2018 na de schriftelijke herinnering van [A] kenbaar kunnen en moeten maken, maar de gemeente heeft nooit enig bezwaar geuit. Voorts zou [A] er met de gemeente uitgekomen zijn indien de gemeente zich jegens haar hetzelfde had opgesteld als jegens HMH.
9.8.12
Onder verwijzing naar hetgeen het hof ten aanzien van grief 2 heeft geoordeeld, oordeelt het hof dat door [Beheer] B.V. c.s. niet voldoende is onderbouwd dat sprake is van eigen schuld van de gemeente. Door [Beheer] B.V. c.s. is onvoldoende onderbouwd dat [A] mocht vertrouwen dat de gemeente geen bezwaar had tegen de overdracht van het resterende perceel door haar aan HMH. Gelet op de koopovereenkomst van 31 december 2011 wist of behoorde [A] te weten dat schriftelijke toestemming van de gemeente was vereist voor de overdracht van het perceel aan HMH, terwijl onvoldoende is onderbouwd dat zij mocht vertrouwen dat die toestemming was verleend. Dat de gemeente, naar [Beheer] c.s. betoogt, geen bezwaren zou hebben geuit, maakt, ook indien daarvan zou moeten worden uitgegaan, niet dat sprake is van eigen schuld van de gemeente.
Het betoog van [Beheer] B.V. c.s. dat [A] er met de gemeente uitgekomen zou zijn indien de gemeente zich jegens deze vennootschap hetzelfde zou hebben opgesteld als jegens HMH is niet onderbouwd.”
2.22
In rov. 9.8.13-9.8.14 is het hof ingegaan op het door [Beheer] en de bestuurders gevoerde betoog dat de rechtbank de boete had moeten matigen tot nihil. Het hof heeft geoordeeld dat het de Gemeente als gevolg van matiging van de boete niet minder kon toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. Nu de Gemeente heeft onderbouwd dat haar schade bestaat uit € 757.000 verminderd met € 455.000 en dat ter ondervanging daarvan het boetebedrag in de koopovereenkomst is opgenomen, terwijl de Gemeente naast het boetebedrag geen andere schadevergoeding vordert, heeft het hof geoordeeld dat het de boete niet kan matigen:
“9.8.13 Ook heeft [Beheer] B.V. c.s. met grief 4 aangevoerd dat de rechtbank de boete ten onrechte niet heeft gematigd. Volgens haar dient de boete te worden gematigd tot nihil.
Het doel van het boetebeding is dat de gemeente op de hoogte wordt gebracht als [A] haar contractpositie zou overdragen.
In artikel 13 van Pro de koopovereenkomst gaat het er, volgens [Beheer] B.V. c.s., met name om dat de gemeente aan [A] voorwaarden kan opleggen, zodat de overeenkomst wordt nagekomen.
Omdat de koopovereenkomst niet meer kon worden nagekomen, de gemeente zelf veelvuldig in overleg was met HMH zonder aan HMH eisen op te leggen, de gemeente haar bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke instrumenten niet gebruikte om de realisatie van het plan van HMH te blokkeren en de gemeente de door haar gewenste voorwaarden om toestemming te verlenen niet heeft opgelegd, leidt het verbeuren van het boetebedrag gelet op de redelijkheid en de billijkheid tot een onaanvaardbaar resultaat. Dat is ook zo omdat de verhouding tussen de werkelijke schade en de boete onevenredig is, de werkelijke schade is nihil en het doel van de boete is door de beweerde inbreuk van [A] niet geschaad.
9.8.14
Het hof begrijpt dat het er volgens [Beheer] B.V. c.s. in artikel 13 van Pro de koopovereenkomst met name om gaat dat de gemeente aan [A] voorwaarden kan opleggen voor de overdracht, zodat de overeenkomst wordt nagekomen door degene aan wie de rechten en plichten uit de overeenkomst zijn overgedragen en dat gelet op de omstandigheden als hiervoor genoemd de redelijkheid en de billijkheid klaarblijkelijk eisen dat het boetebedrag wordt gematigd tot nihil.
Wat daar ook van zij het hof kan de gemeente als gevolg van matiging van de boete niet minder toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. Nu de gemeente heeft onderbouwd dat haar schade bestaat uit € 757.000,-- verminderd met € 455.000,-- en ter ondervanging daarvan het boetebedrag in de overeenkomst is opgenomen, terwijl de gemeente naast het boetebedrag geen andere schadevergoeding vordert, kan het hof de boete niet matigen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat [Beheer] [ [26] ] B.V. jegens de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door haar schuld aan [Beheer] B.V. af te lossen. Zie hiervoor onder rechtsoverweging 9.9.2 en 9.9.3.”
2.23
Vervolgens is het hof toegekomen aan de bespreking van het door de Gemeente ingestelde incidentele hoger beroep. De Gemeente heeft een grief geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat enkel het verbeurd raken van de contractuele boete geen bestuurdersaansprakelijkheid meebrengt. De boete is volgens de Gemeente verbeurd door de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst door het perceel zonder schriftelijke toestemming over te dragen aan HMH. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld wist het bestuur op het moment van de overdracht op 23 november 2018 of had het bestuur op dat moment redelijkerwijs behoren te begrijpen dat voor de Gemeente geen verhaal mogelijk zou zijn, aldus de Gemeente. Het bestuur heeft volgens de Gemeente ook overigens onrechtmatig gehandeld door willens en wetens de overdracht van het perceel te realiseren zonder toestemming van de Gemeente en zonder de Gemeente daarvan op de hoogte te brengen. De aansprakelijkheid van het bestuur jegens de Gemeente dient volgens de Gemeente te worden bepaald op het bedrag van € 250.000. [27]
2.24
Het hof heeft bij zijn beoordeling van deze grief een rechtsoverweging uit het arrest
Ontvanger/ […]van Uw Raad in rov. 9.9.2 geciteerd en vooropgesteld. [28] Het gaat om het volgende citaat:
“(…) Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).
Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. (…)”
2.25
In rov. 9.9.3 heeft het hof de grief in het incidentele hoger beroep beoordeeld. Het hof heeft geoordeeld dat [Beheer] als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en geen verhaal biedt en dat [Beheer] daarmee zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt:
“9.9.3 Geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank, in rechtsoverweging 4.3.9, dat [Beheer] B.V. heeft besloten tot de overdracht van het perceel. Onder rechtsoverweging 9.8.4.2 heeft het hof reeds geoordeeld dat niet kan worden geoordeeld dat [A] mocht vertrouwen dat de gemeente geen bezwaar had tegen de overdracht van het resterende perceel door haar aan HMH. Daarmee is sprake van de hiervoor onder ii genoemde situatie. [Beheer] B.V. heeft als bestuurder bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en geen verhaal biedt.
Dit handelen van [Beheer] B.V. is ten opzichte van de gemeente zodanig onzorgvuldig dat haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [Beheer] B.V. wist dan wel behoorde redelijkerwijs te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [A] , de overdracht van het perceel, waarmee zij een boete verschuldigd zou raken van € 250.000,-, tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan voor de gemeente optredende schade (die bestaat uit het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de boete). [A] is ontbonden op dezelfde datum als waarop het resterende perceel is overgedragen. De vermogenstoestand van [A] was als overwogen in rechtsoverweging 9.8.6, terwijl [A] geen activiteiten meer ontplooide. Gesteld noch gebleken is dat [A] het, als gevolg van de verkoop van het perceel zonder schriftelijke toestemming van de gemeente, verschuldigde boetebedrag veilig zou stellen. Gelet daarop is het hof van oordeel dat [Beheer] B.V. wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap, de overdracht van het perceel, tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade die het boetebedrag betreft. De aansprakelijkheid van het bestuur, [Beheer] B.V., jegens de gemeente dient daarmee te worden bepaald op het bedrag van € 250.000,--. Dat de netto verkoopopbrengst na afdracht van btw ‘slechts’ € 195.000,- bedroeg, maakt dit niet anders. [Beheer] B.V. wist (althans behoorde redelijkerwijs te weten) van de verbeurte van de boete en wist ook dat [A] die niet zou kunnen voldoen en daarvoor geen verhaal zou bieden, en dat zij daarmee aan de gemeente, die met lege handen zou staan, schade zou toebrengen.
Op grond van artikel 2:11 BW Pro zijn ook de bestuurders [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] hoofdelijk voor dat bedrag aansprakelijk.”
In cassatie
2.26
[Beheer] en de bestuurders hebben op 17 juni 2025 – tijdig – cassatieberoep ingesteld. De Gemeente heeft verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Daarna hebben [Beheer] en de bestuurders gerepliceerd en heeft de Gemeente gedupliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vier genummerde onderdelen. De onderdelen 1 tot en met 3 vallen uiteen in genummerde subonderdelen, die niet allemaal klachten bevatten. Onderdeel 1 heeft betrekking op de onrechtmatigheid van het handelen. Onderdeel 2 stelt schade en causaal verband in relatie tot het bewerkstelligen van een selectieve betaling aan de orde. Onderdeel 3 gaat over matiging van de contractuele boete. Onderdeel 4 bevat alleen een voortbouwklacht.
