Conclusie
1.[A] Beheer B.V.(hierna: ‘ [Beheer] ’)
[eiser 2](hierna: ‘ [eiser 2] ’)
[eiser 3](hierna: ‘ [eiser 3] ’)
[eiser 4](hierna: ‘ [eiser 4] ’)
1.Feiten
artikel 7. Bebouwing
12 nieuwbouw starterswoningen op het achterterrein voor maximaal € 110.000 vrij op naam conform de bebouwingsvisie in bijlage II.
6 startersappartementen in het voormalige schoolgebouw voor maximaal € 110.000, casco, kosten koper conform de bebouwingsvisie In bijlage II.
parkeer-, groen en infiltratievoorzieningen.
met de insteek cradle-to-cradle, overeenkomstig het ingediende plan bij de prijsvraag.
lijke matiging vatbare boete van € 250.000,-- (zegge: tweehonderd vijftig duizend euro).
de onmogelijkheid om de ter zake van de uitvoering van wezenlijke delen van het Plan benodigde vergunningen van hogere overheden te verkrijgen;
het wegvallen van de haalbaarheid van de ontwikkeling, hetgeen door koper moet worden aangetoond,
hetgeen in deze overeenkomst is overeengekomen laat onverlet dat de gemeente als gevolg van haar publiekrechtelijke bevoegdheden en verplichtingen, bijvoorbeeld door ingediende zienswijzen ex artikel 4 lid Pro 2, tot gewijzigde inzichten kan komen met als gevolg herziening in of weigering van de door koper verzochte planologische maatregel.
Betreft: wijziging overeenkomst 2011 ontwikkeling [de locatie] tussen de gemeente en [A] BV te [plaats 2]
Zoals gezegd heeft [betrokkene 2] aan de huidige eigenaar van de [de locatie] gevraagd om een gesprek te arrangeren n.a.v. het ingediende verzoek om doorverkoop.(…)
Ik ga er van uit dat u daar als koper van het perceel ook bij aanwezig bent. In dit gesprek zullen alle aspecten m.b.t. de [de locatie] aan de orde komen. Bij dit gesprek zal [betrokkene 2] als projectleider van de [de locatie] ook aanwezig zijn.(…)”
Geachte [betrokkene 2]
ren cq. voorwaarden zijn aan deze verkoop.
inmiddels een aantal positieve gesprekken hebben plaatsgehad tussen koper en de Gemeente, ga ik er van uit dat er van u[w]
kant geen voorwaarden/problemen zijn
omgaande van u
2.Procesverloop
In eerste aanleg
Geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat [A] direct na de overdracht van het perceel aan HMH en de ontvangst van de koopsom met betrekking tot het perceel is ontbonden (rechtsoverweging 4.3.4.). De overdracht van het perceel heeft plaatsgevonden op 23 november 2018 en op die datum is ook [A] ontbonden, dat betekent, gelet op voornoemd oordeel van de rechtbank, dat de koopsom op of kort voor die datum is ontvangen. De factuur van de koopsom van € 235.950,-- is van 12 november 2018. [A] stond, naar eigen zeggen, in de periode april – november 2018 in het rood. Op 31 december 2017, dus vóór de ontvangst van de koopsom, was het eigen vermogen € 130.252,-- negatief en op 28 november 2018, na aflossing van de schuld aan [Beheer] B.V., € 60.770,-- negatief. Gelet op deze vermogensstand en de omstandigheid dat [A] geen activiteiten meer ontplooide, had [Beheer] B.V. er op bedacht moeten zijn dat voor de gemeente geen verhaal meer mogelijk was.
Ook indien er vanuit zou moeten worden gegaan dat sprake was van een opeisbare schuld van [Beheer] B.V. had [Beheer] B.V. in de situatie dat [A] werd ontbonden, althans had besloten haar activiteiten te beëindigen en zij niet over voldoende middelen beschikte om ook de gemeente te voldoen deze betaling niet mogen doen, vgl. Hoge Raad 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669[ [25] ]. Door dit wel te doen valt aan haar een voldoende ernstig verwijt te maken. Dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de aflossing van de schuld van [Beheer] B.V. rechtvaardigen kan gelet op hetgeen [Beheer] B.V. c.s. heeft aangevoerd niet worden geoordeeld.
Grief 3 faalt.”