Onderdeel 1: Onrechtmatig handelen [Beheer] en de bestuurders
3.2
Onderdeel 1 valt uiteen in elf genummerde subonderdelen en begint in subonderdeel 1.1 met een samenvatting van de bestreden oordelen uit rov. 9.8.6, 9.8.10, 9.9.2 en 9.9.3. Dit eerste subonderdeel bevat geen klachten. De subonderdelen 1.2 en 1.3 zetten uiteen hoe [Beheer] en de bestuurders het bestreden arrest lezen. Ook deze subonderdelen bevatten geen klachten.
3.3
Ik lees in de bestreden rechtsoverwegingen dat het hof, kort gezegd, heeft geoordeeld dat [Beheer] en de bestuurders rekening hadden moeten houden met de vordering van de Gemeente op [A] (rov. 9.8.6), dat [A] de schuld aan [Beheer] niet zonder rechtvaardigingsgrond had mogen aflossen en causaal verband bestaat tussen deze aflossing en de schade van de Gemeente, bestaande in het niet hebben van verhaal (rov. 9.8.10), dat [Beheer] zo als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen en geen verhaal biedt en dat [Beheer] daarmee zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat haar daarvan persoonlijk een ernstig feit kan worden gemaakt (rov. 9.9.2-9.9.3).
3.4
Het hof heeft hiermee volgens
subonderdeel 1.4miskend dat een bestuurder van een vennootschap die heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap een of meer andere schuldeisers met voorrang boven een bepaalde vennootschapsschuldeiser heeft betaald en/of de vennootschap heeft laten ontbinden niet reeds om die reden persoonlijk aansprakelijk is jegens de genoemde vennootschapsschuldeiser die vanwege het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering is benadeeld. De betrokken bestuurder kan ter zake van een zodanige benadeling pas persoonlijk aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, aldus het subonderdeel. [29] Althans is het oordeel van het hof volgens het subonderdeel onjuist omdat een bestuurder van een vennootschap – anders dan de vennootschap zelf [30] – niet reeds persoonlijk aansprakelijk is wegens het betalen van een of meer schuldeisers met voorrang boven een specifieke vennootschapsschuldeiser met als gevolg dat de vordering van die specifieke vennootschapsschuldeiser onbetaald en onverhaalbaar blijft. Het gaat erom, betoogt het subonderdeel, of zich (bijzondere) omstandigheden voordoen op grond waarvan een dergelijke betaling niet is toegestaan respectievelijk of de bestuurder ter zake van die betaling een ernstig verwijt kan worden gemaakt, waarvoor niet voldoende is dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die de aflossing rechtvaardigen.
3.5
Het subonderdeel gaat eraan voorbij dat het hof uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat het handelen van [Beheer] “
ten opzichte van de gemeente zodanig onzorgvuldig[is]
dat haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt”. [31] Daaruit volgt dat het hof niet heeft miskend dat voor bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en zijn oordeel in zoverre geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel faalt daarom.
3.6
De subonderdelen 1.5 en 1.6 bevatten zelf geen klachten, maar zijn te lezen in samenhang met subonderdelen 1.7 en 1.8, waarin motiveringsklachten zijn uitgewerkt.
3.7
Subonderdeel 1.5bevat een weergave van het door [Beheer] en de bestuurders in feitelijke instanties gevoerde betoog (kort weergegeven) dat zij geen rekening hoefden te houden met de vordering van de Gemeente op [A] ter hoogte van € 250.000 (zie de stellingen weergegeven in subonderdeel 1.5 onder (i)-(iv) en (vii)-(viii)) en daarop voortbouwend dat zij niet wisten dat voor de Gemeente geen verhaal mogelijk zou zijn (de stelling weergegeven in subonderdeel 1.5 onder (v)) althans dat zij dat verhaal niet wilden frustreren (de stelling weergegeven in subonderdeel 1.5 onder (vi)).
3.8
Subonderdeel 1.6bevat een weergave van de wijze waarop het hof op het in subonderdeel 1.5 weergegeven betoog heeft gerespondeerd. Het hof heeft deze stellingen in rov. 9.8.6 volgens het subonderdeel gepasseerd met de overweging dat het ten aanzien van grief 2 (in rov. 9.8.4.2) al heeft geoordeeld dat [A] er niet op mocht vertrouwen dat de Gemeente toestemming voor de overdracht van het perceel aan HMH had verleend, hetgeen betekent dat [Beheer] en de bestuurders wel rekening behoorden te houden met genoemde vordering van de Gemeente. In rov. 9.9.3 heeft het hof volgens het subonderdeel [Beheer] en de bestuurders dit ontbreken van vertrouwen tegengeworpen in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid. Het subonderdeel bevat vervolgens een weergave van het oordeel van het hof in rov. 9.8.4.2. Aan de interpretatie van deze lange en moeilijk leesbare rechtsoverweging, die is geciteerd in randnummer 2.14 van deze conclusie, wijd ik enige woorden. Ik zal ook de oordelen in rov. 9.9.2 en 9.9.3 interpreteren.
3.9
De overwegingen van het hof in rov. 9.8.4.2 komen in mijn lezing op het volgende neer:
- nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst (ik begrijp: de koopovereenkomst) was niet mogelijk. De Gemeente heeft niet gereageerd op het verzoek van [A] om toestemming tot overdracht van het perceel aan HMH (februari 2018) en evenmin op de herinneringen van 16 april 2018 en 5 juli 2018. Dit betekent niet dat [A] erop mocht vertrouwen dat de Gemeente geen bezwaar had tegen overdracht van het perceel aan HMH. Dit wordt niet anders in het licht van de omstandigheden dat:
a. de Gemeente geen goedkeuring verleende voor aangeboden herziene bouwplannen van [A] ,
b. de oorspronkelijke planopzet met instemming van de Gemeente was verlaten,
c. de Gemeente met de verkoop van de andere twee percelen had ingestemd en
d. de Gemeente onderhandelingen voerde met HMH;
- gesteld noch gebleken is dat [A] erop mocht vertrouwen dat iemand die bevoegd was namens de Gemeente toe te stemmen
a. toestemming voor de overdracht had verleend of
b. de schijn had gewekt dat een andere bij de Gemeente werkzame persoon tot het verlenen van toestemming bevoegd was; [32]
- voor zover [Beheer] en de bestuurders hebben betoogd dat het uitblijven van een reactie op het verzoek om toestemming voor risico van de Gemeente dient te komen in de zin dat daarmee toestemming tot overdracht van het perceel is verleend, gaat dat betoog niet op;
- gesteld noch gebleken is dat iemand die bevoegd was namens de Gemeente toe te stemmen (i) heeft nagelaten te reageren of (ii) had kunnen voorkomen dat reageren werd nagelaten; [33]
- het voorgaande leidt tot de volgende twee conclusies:
a. [A] mocht er niet op vertrouwen dat de Gemeente geen bezwaar had tegen de overdracht van het resterende perceel aan HMH en
b. er was een aan [A] toerekenbare tekortkoming;
- daarbij komt dat [A] en HMH reeds op 9 maart 2018 een koopovereenkomst hebben gesloten (hierna: ‘de tweede koopovereenkomst’), zonder de Gemeente daarover in te lichten. [A] heeft de Gemeente hiervan ook niet op de hoogte gebracht tijdens het overleg van 16 april 2018;
- ook in het licht van wat bij het vorige gedachtestreepje is opgemerkt hebben [Beheer] en de bestuurders hun stellingen over het vertrouwen op instemming met overdracht van het perceel door [A] aan HMH tegenover de gemotiveerde betwisting door de Gemeente onvoldoende onderbouwd;
- van de overdracht per 23 november 2018 ter naleving van de tweede koopovereenkomst tussen [A] en HMH bleek de Gemeente pas naderhand, toen zij in verband met het opstellen van de door partijen zo genoemde “
anterieure overeenkomst” met HMH het kadaster raadpleegde. Zij werd hierdoor verrast;
- [A] is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen haar en de Gemeente gesloten koopovereenkomst door het perceel zonder toestemming van de Gemeente over te dragen.
3.1
De gedachtegang van het hof bij de naast het zesde tot en met achtste gedachtestreepje weergegeven overwegingen is klaarblijkelijk dat [A] , [Beheer] en de bestuurders niet hebben mogen vertrouwen op toestemming van de Gemeente voor de overdracht, omdat de Gemeente pas na de overdracht voor het eerst van de overdracht afwist – en dus geen toestemming kan hebben gegeven.
3.11
In rov. 9.8.6 heeft het hof het betoog van [Beheer] en de bestuurders gepasseerd, voor zover het erop neerkwam dat zij geen rekening hoefden te houden met (naar het hof uit de stukken heeft begrepen) de contractuele boete die [A] aan de Gemeente verschuldigd was. Het hof heeft daartoe overwogen dat het bij zijn bespreking van grief 2 (waarmee naar het middel terecht aanneemt vooral lijkt te zijn gedoeld op rov. 9.8.4.2) al heeft geoordeeld dat [Beheer] en de bestuurders er niet op mochten vertrouwen dat de Gemeente toestemming had verleend, zodat zij wel rekening moesten houden met de contractuele boete. Daarnaast heeft het hof overwogen dat [A] ‘in het rood stond’ en dat de ontvangen koopsom is aangewend om een vordering van [Beheer] te voldoen, terwijl [Beheer] en de bestuurders erop bedacht moesten zijn dat voor de Gemeente geen verhaal meer mogelijk was. Tot die betaling had [Beheer] niet mogen besluiten en er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die de betaling rechtvaardigen, aldus het hof, dat hieraan de conclusie heeft verbonden dat [Beheer] een voldoende ernstig verwijt valt te maken.
3.12
In rov. 9.9.2 heeft het hof geciteerd uit het arrest
Ontvanger/ […]van Uw Raad, waaruit is af te leiden dat als het gaat om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering mogelijk naast aansprakelijkheid van de vennootschap ook grond is voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Of daadwerkelijk grond is voor aansprakelijkheid, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
3.13
In rov. 9.9.3 heeft het hof verschillende oordelen gegeven, die ik in de volgende randnummers voor de duidelijkheid afzonderlijk bespreek.
3.14
In rov. 9.9.3 heeft het hof in de eerste plaats geoordeeld dat sprake is van de in randnummer 3.12 van deze conclusie onder (ii) genoemde situatie: [Beheer] heeft als bestuurder bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen. Het hof heeft dit oordeel onderbouwd door te overwegen dat (i) vast staat dat [Beheer] heeft besloten tot de overdracht van het perceel en (ii) niet kan worden geoordeeld dat [A] erop mocht vertrouwen dat de Gemeente geen bezwaar had tegen de overdracht van het perceel aan HMH (onder verwijzing naar rov. 9.8.4.2).
3.15
Vervolgens heeft het hof in dezelfde rechtsoverweging geoordeeld dat dit handelen van [Beheer] ten opzichte van de Gemeente zodanig onzorgvuldig is dat [Beheer] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, omdat [Beheer] wist dan wel redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten overdracht van het perceel zou leiden tot het verschuldigd zijn van de contractuele boete van € 250.000 en tot gevolg zou hebben dat [A] haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de dientengevolge door de Gemeente geleden schade. Het hof heeft dit oordeel onderbouwd met de overwegingen dat (i) [A] is ontbonden op de datum waarop het resterende perceel is overgedragen, terwijl [A] al ‘in het rood stond’ en geen activiteiten meer ontplooide en dat (ii) gesteld noch gebleken is dat [A] het verschuldigde boetebedrag zou veiligstellen.
3.16
Het hof heeft in rov. 9.9.3 daarnaast geoordeeld dat de aansprakelijkheid van [Beheer] als bestuurder van [A] jegens de Gemeente moet worden bepaald op € 250.000. Het heeft in rov. 9.9.3 terloops overwogen dat de schade bestaat uit het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de boete. Dat de netto verkoopopbrengst na afdracht van btw € 195.000 bedroeg, maakt dit volgens het hof in rov. 9.9.3 niet anders. Volgens het hof wist [Beheer] (althans behoorde zij redelijkerwijs te weten) van de verbeurte van de boete en volgens het hof wist zij ook dat [A] die niet zou kunnen voldoen en daarvoor geen verhaal zou bieden en dat zij daarmee aan de Gemeente, die met lege handen zou staan, schade zou toebrengen. Ten slotte heeft het hof in rov. 9.9.3 geoordeeld dat ook de bestuurders op grond van art. 2:11 BW Pro hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van € 250.000.
3.17
Tegen de achtergrond van de subonderdelen 1.5 en 1.6 is in
subonderdeel 1.7geklaagd dat het oordeel van het hof in rov. 9.8.6 en rov. 9.9.3 onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat uit de omstandigheid dat [A] op grond van de door het hof in rov. 9.8.4.2 genoemde redenen er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de Gemeente instemde met de overdracht van de grond nog niet volgt dat [A] of [Beheer] wél rekening moest houden met de boetevordering van de Gemeente. Dat er geen gerechtvaardigd vertrouwen bestond dat de Gemeente haar toestemming voor de overdracht van de grond verleende, betekent volgens het subonderdeel enkel dat [A] als gevolg van de verkoop en overdracht van de grond aan HMH toerekenbaar tekortschoot in de nakoming van de koopovereenkomst. Dat gaf de Gemeente op grond van de koopovereenkomst weliswaar het recht om de verbeurde boete op te eisen, maar dat betekent volgens het subonderdeel nog niet dat de Gemeente dat ook daadwerkelijk zou doen. Reeds om deze reden is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd, klaagt het subonderdeel. Uit de in subonderdeel 1.5 genoemde stellingen volgt volgens [Beheer] en de bestuurders dat er geen reden voor [A] bestond, laat staan voor [Beheer] en de bestuurders, om aan te nemen dat de Gemeente de verbeurde boete ook daadwerkelijk zou opvorderen. Het hof diende om die reden nog apart aandacht aan deze stellingen te besteden in het kader van de vraag of [Beheer] en de bestuurders ter zake een ernstig verwijt kan worden gemaakt, aldus het subonderdeel.
3.18
De klacht faalt omdat het oordeel dat [A] , [Beheer] en de bestuurders rekening moesten houden met het ontstaan van de contractuele vordering op grond van het boetebeding in artikel 13.2 van de koopovereenkomst niet onbegrijpelijk is. In cassatie is niet in geschil dat uit de koopovereenkomst volgt dat voor overdracht van het perceel schriftelijke toestemming van de Gemeente was vereist. Het hof was kennelijk van oordeel dat uit artikel 13.2 van de koopovereenkomst volgde dat de vordering uit hoofde van dat artikel van rechtswege ontstond. Gelet op de formulering van de bepaling in de koopovereenkomst (“
Bij overtreding(…)
verbeurt de overtredende partij(…)
een zonder rechterlijke tussenkomst of ingebrekestelling direct opeisbare en niet voor rechte[r]
lijke matiging vatbare boete(…).”) is deze uitleg niet onbegrijpelijk. De door [Beheer] en de bestuurders in hoger beroep aangevoerde redenen waarom [A] volgens hen desondanks geen boete zou hebben verbeurd door de vervreemding van het perceel heeft het hof in rov. 9.8.2, 9.8.4.1-9.8.4.3 en 9.8.4.5 gemotiveerd verworpen.
3.19
De door [Beheer] en de bestuurders aangehaalde stellingen [34] waarop het hof volgens het subonderdeel onvoldoende zou hebben gerespondeerd lijken uit te gaan van de veronderstelling dat een schuldenaar pas rekening hoeft te houden met een verbeurde contractuele boete als de schuldeiser zich bij hem heeft gemeld. Gelet op het in het vorige randnummer van deze conclusie aangehaalde kennelijke oordeel van het hof dat de boete uit artikel 13.2 van de koopovereenkomst van rechtswege verschuldigd was, kan dit betoog niet worden gevolgd. In dat licht is – zoals in het vorige randnummer reeds gezegd – niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [Beheer] en de bestuurders wist of behoorden te weten van de aan de Gemeente verbeurde boete.
3.2
Dit betekent dat subonderdeel 1.7 faalt.
3.21
Volgens
subonderdeel 1.8is het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof als gevolg van de enkele terugwijzing naar rov. 9.8.4.2 niet heeft getoetst of [Beheer] en de bestuurders in het licht van de in subonderdeel 1.5 genoemde stellingen [35] hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar verplichtingen niet kan nakomen en niet heeft getoetst of [Beheer] en de bestuurders een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het beoordeelde vertrouwen kwam immers aan de orde bij de beantwoording van de vraag of [A] erop mocht vertrouwen dat de Gemeente had ingestemd (en ging daarom mede over het antwoord op de vraag of sprake was van een toerekenbare tekortkoming van [A] jegens de Gemeente). Dat is een andere beoordeling dan of een bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt in het kader van de persoonlijke aansprakelijkheid van [Beheer] en de bestuurders jegens de Gemeente.
3.22
Voor de beoordeling van dit subonderdeel is van belang dat het hof in rov. 9.9.3 heeft geoordeeld dat sprake is van een geval waarin [Beheer] als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Volgens het door het hof in rov. 9.9.2 aangehaalde arrest
Ontvanger/ […]kan de betrokken bestuurder in dergelijke gevallen voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal blijkens
Ontvanger/ […]in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
3.23
Tegen deze door het hof vooropgestelde maatstaf zijn geen klachten gericht.
3.24
Geen van de in subonderdeel 1.5 aangehaalde stellingen (waarnaar subonderdeel 1.8 verwijst) brengt mee dat [Beheer] niet als bestuurder zou hebben toegelaten dat [A] haar contractuele verplichtingen uit de koopovereenkomst niet nakwam. Zoals gezegd komen de stellingen er immers vooral op neer dat [Beheer] en de bestuurders geen rekening hoefden te houden met de boetevordering van de Gemeente op [A] en daarop voortbouwend dat zij niet wisten dat voor de Gemeente geen verhaal mogelijk zou zijn, althans dat zij dat verhaal niet wilden frustreren.
3.25
Ter onderbouwing van zijn oordeel dat [Beheer] persoonlijk een ernstig verwijt kon worden gemaakt, heeft het hof in rov. 9.9.3 geoordeeld dat [Beheer] wist of behoorde te begrijpen dat de overdracht van het perceel tot gevolg zou hebben dat [A] haar verplichtingen niet zou nakomen en dat [A] jegens de Gemeente geen verhaal zou bieden. Dit oordeel is – zeker nu het hof ervan is uitgegaan dat de boetevordering direct ontstond en dit niet onbegrijpelijk is (zie randnummers 3.18 en 3.19 van deze conclusie) – niet onbegrijpelijk.