De gemeente heeft haar schade aldus onderbouwd dat deze bestaat uit het niet meer kunnen verhalen van de boete van € 250.000,-- en dat dit boetebedrag in de koopovereenkomst was opgenomen, omdat in de prijsvraag van 2010 voor herontwikkeling van [de locatie] een lagere verkoopprijs voor de grond was bedongen, te weten € 455.000,-- in plaats van de getaxeerde verkoopprijs € 757.000,--. Ter zitting in hoger beroep is door de gemeente nader toegelicht dat het bedrag van het boetebeding is om dit verschil te ondervangen.
In het licht van de onderbouwing van haar schade door de gemeente gaat het betoog van [Beheer] B.V. c.s. dat de gemeente geen schade heeft geleden, omdat blijkens het collegebesluit 19 april 2010 een winst van € 400.000,-- zou zijn gemaakt niet op. Het collegebesluit, dat ziet op de concept koopovereenkomst met [A] , noemt een winst van € 400.000,-- door verkoop van de grond voor € 455.000,-- aan Milba B.V. (de winnaar van de prijsvraag) ten opzichte van boekwaarde van € 0,-- van de grond en andere kosten van de gemeente. Dat de gemeente gelet op genoemde verkoopprijs, waarbij geldt dat de grond door de gemeente voor hetzelfde bedrag aan [A] is verkocht, en de getaxeerde verkoopprijs (€ 757.000,--) schade heeft geleden is door [Beheer] B.V. c.s. onvoldoende betwist.
Dat het contractuele boetebeding, zoals de rechtbank heeft geoordeeld een prikkel tot nakoming betreft en geen schade fixerende functie heeft, waar tegen geen grief is gericht, maakt niet dat de gemeente met het voorgaande haar schade niet heeft onderbouwd.”
Het betoog van [Beheer] B.V. c.s. dat [A] er met de gemeente uitgekomen zou zijn indien de gemeente zich jegens deze vennootschap hetzelfde zou hebben opgesteld als jegens HMH is niet onderbouwd.”
Het doel van het boetebeding is dat de gemeente op de hoogte wordt gebracht als [A] haar contractpositie zou overdragen.
In artikel 13 van Pro de koopovereenkomst gaat het er, volgens [Beheer] B.V. c.s., met name om dat de gemeente aan [A] voorwaarden kan opleggen, zodat de overeenkomst wordt nagekomen.
Omdat de koopovereenkomst niet meer kon worden nagekomen, de gemeente zelf veelvuldig in overleg was met HMH zonder aan HMH eisen op te leggen, de gemeente haar bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke instrumenten niet gebruikte om de realisatie van het plan van HMH te blokkeren en de gemeente de door haar gewenste voorwaarden om toestemming te verlenen niet heeft opgelegd, leidt het verbeuren van het boetebedrag gelet op de redelijkheid en de billijkheid tot een onaanvaardbaar resultaat. Dat is ook zo omdat de verhouding tussen de werkelijke schade en de boete onevenredig is, de werkelijke schade is nihil en het doel van de boete is door de beweerde inbreuk van [A] niet geschaad.
Wat daar ook van zij het hof kan de gemeente als gevolg van matiging van de boete niet minder toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. Nu de gemeente heeft onderbouwd dat haar schade bestaat uit € 757.000,-- verminderd met € 455.000,-- en ter ondervanging daarvan het boetebedrag in de overeenkomst is opgenomen, terwijl de gemeente naast het boetebedrag geen andere schadevergoeding vordert, kan het hof de boete niet matigen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat [Beheer] [ [26] ] B.V. jegens de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door haar schuld aan [Beheer] B.V. af te lossen. Zie hiervoor onder rechtsoverweging 9.9.2 en 9.9.3.”