3.26
Subonderdeel 1.8 faalt.
3.27
Subonderdeel 1.9bevat geen klachten, maar een weergave van het door [Beheer] en de bestuurders in feitelijke instanties gevoerde betoog dat zij te goeder trouw en mede in het belang van de vennootschap een afgewogen beslissing hebben genomen om het perceel aan HMH over te dragen, de schuld aan [Beheer] af te lossen en [A] te ontbinden. De daarop volgende subonderdelen 1.10 en 1.11 bevatten uitgewerkte motiveringsklachten tegen rov. 9.8.5-9.8.6.
3.28
De in subonderdeel 1.9 weergegeven stellingen komen erop neer dat het de taak van het bestuur is om het belang van de vennootschap te dienen en dat het bestuur dat in alle redelijkheid en te goeder trouw heeft gedaan. [36] Het heeft volgens [Beheer] en de bestuurders bij zijn beslissing om [A] te ontbinden de volgende feiten en omstandigheden [37] meegewogen:
a. [A] was niet meer operationeel. Zij exploiteerde geen activiteiten meer en had geen inkomsten; [38]
b. het doel waarvoor [A] was opgericht kon niet meer worden behaald en het is onwenselijk om een vennootschap dan voort te laten bestaan. [A] zou een slapende vennootschap zijn geworden; [39]
c. [A] had een negatief resultaat; [40]
d. [A] had schulden. Zij stond voor de periode april tot en met november 2018 in het rood. Op 31 december 2017 bedroeg het eigen vermogen van [A] € 130.252 en op 28 november 2018 € 60.770; [41]
e. er waren geen andere schuldeisers bekend dan [Beheer] , terwijl niet voorzienbaar was dat de Gemeente een vordering zou instellen; [42]
f. [A] zou bij voortbestaan een jaarrekening moeten publiceren en (onder meer) accountskostenmoeten maken. Er zouden bij voortbestaan dus nieuwe schulden ontstaan. Zodanige onnodige kosten moeten – net als verdere verliezen – worden voorkomen; [43]
g. er is een financieel adviseur ingeschakeld om te adviseren over het voortbestaan c.q. de liquidatie van [A] . Ook is er een liquidatiebalans opgesteld. De liquidatie van [A] is vervolgens op basis van alle bekende informatie voltooid; [44]
h. indien [A] in staat van faillissement zou worden verklaard, zou de kans bestaan dat misbruik van bevoegdheid zou plaatsvinden.
3.29
In
subonderdeel 1.10is geklaagd dat het hof aan het in subonderdeel 1.9 weergegeven betoog geen “
begrijpelijke aandacht” heeft besteed bij de beantwoording van de vraag of [Beheer] en de bestuurders hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen noch bij de beantwoording van de vraag of [Beheer] en de bestuurders een ernstig verwijt kan worden gemaakt, hetgeen (zo begrijp ik het subonderdeel, mede in het licht van de schriftelijke toelichting van [Beheer] en de bestuurders, randnummer 25) temeer onbegrijpelijk is in verband met het door [Beheer] en de bestuurders gevoerde verweer dat zij er geen rekening mee hoefden te houden dat de Gemeente betaling van de boete zou vorderen. [Beheer] handelde volgens het subonderdeel op redelijke wijze in het licht van het belang van de vennootschap en hoefde op de boete niet bedacht te zijn, zodat haar (en de bestuurders) geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Op dit betoog had het hof volgens het subonderdeel gemotiveerd moeten responderen.
3.3
Volgens
subonderdeel 1.11valt in het licht van de in subonderdeel 1.9 aangevoerde stellingen zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom het hof in rov. 9.8.6 (laatste alinea) heeft geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de aflossing van de rekening-courantschuld aan [Beheer] rechtvaardigden. Uit die stellingen volgt volgens het subonderdeel dat het in de gegeven omstandigheden wél – mede ter vermijding van oplopende schulden aan derden, zoals de accountant, en ter vermijding van een faillissement – gerechtvaardigd was om de grond te verkopen, de enige bekende schuldeiser af te lossen en de vennootschap te ontbinden. Het hof heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom dit geen bijzondere omstandigheden zoals door het hof vereist zijn.
3.31
Voor de beoordeling van deze twee subonderdelen is in de eerste plaats van belang dat het hof het betoog van [Beheer] en de bestuurders dat de vordering van de Gemeente voor [Beheer] en de bestuurders niet voorzienbaar was (randnummer 3.28 van deze conclusie onder e.) gemotiveerd heeft verworpen en de in subonderdelen 1.7 en 1.8 tegen die verwerping gerichte klachten falen (zie randnummers 3.17-3.26 van deze conclusie). In dat oordeel ligt besloten dat de liquidatie van [A] niet is voltooid op basis van alle bekende informatie, althans niet op basis van alle informatie die [Beheer] bekend had moeten zijn (randnummer 3.28 van deze conclusie onder g.). De in randnummer 3.28 van deze conclusie onder h. weergegeven stelling is in de aangehaalde vindplaats (randnummer 118. onder h. van de memorie van grieven) op geen enkele wijze toegelicht. Onduidelijk is wie van welke bevoegdheid op welke wijze misbruik zou maken. Dit betekent dat het hof aan de stellingen onder e., g. en h. in ieder geval niet meer aandacht had hoeven besteden dan het heeft gedaan.
3.32
Wat resteert is het betoog dat [Beheer] in het belang van de vennootschap heeft besloten tot de vervreemding van het perceel zonder toestemming van de Gemeente, aflossing van haar eigen vordering op [A] en liquidatie van [A] , kort gezegd omdat onwenselijk zou zijn dat [A] als slapende vennootschap zou voortbestaan en om te voorkomen dat [A] kosten zou moeten maken, bijvoorbeeld accountantskosten om te voldoen aan de verplichting tot publicatie van de jaarrekening.
3.33
[Beheer] wist of had moeten begrijpen dat deze handelwijze zou resulteren in een schuld van € 250.000 aan de Gemeente waarvoor [A] geen verhaal zou bieden (zie randnummers 3.17-3.26 van deze conclusie). In dat licht is niet onbegrijpelijk dat het hof het betoog dat de omschreven handelwijze in het belang van de vennootschap zou zijn, althans dat [Beheer] ervan mocht uitgaan dat deze handelwijze in het belang van de vennootschap was, stilzwijgend heeft gepasseerd. De in het vorige randnummer van deze conclusie samengevatte stellingen brengen dan ook niet mee dat het oordeel dat [Beheer] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt onbegrijpelijk is of onvoldoende is gemotiveerd. Evenmin is onbegrijpelijk dat het hof de genoemde omstandigheden niet heeft aangemerkt als ‘bijzondere omstandigheden’ die de aflossing van de schuld van [A] aan [Beheer] rechtvaardigen.
3.34
Dit betekent dat de subonderdelen 1.10 en 1.11 falen.
3.35
De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2: Schade en causaal verband in relatie tot bewerkstelligen selectieve betaling
3.36
Onderdeel 2 begint in subonderdeel 2.1, dat geen klachten bevat, met een weergave van de bestreden oordelen uit rov. 9.8.8, 9.8.10, 9.8.14 en 9.9.3. Het hof heeft daar, samengevat, geoordeeld (i) dat de schade van de Gemeente bestaat uit het verschil tussen de getaxeerde verkoopwaarde van de aan [A] verkochte percelen (€ 757.000) en de prijs waarvoor de Gemeente deze percelen aan [A] heeft verkocht (€ 455.000) en (ii) dat causaal verband bestaat tussen het handelen van [Beheer] en de bestuurders en de schade van de Gemeente ter hoogte van € 250.000.
3.37
De klachten van dit onderdeel zijn geformuleerd in de subonderdelen 2.2-2.5.
De met onderdeel 2 bestreden oordelen van het hof
3.38
Voordat ik toekom aan de bespreking van de klachten is het zaak om op een rijtje te zetten wat het hof precies heeft geoordeeld. In rov. 9.8.8 is verwezen naar rov. 9.8.10. In rov. 9.8.10 is verwezen naar rov. 9.9.3. Ook in rov. 9.8.14 is onder meer verwezen naar rov. 9.9.3. In rov. 9.9.3 is verwezen naar rov. 9.8.6 en naar de met dit onderdeel niet bestreden (maar in randnummers 3.9 en 3.10 van deze conclusie wel reeds besproken) rov. 9.8.4.2. In rov. 9.8.6 is verwezen naar het oordeel van het hof ten aanzien van grief 2, waarmee vooral lijkt te zijn gedoeld op de al genoemde rov. 9.8.4.2. Het bestreden arrest heeft daarmee iets weg van een zoekplaatje.
3.39
Voorop te stellen is dat de Gemeente in deze procedure steeds (onder meer) heeft gevorderd dat [Beheer] en de bestuurders hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 250.000. [45] Het hof heeft deze vordering toegewezen – anders dan de rechtbank, die de door de Gemeente geleden schade op een lager bedrag had begroot.
3.4
De onrechtmatige gedraging die de te vergoeden schade volgens het hof heeft veroorzaakt, is dat [Beheer] als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen en geen verhaal biedt, hetgeen ten opzichte van de Gemeente zodanig onzorgvuldig is dat [Beheer] persoonlijk daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt (rov. 9.9.3).
3.41
In rov. 9.9.3 heeft het hof geoordeeld dat [Beheer] wist dan wel redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [A] , “
de overdracht van het perceel, waarmee[ [A] ]
een boete verschuldigd zou raken van € 250.000,-” tot gevolg zou hebben dat [A] haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan bij de Gemeente optredende schade. Het hof heeft hier kortom aangenomen dat de
overdrachtde onrechtmatige gedraging was.
3.42
In de andere bestreden rechtsoverwegingen ligt de nadruk niet op het vervreemden van het perceel, maar op het afbetalen van de schuld van [A] aan [Beheer] . In rov. 9.8.8 heeft het hof immers onder meer overwogen: “
Het gaat er om dat door betaling aan [Beheer] geen verhaal meer voor de gemeente bestaat.” In rov. 9.8.10 heeft het hof onder meer geoordeeld: “
Ook indien geen sprake zou zijn van liquidatie had [A] haar schuld aan [Beheer] B.V., gelet op de omstandigheid dat haar activiteiten waren beëindigd niet zonder rechtvaardigingsgrond, mogen aflossen. Nu dit wel is gebeurd bestaat causaal verband tussen het handelen van [Beheer] B.V. en de schade van de gemeente, te weten het niet hebben van verhaal.
3.43
In deze oordelen van het hof is te lezen dat het hof [Beheer] aanwrijft dat zij (i) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [A] het perceel heeft overgedragen zonder toestemming van de gemeente (en haar contractuele verplichting daarmee niet is nagekomen) of (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [A] de koopopbrengst heeft aangewend om de schuld van [A] aan [Beheer] (althans gedeeltelijk) te voldoen, zodat [A] de Gemeente geen verhaal meer bood.
3.44
Een mogelijke interpretatie van deze oordelen is dat het hof beide gedragingen in gezamenlijk verband heeft beschouwd en beide gedragingen heeft begrepen onder de in randnummer 3.40 van deze conclusie weergegeven omschrijving. In deze lezing van het arrest is de eerste stap dat [Beheer] door de overdracht van het perceel te bewerkstelligen of toe te laten heeft veroorzaakt dat de vordering van de Gemeente tot betaling van de boete ontstond. Op dat moment wist [Beheer] , althans behoorde zij te weten, dat [A] voor deze vordering van de Gemeente niet volledig verhaal zou bieden (omdat de koopsom daarvoor onvoldoende was en overigens geen baten aanwezig waren). Voor zover [A] de Gemeente verhaal kon bieden doordat zij de koopsom had ontvangen, heeft [Beheer] in deze lezing van het arrest bewerkstelligd of toegelaten dat ook dat bedrag niet langer beschikbaar was voor verhaal door de Gemeente.
3.45
In deze lezing van het arrest bestaat causaal verband tussen de [Beheer] verweten gedragingen en het ontstaan van de – volledige – boetevordering van de Gemeente, die als schade kan worden aangemerkt. Vervolgens heeft [Beheer] het reeds beperkte verhaal verder gefrustreerd door te bewerkstelligen of toe te laten dat de door [A] ontvangen koopsom werd gebruikt om [Beheer] te betalen.
3.46
Bij deze lezing sluit aan dat de schade volgens het hof in rov. 9.9.3 bestaat uit het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de boete.
3.47
Het hof heeft de schade in rov. 9.8.10 omschreven als “
het niet hebben van verhaal”. Volgens het hof had [A] ook als geen sprake zou zijn van liquidatie haar schuld aan [Beheer] gelet op de omstandigheid dat haar activiteiten waren beëindigd niet zonder rechtvaardigingsgrond mogen aflossen. Uit het feit dat dit wel is gebeurd heeft het hof afgeleid dat causaal verband bestaat tussen het handelen van [Beheer] en de schade van de Gemeente. Deze formulering lijkt aan te sluiten bij het uitgangspunt dat de schade bestaat uit het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de boete.
3.48
Ook in rov. 9.8.8 heeft het hof overwogen dat de Gemeente haar schade “
aldus[heeft]
onderbouwd dat deze bestaat uit het niet meer kunnen verhalen van de boete van € 250.000”. Het hof heeft daar ook weergegeven dat de Gemeente heeft toegelicht dat het boetebedrag in de koopovereenkomst tot stand is gekomen tegen de achtergrond van het verschil tussen de koopprijs en de getaxeerde waarde van de verkochte gemeentegrond en mede is opgenomen “
om dit verschil te ondervangen”. Het vervolg van deze rechtsoverweging [46] luidt als volgt:
“In het licht van de onderbouwing van haar schade door de gemeente gaat het betoog van [Beheer] B.V. c.s. dat de gemeente geen schade heeft geleden, omdat blijkens het collegebesluit 19 april 2010 een winst van € 400.000,-- zou zijn gemaakt niet op. Het collegebesluit, dat ziet op de concept koopovereenkomst met [A] , noemt een winst van € 400.000,-- door verkoop van de grond voor € 455.000,-- aan Milba B.V. (de winnaar van de prijsvraag) ten opzichte van boekwaarde van € 0,-- van de grond en andere kosten van de gemeente. Dat de gemeente gelet op genoemde verkoopprijs, waarbij geldt dat de grond door de gemeente voor hetzelfde bedrag aan [A] is verkocht, en de getaxeerde verkoopprijs (€ 757.000,--) schade heeft geleden is door [Beheer] B.V. c.s. onvoldoende betwist.
Dat het contractuele boetebeding, zoals de rechtbank heeft geoordeeld een prikkel tot nakoming betreft en geen schade fixerende functie heeft, waar tegen geen grief is gericht, maakt niet dat de gemeente met het voorgaande haar schade niet heeft onderbouwd.”
3.49
Het hof heeft in de geciteerde overwegingen gerespondeerd op het betoog van [Beheer] en de bestuurders dat de Gemeente geen schade heeft geleden, omdat de Gemeente € 400.000 winst zou hebben gemaakt. Dit betoog gaat volgens het hof niet op, omdat de Gemeente niet op de door [Beheer] en de bestuurders aangevoerde wijze winst heeft gemaakt.
3.5
In rov. 9.8.14 heeft het hof gerespondeerd op het betoog van [Beheer] en de bestuurders dat de boete die [A] op grond van de koopovereenkomst aan de Gemeente verschuldigd was moest worden gematigd. [47] Het hof heeft overwogen dat het de Gemeente als gevolg van matiging van de boete niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. Vervolgens heeft het hof overwogen:
“Nu de gemeente heeft onderbouwd dat haar schade bestaat uit € 757.000,-- verminderd met € 455.000,-- en ter ondervanging daarvan het boetebedrag in de overeenkomst is opgenomen, terwijl de gemeente naast het boetebedrag geen andere schadevergoeding vordert, kan het hof de boete niet matigen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat [Beheer] B.V. jegens de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door haar schuld aan [Beheer] B.V. af te lossen. Zie hiervoor onder rechtsoverweging 9.9.2 en 9.9.3.”
3.51
Deze geciteerde overwegingen staan in de sleutel van het door [Beheer] en de bestuurders aangevoerde beroep op matiging van de boete. In dat kader is van belang dat [A] de boete was verschuldigd en dat de boete niet verder kan worden gematigd dan tot het bedrag dat [A] als schadevergoeding op grond van de wet jegens de Gemeente verschuldigd was. Dat betekent dat de geciteerde overwegingen betrekking hebben op een andere rechtsverhouding, te weten die tussen [A] en de Gemeente, en betrekking hebben op de hoogte van de in die rechtsverhouding verschuldigde schadevergoeding. Het beroep op matiging van de boete komt hierna bij de bespreking van onderdeel 3 nog aan de orde.
3.52
De afdronk van het voorgaande is dat het hof het toelaten of bewerkstelligen van achtereenvolgens de overdracht van het perceel en de afbetaling van de schuld aan [Beheer] gezamenlijk als onrechtmatige gedraging heeft aangemerkt. Deze lezing heeft consequenties voor wat als met die gedraging in causaal verband staande schade is aan te merken: het volledige niet verhaalbare bedrag van de boete, die zonder de overdracht immers niet zou zijn verbeurd.