Ontvanger/ […]van Uw Raad in rov. 9.9.2 geciteerd en vooropgesteld. [28] Het gaat om het volgende citaat:
Dit handelen van [Beheer] B.V. is ten opzichte van de gemeente zodanig onzorgvuldig dat haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [Beheer] B.V. wist dan wel behoorde redelijkerwijs te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [A] , de overdracht van het perceel, waarmee zij een boete verschuldigd zou raken van € 250.000,-, tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan voor de gemeente optredende schade (die bestaat uit het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de boete). [A] is ontbonden op dezelfde datum als waarop het resterende perceel is overgedragen. De vermogenstoestand van [A] was als overwogen in rechtsoverweging 9.8.6, terwijl [A] geen activiteiten meer ontplooide. Gesteld noch gebleken is dat [A] het, als gevolg van de verkoop van het perceel zonder schriftelijke toestemming van de gemeente, verschuldigde boetebedrag veilig zou stellen. Gelet daarop is het hof van oordeel dat [Beheer] B.V. wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap, de overdracht van het perceel, tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade die het boetebedrag betreft. De aansprakelijkheid van het bestuur, [Beheer] B.V., jegens de gemeente dient daarmee te worden bepaald op het bedrag van € 250.000,--. Dat de netto verkoopopbrengst na afdracht van btw ‘slechts’ € 195.000,- bedroeg, maakt dit niet anders. [Beheer] B.V. wist (althans behoorde redelijkerwijs te weten) van de verbeurte van de boete en wist ook dat [A] die niet zou kunnen voldoen en daarvoor geen verhaal zou bieden, en dat zij daarmee aan de gemeente, die met lege handen zou staan, schade zou toebrengen.
Op grond van artikel 2:11 BW Pro zijn ook de bestuurders [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] hoofdelijk voor dat bedrag aansprakelijk.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.4miskend dat een bestuurder van een vennootschap die heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap een of meer andere schuldeisers met voorrang boven een bepaalde vennootschapsschuldeiser heeft betaald en/of de vennootschap heeft laten ontbinden niet reeds om die reden persoonlijk aansprakelijk is jegens de genoemde vennootschapsschuldeiser die vanwege het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering is benadeeld. De betrokken bestuurder kan ter zake van een zodanige benadeling pas persoonlijk aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, aldus het subonderdeel. [29] Althans is het oordeel van het hof volgens het subonderdeel onjuist omdat een bestuurder van een vennootschap – anders dan de vennootschap zelf [30] – niet reeds persoonlijk aansprakelijk is wegens het betalen van een of meer schuldeisers met voorrang boven een specifieke vennootschapsschuldeiser met als gevolg dat de vordering van die specifieke vennootschapsschuldeiser onbetaald en onverhaalbaar blijft. Het gaat erom, betoogt het subonderdeel, of zich (bijzondere) omstandigheden voordoen op grond waarvan een dergelijke betaling niet is toegestaan respectievelijk of de bestuurder ter zake van die betaling een ernstig verwijt kan worden gemaakt, waarvoor niet voldoende is dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die de aflossing rechtvaardigen.
ten opzichte van de gemeente zodanig onzorgvuldig[is]
dat haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt”. [31] Daaruit volgt dat het hof niet heeft miskend dat voor bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en zijn oordeel in zoverre geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel faalt daarom.
anterieure overeenkomst” met HMH het kadaster raadpleegde. Zij werd hierdoor verrast;
Ontvanger/ […]van Uw Raad, waaruit is af te leiden dat als het gaat om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering mogelijk naast aansprakelijkheid van de vennootschap ook grond is voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Of daadwerkelijk grond is voor aansprakelijkheid, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
subonderdeel 1.7geklaagd dat het oordeel van het hof in rov. 9.8.6 en rov. 9.9.3 onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat uit de omstandigheid dat [A] op grond van de door het hof in rov. 9.8.4.2 genoemde redenen er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de Gemeente instemde met de overdracht van de grond nog niet volgt dat [A] of [Beheer] wél rekening moest houden met de boetevordering van de Gemeente. Dat er geen gerechtvaardigd vertrouwen bestond dat de Gemeente haar toestemming voor de overdracht van de grond verleende, betekent volgens het subonderdeel enkel dat [A] als gevolg van de verkoop en overdracht van de grond aan HMH toerekenbaar tekortschoot in de nakoming van de koopovereenkomst. Dat gaf de Gemeente op grond van de koopovereenkomst weliswaar het recht om de verbeurde boete op te eisen, maar dat betekent volgens het subonderdeel nog niet dat de Gemeente dat ook daadwerkelijk zou doen. Reeds om deze reden is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd, klaagt het subonderdeel. Uit de in subonderdeel 1.5 genoemde stellingen volgt volgens [Beheer] en de bestuurders dat er geen reden voor [A] bestond, laat staan voor [Beheer] en de bestuurders, om aan te nemen dat de Gemeente de verbeurde boete ook daadwerkelijk zou opvorderen. Het hof diende om die reden nog apart aandacht aan deze stellingen te besteden in het kader van de vraag of [Beheer] en de bestuurders ter zake een ernstig verwijt kan worden gemaakt, aldus het subonderdeel.