Bespreking van de klachten van onderdeel 2
3.53
Voor zover het hof, in het bijzonder in rov. 9.8.8 en 9.8.14, heeft geoordeeld dat de schade van de Gemeente bestaat uit het verschil tussen de getaxeerde verkoopwaarde van de aan [A] verkochte percelen grond (€ 757.000) en de prijs waarvoor de Gemeente die percelen grond in 2011 aan [A] heeft verkocht (€ 455.000), is dat oordeel volgens
subonderdeel 2.2onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft, aldus het subonderdeel, eraan voorbijgezien dat ter beoordeling van de door de Gemeente ingestelde vordering tot schadevergoeding uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid moet worden onderzocht welke schade de Gemeente heeft geleden ten gevolge van het gedrag waarvoor [Beheer] en de bestuurders volgens het hof aansprakelijk zijn – samengevat: de verkoop en overdracht van het perceel door [A] aan HMH (ten gevolge waarvan de contractuele boete van € 250.000 is verbeurd), de aflossing door [A] van haar schuld aan [Beheer] en de ontbinding van [A] . Enkel de schade die de Gemeente als gevolg daarvan heeft geleden komt eventueel voor vergoeding in aanmerking, aldus het subonderdeel. Dat is volgens het subonderdeel het deel van de verbeurde boete dat de Gemeente als gevolg van het verweten gedrag niet op [A] heeft kunnen verhalen. Volgens het subonderdeel is daarom niet relevant dat de hoogte van het overeengekomen boetebedrag verband zou houden met de getaxeerde verkoopwaarde van de aan [A] destijds verkochte percelen grond (€ 757.000) en de prijs waarvoor de Gemeente die percelen grond aan [A] heeft verkocht (€ 455.000).
3.54
Volgens
subonderdeel 2.3is door het hof onvoldoende gemotiveerd dat het verschil tussen de getaxeerde verkoopwaarde van de aan [A] verkochte percelen grond (€ 757.000) en de prijs waarvoor de Gemeente die percelen grond in 2011 aan [A] heeft verkocht (€ 455.000) schade zou zijn, omdat [Beheer] en de bestuurders hebben gesteld dat partijen in 2011 tot een verkoopprijs van € 455.000 zijn gekomen omdat een verkoopprijs van € 750.000 niet tot voldoende intekenaars leidde. [48] In dat licht valt volgens het subonderdeel evenmin in te zien waarom de Gemeente voldoende zou hebben onderbouwd dat haar schade bestaat uit € 757.000 verminderd met € 455.000 en dat het boetebedrag ter ondervanging daarvan in de koopovereenkomst is opgenomen. In werkelijkheid werd de verlaging volgens [Beheer] en de bestuurders veroorzaakt door een gebrek aan intekenaars en staat het boetebeding los van het verschil tussen beide bedragen. Het hof had volgens het subonderdeel aan die essentiële stelling apart aandacht moeten besteden.
3.55
De subonderdelen 2.2 en 2.3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling omdat zij lijden aan hetzelfde gebrek aan feitelijke grondslag. Zoals uiteengezet in randnummers 3.48 en 3.49 van deze conclusie is het hof in rov. 9.8.8 ingegaan op het door [Beheer] en de bestuurders gevoerde betoog dat de Gemeente geen schade heeft geleden en heeft het hof aldaar geoordeeld dat de Gemeente niet de door [Beheer] en de bestuurders gestelde winst heeft gemaakt. Zoals is uiteengezet in randnummers 3.50 en 3.51 van deze conclusie heeft het oordeel van het hof in rov. 9.8.14 geen directe betrekking op de door [Beheer] en de bestuurders verschuldigde schadevergoeding, omdat het in het teken staat van het beroep op matiging van de boete en dus betrekking heeft op een andere rechtsverhouding.
3.56
Het hof heeft kortom niet geoordeeld dat de schade van de Gemeente bestaat uit het verschil tussen de getaxeerde waarde en de verkoopprijs van [de locatie] . Daarop stuiten de klachten af.
3.57
Subonderdelen 2.2 en 2.3 falen.
3.58
Het oordeel van het hof dat causaal verband bestaat tussen het handelen van [Beheer] en de bestuurders en de schade van de Gemeente ter hoogte van € 250.000, in het bijzonder in rov. 9.8.10 en 9.9.3, is volgens
subonderdeel 2.4onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. [Beheer] en de bestuurders hebben volgens het subonderdeel (samengevat) onderbouwd aangevoerd dat de baten van [A] onvoldoende zouden zijn geweest om de vordering van de Gemeente te voldoen. Ook als de van HMH ontvangen koopprijs niet door [A] zou zijn aangewend om de schuld van [A] aan [Beheer] (gedeeltelijk) te voldoen, zou de Gemeente volgens het subonderdeel niet de gehele door haar gestelde verbeurde boete van € 250.000 en daarmee niet het gehele door haar gevorderde schadebedrag hebben verkregen. [49] Dat betoog strookt volgens het subonderdeel bovendien met de vaststellingen van het hof in rov. 9.8.6 en 9.9.3 dat [A] in de periode april tot en met november 2018 in het rood stond, het eigen vermogen van [A] op 31 december 2017 (voor ontvangst van de koopsom) € 130.252 negatief was en het eigen vermogen van [A] op 28 november 2018 (na gedeeltelijke aflossing van de rekening-courantschuld aan [Beheer] ) € 60.770 negatief was. In dat licht is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk en/of valt zonder (nadere) motivering, die ontbreekt, niet in te zien om welke reden het hof heeft geoordeeld dat het handelen van [Beheer] en de bestuurders in causaal verband staat met de door de Gemeente geleden schade ter hoogte van € 250.000, omdat de Gemeente dat bedrag “
per definitie” niet van [A] had kunnen verkrijgen.
3.59
Volgens
subonderdeel 2.5is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, om welke reden het hof in rov. 9.8.10 en 9.9.3 heeft geoordeeld dat niet slechts causaal verband bestaat tussen het handelen van [Beheer] en de bestuurders en de schade van de Gemeente tot een bedrag van € 195.000, maar zelfs tot het gehele door de Gemeente gevorderde bedrag van € 250.000. Het hof heeft volgens het subonderdeel in rov. 9.9.3 vastgesteld dat [A] , ten gevolge van de verkoop van het perceel aan HMH, als netto verkoopopbrengst na afdracht van btw een bedrag van € 195.000 heeft ontvangen. [A] had luidens het subonderdeel bij gebrek aan voldoende (andere) baten dus ten hoogste het bedrag aan de Gemeente kunnen betalen dat zij thans aan [Beheer] heeft betaald. [50] In een situatie waarin geen sprake zou zijn geweest van enig onrechtmatig handelen van [Beheer] en de bestuurders had de Gemeente dus ook geen hoger bedrag dan € 195.000 op [A] kunnen verhalen, aldus het subonderdeel. Daaruit volgt volgens het subonderdeel dat in ieder geval geen causaal verband bestaat tussen het handelen van [Beheer] en de bestuurders en de schade van de Gemeente boven het bedrag van € 195.000. Het oordeel van het hof is daarom zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.6
Deze subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.61
Zoals hiervoor is uiteengezet is in het bestreden arrest te lezen dat de door de Gemeente geleden schade bestaat uit het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de boete. Daarbij is van belang dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de boete is verbeurd doordat [Beheer] heeft toegelaten of bewerkstelligd dat [A] door de overdracht van het perceel in haar contractuele verplichtingen jegens de Gemeente zou zijn tekortgeschoten, terwijl [Beheer] op dat moment al wist of behoorde te weten dat die [A] geen verhaal zou bieden. Voor zover [A] daarna verhaal zou hebben kunnen bieden op de ontvangen koopsom heeft [Beheer] bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar (contractuele) betalingsverplichting jegens de Gemeente niet nakwam.
3.62
In het oordeel van het hof ligt besloten dat het onrechtmatig handelen van [Beheer] heeft geleid tot het ontstaan van een volledig onverhaalbare vordering ten belope van € 250.000 van de Gemeente op [A] . Het gaat er kortom niet om in hoeverre aan de Gemeente een verhaalsmogelijkheid is ontnomen door de betaling van [A] aan [Beheer] (€ 195.000), het gaat erom in hoeverre ten gevolge van de gedragingen van [Beheer] aan de zijde van de Gemeente een vordering is ontstaan die onbetaald gebleven en onverhaalbaar is (€ 250.000). In dat licht zijn de bestreden oordelen niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.63
De subonderdelen 2.4 en 2.5 falen.
3.64
De slotsom is dat onderdeel 2 vergeefs is voorgesteld.
Onderdeel 3: Matiging van de contractuele boete
3.65
Onderdeel 3 is blijkens de weergave in subonderdeel 3.1, dat geen klachten bevat, gericht tegen rov. 9.8.14, waar het hof mede onder verwijzing naar rov. 9.9.2 en 9.9.3 heeft geoordeeld dat de door [A] verschuldigde boete niet kan worden gematigd.
3.66
De klachten van dit onderdeel zijn verwoord in de subonderdelen 3.2-3.7.
3.67
Subonderdeel 3.2bevat slechts een voortbouwklacht. Deze heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking.
3.68
Volgens
subonderdeel 3.3getuigt het oordeel van het hof dat de door [A] aan de Gemeente verschuldigde contractuele boete niet kan worden gematigd van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daarmee volgens het subonderdeel miskend dat een bedongen boete op grond van art. 6:94 lid 1 BW Pro ten hoogste kan worden gematigd tot de schadevergoeding op grond van de wet, in welk verband de rechter dient te onderzoeken of de partij die de boete is verschuldigd ook een verplichting tot schadevergoeding heeft die aan alle wettelijke vereisten daartoe voldoet, omdat alleen in die situatie sprake is van een op die partij rustende wettelijke verplichting tot schadevergoeding.