Bij overtreding(…)
verbeurt de overtredende partij(…)
een zonder rechterlijke tussenkomst of ingebrekestelling direct opeisbare en niet voor rechte[r]
lijke matiging vatbare boete(…).”) is deze uitleg niet onbegrijpelijk. De door [Beheer] en de bestuurders in hoger beroep aangevoerde redenen waarom [A] volgens hen desondanks geen boete zou hebben verbeurd door de vervreemding van het perceel heeft het hof in rov. 9.8.2, 9.8.4.1-9.8.4.3 en 9.8.4.5 gemotiveerd verworpen.
subonderdeel 1.8is het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof als gevolg van de enkele terugwijzing naar rov. 9.8.4.2 niet heeft getoetst of [Beheer] en de bestuurders in het licht van de in subonderdeel 1.5 genoemde stellingen [35] hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar verplichtingen niet kan nakomen en niet heeft getoetst of [Beheer] en de bestuurders een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het beoordeelde vertrouwen kwam immers aan de orde bij de beantwoording van de vraag of [A] erop mocht vertrouwen dat de Gemeente had ingestemd (en ging daarom mede over het antwoord op de vraag of sprake was van een toerekenbare tekortkoming van [A] jegens de Gemeente). Dat is een andere beoordeling dan of een bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt in het kader van de persoonlijke aansprakelijkheid van [Beheer] en de bestuurders jegens de Gemeente.
Ontvanger/ […]kan de betrokken bestuurder in dergelijke gevallen voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal blijkens
Ontvanger/ […]in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
subonderdeel 1.10is geklaagd dat het hof aan het in subonderdeel 1.9 weergegeven betoog geen “
begrijpelijke aandacht” heeft besteed bij de beantwoording van de vraag of [Beheer] en de bestuurders hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen noch bij de beantwoording van de vraag of [Beheer] en de bestuurders een ernstig verwijt kan worden gemaakt, hetgeen (zo begrijp ik het subonderdeel, mede in het licht van de schriftelijke toelichting van [Beheer] en de bestuurders, randnummer 25) temeer onbegrijpelijk is in verband met het door [Beheer] en de bestuurders gevoerde verweer dat zij er geen rekening mee hoefden te houden dat de Gemeente betaling van de boete zou vorderen. [Beheer] handelde volgens het subonderdeel op redelijke wijze in het licht van het belang van de vennootschap en hoefde op de boete niet bedacht te zijn, zodat haar (en de bestuurders) geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Op dit betoog had het hof volgens het subonderdeel gemotiveerd moeten responderen.
subonderdeel 1.11valt in het licht van de in subonderdeel 1.9 aangevoerde stellingen zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom het hof in rov. 9.8.6 (laatste alinea) heeft geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de aflossing van de rekening-courantschuld aan [Beheer] rechtvaardigden. Uit die stellingen volgt volgens het subonderdeel dat het in de gegeven omstandigheden wél – mede ter vermijding van oplopende schulden aan derden, zoals de accountant, en ter vermijding van een faillissement – gerechtvaardigd was om de grond te verkopen, de enige bekende schuldeiser af te lossen en de vennootschap te ontbinden. Het hof heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom dit geen bijzondere omstandigheden zoals door het hof vereist zijn.
de overdracht van het perceel, waarmee[ [A] ]
een boete verschuldigd zou raken van € 250.000,-” tot gevolg zou hebben dat [A] haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan bij de Gemeente optredende schade. Het hof heeft hier kortom aangenomen dat de
overdrachtde onrechtmatige gedraging was.
Het gaat er om dat door betaling aan [Beheer] geen verhaal meer voor de gemeente bestaat.” In rov. 9.8.10 heeft het hof onder meer geoordeeld: “
Ook indien geen sprake zou zijn van liquidatie had [A] haar schuld aan [Beheer] B.V., gelet op de omstandigheid dat haar activiteiten waren beëindigd niet zonder rechtvaardigingsgrond, mogen aflossen. Nu dit wel is gebeurd bestaat causaal verband tussen het handelen van [Beheer] B.V. en de schade van de gemeente, te weten het niet hebben van verhaal.”
het niet hebben van verhaal”. Volgens het hof had [A] ook als geen sprake zou zijn van liquidatie haar schuld aan [Beheer] gelet op de omstandigheid dat haar activiteiten waren beëindigd niet zonder rechtvaardigingsgrond mogen aflossen. Uit het feit dat dit wel is gebeurd heeft het hof afgeleid dat causaal verband bestaat tussen het handelen van [Beheer] en de schade van de Gemeente. Deze formulering lijkt aan te sluiten bij het uitgangspunt dat de schade bestaat uit het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de boete.