3.69
Het oordeel van het hof is volgens
subonderdeel 3.4onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof heeft nagelaten te onderzoeken of [A] op grond van enige wetsbepaling voor een bedrag van (minimaal) € 250.000 jegens de Gemeente aansprakelijk is, bij gebreke waarvan het hof niet kon oordelen dat de door [A] aan de Gemeente verschuldigde contractuele boete niet kan worden gematigd. Het hof heeft, klaagt het subonderdeel, niet (kenbaar) vastgesteld om welke redenen, op welke grondslag en/of op basis van welke wetsbepaling op [A] een wettelijke verplichting tot schadevergoeding ter hoogte van (minimaal) € 250.000 rust.
3.7
Dat [A] wettelijk verplicht zou zijn tot betaling van een schadevergoeding aan de Gemeente ter hoogte van € 250.000, kan volgens
subonderdeel 3.5niet op begrijpelijke wijze worden afgeleid uit het betoog van de Gemeente dat haar schade bestaat uit € 757.000 verminderd met € 455.000 en de vaststelling dat [A] , in strijd met de koopovereenkomst, zonder schriftelijke toestemming van de Gemeente tot verkoop en overdracht van het perceel aan HMH is overgegaan. Daaruit volgt volgens het subonderdeel niet dat [A] ook op grond van de wet verplicht is tot vergoeding van dat verschil, klaagt het subonderdeel. Een dergelijke wettelijke verplichting verhoudt zich volgens het subonderdeel ook niet op begrijpelijke wijze met het gegeven dat [A] en de Gemeente in de koopovereenkomst juist de koopsom van € 455.000 zijn overeengekomen. Dat daaruit een wettelijke verplichting tot schadevergoeding van het verschil zou voortvloeien, is te minder begrijpelijk omdat (i) [Beheer] en de bestuurders hebben aangevoerd dat die lagere koopprijs in werkelijkheid is overeengekomen omdat er bij die hogere koopprijs te weinig intekenaars waren, zodat het verschil van afgerond € 250.000 geen verband houdt met het boetebedrag [51] en (ii) het hof in rov. 9.8.8 heeft geoordeeld dat het boetebeding geen schadefixerende functie heeft. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt mede in het licht van die feiten en omstandigheden niet in te zien dat en om welke reden op [A] enige wettelijke verplichting tot schadevergoeding ter hoogte van (minimaal) € 250.000 jegens de Gemeente rust. Dat heeft tot gevolg dat het hof het matigingsberoep van [Beheer] en de bestuurders wél inhoudelijk had moeten behandelen.
3.71
Subonderdeel 3.6klaagt dat het hof met het bestreden oordeel een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de processtukken en/of buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat [Beheer] en de bestuurders en de Gemeente zich niet op het standpunt hebben gesteld dat op [A] een wettelijke verplichting tot schadevergoeding ter hoogte van (minimaal) € 250.000 rust, ten gevolge waarvan daaromtrent ook geen partijdebat heeft plaatsgevonden. Het hof kon ook daarom niet oordelen dat de door [A] aan de Gemeente verschuldigde contractuele boete niet kan worden gematigd. In ieder geval is om die reden sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
3.72
Subonderdeel 3.7klaagt dat het hof, voor zover het heeft geoordeeld dat [Beheer] en de bestuurders jegens de Gemeente onrechtmatig hebben gehandeld en de door [A] aan de Gemeente verschuldigde contractuele boete om die reden niet kan worden gematigd, eraan heeft voorbijgezien dat art. 6:94 lid 1 BW Pro ter beperking van de matigingsbevoegdheid van de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding vereist van de (rechts)persoon die de bedongen boete verschuldigd is. Art. 6:94 lid 1 BW Pro vereist volgens het subonderdeel een wettelijke verplichting tot schadevergoeding van [A] . [Beheer] en de bestuurders kunnen de bedongen boete immers niet verschuldigd zijn, omdat zij geen partij zijn bij de koopovereenkomst en geen met de koopovereenkomst strijdige overdracht hebben uitgevoerd, aldus het subonderdeel. Een (eventuele) wettelijke verplichting tot schadevergoeding van [Beheer] en de bestuurders is voor de toepassing van art. 6:94 lid 1 BW Pro volgens het subonderdeel dus niet relevant.
3.73
De subonderdelen 3.3-3.7 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.74
Overeenkomstig art. 6:94 lid 1 BW Pro kan de rechter op verlangen van de schuldenaar, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. Van art. 6:94 lid 1 BW Pro afwijkende bedingen zijn krachtens art. 6:94 lid 3 BW Pro nietig.
3.75
Bij de toepassing van art. 6:94 BW Pro is het van belang om voor ogen te houden dat matiging van de boete op de voet van deze bepaling steeds betrekking heeft op de verhouding tussen de partij die de boete heeft verbeurd en haar schuldeiser – in dit geval zijn dat respectievelijk [A] en de Gemeente. Dit betekent dat de grens aan in hoeverre de boete op de voet van art. 6:94 BW Pro kan worden gematigd in dit geval wordt bepaald door de hoogte van de schadevergoeding die [A] op grond van de wet aan de Gemeente verschuldigd zou zijn voor de tekortkoming die heeft geleid tot het verbeuren van de boete, dat is de overdracht van het perceel zonder voorafgaande toestemming.
3.76
Het hof is er in rov. 9.8.14 van uitgegaan dat de in art. 6:94 lid 1 BW Pro gestelde grens aan de rechterlijke bevoegdheid tot matiging van de boete is bereikt: het hof heeft immers overwogen dat het de Gemeente als gevolg van matiging van de boete niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. Het hof heeft geoordeeld dat het de boete niet kon matigen, omdat de Gemeente heeft onderbouwd dat haar schade (waarmee het hof kennelijk heeft gedoeld op de schade die het gevolg is van de overdracht van het perceel door [A] zonder toestemming van de Gemeente) bestaat uit de taxatiewaarde van [de locatie] verminderd met de tussen de Gemeente en [A] overeengekomen koopprijs.
3.77
Het oordeel van het hof dat
[Beheer]jegens de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 9.8.14, voorlaatste volzin) kan niet het oordeel dragen dat de boete niet kan worden gematigd omdat de in art. 6:94 lid 1 BW Pro gestelde grens aan matiging is bereikt. Daarvoor is immers de verhouding tussen
[A]en de Gemeente van belang.
3.78
Uit de weergave van het betoog van [Beheer] en de bestuurders in rov. 9.8.13 (laatste volzin) blijkt dat [Beheer] en de bestuurders de werkelijke schade die door de Gemeente is geleden in twijfel hebben getrokken. Het aldaar weergegeven betoog is in zoverre door het hof besproken in rov. 9.8.8, waar het hof, kort gezegd, heeft geoordeeld dat de Gemeente niet op de door [Beheer] en de bestuurders aangevoerde wijze winst heeft gemaakt met de verkoop van [de locatie] . [52]
3.79
Onderdeel 3 bevat de klacht dat het hof heeft miskend dat het moest onderzoeken of en in welke mate [A] op grond van de wet gehouden was tot vergoeding van schade die de Gemeente heeft geleden ten gevolge van de tekortkoming die leidde tot het verbeuren van de boete, althans dat uit het arrest niet op begrijpelijke wijze kenbaar is dat het hof dit heeft onderzocht (subonderdeel 3.3-3.4). Voor zover het hof met zijn weergave van de onderbouwing van de schade door de Gemeente geacht moet worden een oordeel over de op [A] rustende schadevergoedingsplicht te hebben gegeven, is dat oordeel volgens de in onderdeel 3 aangevoerde klachten onbegrijpelijk (subonderdeel 3.5-3.7).
3.8
De klachten slagen. Niet in te zien is op welke grond [A] zou zijn gehouden om de Gemeente het verschil tussen de (voor de verkoop door de Gemeente in 2011) getaxeerde waarde van [de locatie] en de door [A] in 2011 betaalde koopsom te betalen als vergoeding van schade die zou zijn geleden doordat [A] in 2018 zonder voorafgaande toestemming van de Gemeente een gedeelte van [de locatie] heeft overgedragen. Zelfs als met de schriftelijke toelichting van de Gemeente (randnummers 3.55-3.58) zou moeten worden aangenomen dat het hof [A] op grond van art. 6:74 lid 1 BW Pro aansprakelijk heeft geacht is uit het arrest niet op begrijpelijke wijze te herleiden hoe het hof tot zijn begroting van de op grond van de wet verschuldigde schadevergoeding is gekomen. In het bijzonder geeft het arrest geen aanleiding voor de lezing die door de Gemeente in randnummer 3.60 van haar schriftelijke toelichting is bepleit, te weten dat het bedrag dat gelijk is aan de getaxeerde waarde van [de locatie] verminderd met de verkoopwaarde van [de locatie] de waarde vertegenwoordigt van de
verplichting tot circulair bouwendie de Gemeente niet meer kan afdwingen doordat [A] het perceel heeft overgedragen.