aldus[heeft]
onderbouwd dat deze bestaat uit het niet meer kunnen verhalen van de boete van € 250.000”. Het hof heeft daar ook weergegeven dat de Gemeente heeft toegelicht dat het boetebedrag in de koopovereenkomst tot stand is gekomen tegen de achtergrond van het verschil tussen de koopprijs en de getaxeerde waarde van de verkochte gemeentegrond en mede is opgenomen “
om dit verschil te ondervangen”. Het vervolg van deze rechtsoverweging [46] luidt als volgt:
Dat het contractuele boetebeding, zoals de rechtbank heeft geoordeeld een prikkel tot nakoming betreft en geen schade fixerende functie heeft, waar tegen geen grief is gericht, maakt niet dat de gemeente met het voorgaande haar schade niet heeft onderbouwd.”
subonderdeel 2.2onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft, aldus het subonderdeel, eraan voorbijgezien dat ter beoordeling van de door de Gemeente ingestelde vordering tot schadevergoeding uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid moet worden onderzocht welke schade de Gemeente heeft geleden ten gevolge van het gedrag waarvoor [Beheer] en de bestuurders volgens het hof aansprakelijk zijn – samengevat: de verkoop en overdracht van het perceel door [A] aan HMH (ten gevolge waarvan de contractuele boete van € 250.000 is verbeurd), de aflossing door [A] van haar schuld aan [Beheer] en de ontbinding van [A] . Enkel de schade die de Gemeente als gevolg daarvan heeft geleden komt eventueel voor vergoeding in aanmerking, aldus het subonderdeel. Dat is volgens het subonderdeel het deel van de verbeurde boete dat de Gemeente als gevolg van het verweten gedrag niet op [A] heeft kunnen verhalen. Volgens het subonderdeel is daarom niet relevant dat de hoogte van het overeengekomen boetebedrag verband zou houden met de getaxeerde verkoopwaarde van de aan [A] destijds verkochte percelen grond (€ 757.000) en de prijs waarvoor de Gemeente die percelen grond aan [A] heeft verkocht (€ 455.000).
subonderdeel 2.3is door het hof onvoldoende gemotiveerd dat het verschil tussen de getaxeerde verkoopwaarde van de aan [A] verkochte percelen grond (€ 757.000) en de prijs waarvoor de Gemeente die percelen grond in 2011 aan [A] heeft verkocht (€ 455.000) schade zou zijn, omdat [Beheer] en de bestuurders hebben gesteld dat partijen in 2011 tot een verkoopprijs van € 455.000 zijn gekomen omdat een verkoopprijs van € 750.000 niet tot voldoende intekenaars leidde. [48] In dat licht valt volgens het subonderdeel evenmin in te zien waarom de Gemeente voldoende zou hebben onderbouwd dat haar schade bestaat uit € 757.000 verminderd met € 455.000 en dat het boetebedrag ter ondervanging daarvan in de koopovereenkomst is opgenomen. In werkelijkheid werd de verlaging volgens [Beheer] en de bestuurders veroorzaakt door een gebrek aan intekenaars en staat het boetebeding los van het verschil tussen beide bedragen. Het hof had volgens het subonderdeel aan die essentiële stelling apart aandacht moeten besteden.
subonderdeel 2.4onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. [Beheer] en de bestuurders hebben volgens het subonderdeel (samengevat) onderbouwd aangevoerd dat de baten van [A] onvoldoende zouden zijn geweest om de vordering van de Gemeente te voldoen. Ook als de van HMH ontvangen koopprijs niet door [A] zou zijn aangewend om de schuld van [A] aan [Beheer] (gedeeltelijk) te voldoen, zou de Gemeente volgens het subonderdeel niet de gehele door haar gestelde verbeurde boete van € 250.000 en daarmee niet het gehele door haar gevorderde schadebedrag hebben verkregen. [49] Dat betoog strookt volgens het subonderdeel bovendien met de vaststellingen van het hof in rov. 9.8.6 en 9.9.3 dat [A] in de periode april tot en met november 2018 in het rood stond, het eigen vermogen van [A] op 31 december 2017 (voor ontvangst van de koopsom) € 130.252 negatief was en het eigen vermogen van [A] op 28 november 2018 (na gedeeltelijke aflossing van de rekening-courantschuld aan [Beheer] ) € 60.770 negatief was. In dat licht is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk en/of valt zonder (nadere) motivering, die ontbreekt, niet in te zien om welke reden het hof heeft geoordeeld dat het handelen van [Beheer] en de bestuurders in causaal verband staat met de door de Gemeente geleden schade ter hoogte van € 250.000, omdat de Gemeente dat bedrag “
per definitie” niet van [A] had kunnen verkrijgen.