3.81
Het hof heeft in het bestreden arrest tot uitgangspunt genomen dat [Beheer] door het toelaten of bewerkstelligen van de overdracht van het perceel en de betaling (door [A] aan [Beheer] ) schade heeft veroorzaakt die bestaat in het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de door [A] jegens de Gemeente verbeurde boete van € 250.000. [53] Centraal staat vervolgens (in verband met het gevoerde verweer) of dat bedrag niet op de voet van art. 6:94 lid 1 BW Pro zou moeten worden gematigd. Het hof heeft geoordeeld dat een dergelijke matiging niet mogelijk is vanwege het in het slot van art. 6:94 lid 1 BW Pro bepaalde, namelijk dat de rechter de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. Daarbij gaat het om de wettelijke schadevergoedingsverplichting van [A] jegens de Gemeente, zodat genoemd oordeel van het hof vereist dat de omvang van die verplichting (minimaal) € 250.000 bedraagt. Over de schade die de Gemeente heeft geleden ten gevolge van gedragingen van
[A]bevat het bestreden arrest geen oordelen. In hoeverre in die verhouding een wettelijke plicht tot schadevergoeding bestaat – en dus: in hoeverre de verbeurde boete op grond van art. 6:94 lid 1 BW Pro kan worden gematigd – lijkt het hof niet te hebben beoordeeld.
3.82
Onderdeel 3 slaagt.
Onderdeel 4: Voortbouwklacht
3.83
Onderdeel 4bevat slechts een voortbouwklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
Slotsom
3.84
Onderdeel 3 slaagt, zodat de conclusie zal strekken tot vernietiging en verwijzing.
3.85
Na cassatie en verwijzing is gelet op de slagende klachten en het door [Beheer] en de bestuurders gevoerde verweer nog beantwoording nodig van de vraag in hoeverre de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de door [A] aan de Gemeente verschuldigde boete wordt gematigd, met dien verstande dat aan de Gemeente conform art. 6:94 lid 1 BW Pro ter zake van de tekortkoming niet minder kan worden toegekend dan de door [A] op grond van de wet jegens haar verschuldigde schadevergoeding. De uitkomst van deze beoordeling werkt door in de begroting van de schade tot de vergoeding waarvan [Beheer] en de bestuurders jegens de Gemeente hoofdelijk gehouden zijn, aangezien in cassatie wat mij betreft niet met succes wordt bestreden dat [Beheer] en de bestuurders aansprakelijk zijn voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de gehele boete.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ontleend aan hof ’s-Hertogenbosch 18 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:709 (hierna: ‘bestreden arrest’), rov. 9.3.1-9.3.13, weergegeven met enige redactionele aanpassingen.
2.Zie productie 1 bij de inleidende dagvaarding.
3.Het hof heeft niet vastgesteld wanneer [de locatie] in drie percelen is opgedeeld. In de koopovereenkomst tussen de Gemeente en [A] (productie 13 bij de inleidende dagvaarding) en de tussen deze partijen opgemaakte akte van levering (productie 14 bij de inleidende dagvaarding) is steeds alleen de kadastrale aanduiding van voor de splitsing vermeld: “
4.Bijlage 11 bij de conclusie van antwoord.
5.De leveringsakte is als productie 14 bij de inleidende dagvaarding in het geding gebracht.
6.Productie 20 bij de inleidende dagvaarding.
7.Productie 19 bij de inleidende dagvaarding.
8.Productie 21 bij de inleidende dagvaarding.
9.Het bestreden arrest bevat geen nadere vaststelling omtrent [betrokkene 1] . Volgens de notariële leveringsakte (productie 24 bij de inleidende dagvaarding) waarmee het perceel aan HMH is geleverd was [betrokkene 1] “
10.Bijlage 14 bij de memorie van grieven.
11.Bijlage 16 bij de memorie van grieven.
12.Productie 23 bij de inleidende dagvaarding, is gelijk aan bijlage 15 bij de memorie van grieven.
13.Productie 24 bij de inleidende dagvaarding.
14.Zie Rb. Limburg 19 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:291, rov. 4.3.7. en bestreden arrest, rov. 9.8.6 (onder meer). Zie ook randnummers 2.16-2.17 van deze conclusie.
15.Bestreden arrest, rov. 9.4.2.
16.Rb. Limburg 19 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:291.
17.Vergelijk bestreden arrest, rov. 9.5.
18.Bestreden arrest, rov. 9.5 (slot).
19.Hof ’s-Hertogenbosch 18 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2871.
20.De processen-verbaal van deze voorlopige getuigenverhoren zijn in het geding gebracht als bijlage 13 bij de memorie van grieven.
21.Vergelijk bestreden arrest, rov. 9.7.1.
22.Vergelijk bestreden arrest, rov. 9.7.2.
23.Vergelijk bestreden arrest, rov. 9.7.2.
24.Vergelijk bestreden arrest, rov. 9.7.3.
25.Bedoeld is: HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669,
26.Noot A-G: in het licht van de voorgaande overwegingen van het hof is denkbaar dat hier sprake is van een verschrijving en dat [A] zou zijn bedoeld in plaats van [Beheer] . Gelet op de in de slotzin van het citaat aangehaalde rov. 9.9.2-9.9.3 – hierna te bespreken in randnummers 2.24-2.25 van deze conclusie – acht ik deze lezing echter niet waarschijnlijk.
27.Bestreden arrest, rov. 9.9.1.
28.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758,
29.In het subonderdeel is verwezen naar HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73,
30.In het subonderdeel is verwezen naar HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669,
31.Bestreden arrest, rov. 9.9.3.
32.De bij dit gedachtestreepje samengevatte overwegingen luiden in het arrest als volgt: “
33.Zo begrijp ik de nogal cryptische volzin: “
34.Subonderdeel 1.7 verwijst naar subonderdeel 1.5. In subonderdeel 1.5 is verwezen naar [Beheer] spreekaantekeningen in hoger beroep, randnummer 15., memorie van grieven, randnummers 103., 105., 108.-112., 116., 117. en 119. en memorie van antwoord in incidenteel appel, randnummers 9., 10., 12., 14. en 19. Zie ook de korte weergave van de aangehaalde stellingen in randnummer 3.7 van deze conclusie.
35.Zoals gezegd is in subonderdeel 1.5 verwezen naar [Beheer] spreekaantekeningen in hoger beroep, randnummer 15., memorie van grieven, randnummers 103., 105., 108.-112., 116., 117. en 119. en memorie van antwoord in incidenteel appel, randnummers 9., 10., 12., 14. en 19. Zie ook de korte weergave van de aangehaalde stellingen in randnummer 3.7 van deze conclusie.
36.Er is verwezen naar de volgende passages uit de memorie van grieven: “
37.De opsomming in de procesinleiding is klaarblijkelijk in hoofdzaak ontleend aan randnummer 118. van de memorie van grieven, maar hier en daar redactioneel verbeterd en aangevuld met en op basis van andere vindplaatsen. Nu randnummer 118. van de memorie van grieven niet meer bevat dan de in de hoofdtekst weergegeven kale opsomming, heb ik gemeend deze vindplaats bij de weergave van vindplaatsen hierna te kunnen weglaten.
38.In de procesinleiding is verwezen naar randnummer 14. van de spreekaantekeningen van [Beheer] en de bestuurders in hoger beroep: “
39.In de procesinleiding is verwezen naar randnummer 14. van de spreekaantekeningen van [Beheer] en de bestuurders in hoger beroep (in deze conclusie geciteerd in voetnoot 38) en naar randnummer 114. van de memorie van grieven (in deze conclusie geciteerd in voetnoot 36).
40.In de procesinleiding is verwezen naar randnummer 14. van de spreekaantekeningen van [Beheer] en de bestuurders in hoger beroep (in deze conclusie geciteerd in voetnoot 38).
41.In de procesinleiding is verwezen naar randnummer 115. van de memorie van grieven (geciteerd met weglating van een voetnoot): “
42.In de procesinleiding is verwezen naar randnummer 15. van de spreekaantekeningen in hoger beroep van [Beheer] en de bestuurders: “
43.In de procesinleiding is verwezen naar randnummers 14. en 16. van de spreekaantekeningen in hoger beroep (in deze conclusie geciteerd in voetnoot 36), randnummer 114. van de memorie van grieven (in deze conclusie geciteerd in voetnoot 36) en naar randnummer 115. van de memorie van grieven (in deze conclusie geciteerd in voetnoot 41).
44.In de procesinleiding is verwezen naar randnummer 15. van de spreekaantekeningen van [Beheer] en de bestuurders in hoger beroep en naar randnummers 112. en 116. van de memorie van grieven (alle in deze conclusie geciteerd in voetnoot 42).
45.Zie ook de weergave in randnummer 2.1 van deze conclusie.
46.Rov. 9.8.8 is integraal geciteerd in randnummer 2.19 van deze conclusie. Omwille van de leesbaarheid zijn de meest ter zake dienende overwegingen hier in de hoofdtekst herhaald.
47.Zie randnummer 2.22 van deze conclusie.
48.Er is verwezen naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 26 november 2024, p. 15-16.
49.Er is verwezen naar memorie van grieven, randnummers 134.-135.
50.Er is verwezen naar de memorie van grieven, randnummers 134.-135. en naar het bestreden arrest, rov. 9.8.6 en 9.9.3.
51.Er is teruggewezen naar subonderdeel 2.3 en verwezen naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 26 november 2024, p. 15-16.
52.Zie onder meer randnummers 3.48-3.49 van deze conclusie.
53.Zie in het bijzonder randnummers 3.44-3.45 van deze conclusie.