subonderdeel 2.5is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, om welke reden het hof in rov. 9.8.10 en 9.9.3 heeft geoordeeld dat niet slechts causaal verband bestaat tussen het handelen van [Beheer] en de bestuurders en de schade van de Gemeente tot een bedrag van € 195.000, maar zelfs tot het gehele door de Gemeente gevorderde bedrag van € 250.000. Het hof heeft volgens het subonderdeel in rov. 9.9.3 vastgesteld dat [A] , ten gevolge van de verkoop van het perceel aan HMH, als netto verkoopopbrengst na afdracht van btw een bedrag van € 195.000 heeft ontvangen. [A] had luidens het subonderdeel bij gebrek aan voldoende (andere) baten dus ten hoogste het bedrag aan de Gemeente kunnen betalen dat zij thans aan [Beheer] heeft betaald. [50] In een situatie waarin geen sprake zou zijn geweest van enig onrechtmatig handelen van [Beheer] en de bestuurders had de Gemeente dus ook geen hoger bedrag dan € 195.000 op [A] kunnen verhalen, aldus het subonderdeel. Daaruit volgt volgens het subonderdeel dat in ieder geval geen causaal verband bestaat tussen het handelen van [Beheer] en de bestuurders en de schade van de Gemeente boven het bedrag van € 195.000. Het oordeel van het hof is daarom zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 3.3getuigt het oordeel van het hof dat de door [A] aan de Gemeente verschuldigde contractuele boete niet kan worden gematigd van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daarmee volgens het subonderdeel miskend dat een bedongen boete op grond van art. 6:94 lid 1 BW Pro ten hoogste kan worden gematigd tot de schadevergoeding op grond van de wet, in welk verband de rechter dient te onderzoeken of de partij die de boete is verschuldigd ook een verplichting tot schadevergoeding heeft die aan alle wettelijke vereisten daartoe voldoet, omdat alleen in die situatie sprake is van een op die partij rustende wettelijke verplichting tot schadevergoeding.
subonderdeel 3.4onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof heeft nagelaten te onderzoeken of [A] op grond van enige wetsbepaling voor een bedrag van (minimaal) € 250.000 jegens de Gemeente aansprakelijk is, bij gebreke waarvan het hof niet kon oordelen dat de door [A] aan de Gemeente verschuldigde contractuele boete niet kan worden gematigd. Het hof heeft, klaagt het subonderdeel, niet (kenbaar) vastgesteld om welke redenen, op welke grondslag en/of op basis van welke wetsbepaling op [A] een wettelijke verplichting tot schadevergoeding ter hoogte van (minimaal) € 250.000 rust.
subonderdeel 3.5niet op begrijpelijke wijze worden afgeleid uit het betoog van de Gemeente dat haar schade bestaat uit € 757.000 verminderd met € 455.000 en de vaststelling dat [A] , in strijd met de koopovereenkomst, zonder schriftelijke toestemming van de Gemeente tot verkoop en overdracht van het perceel aan HMH is overgegaan. Daaruit volgt volgens het subonderdeel niet dat [A] ook op grond van de wet verplicht is tot vergoeding van dat verschil, klaagt het subonderdeel. Een dergelijke wettelijke verplichting verhoudt zich volgens het subonderdeel ook niet op begrijpelijke wijze met het gegeven dat [A] en de Gemeente in de koopovereenkomst juist de koopsom van € 455.000 zijn overeengekomen. Dat daaruit een wettelijke verplichting tot schadevergoeding van het verschil zou voortvloeien, is te minder begrijpelijk omdat (i) [Beheer] en de bestuurders hebben aangevoerd dat die lagere koopprijs in werkelijkheid is overeengekomen omdat er bij die hogere koopprijs te weinig intekenaars waren, zodat het verschil van afgerond € 250.000 geen verband houdt met het boetebedrag [51] en (ii) het hof in rov. 9.8.8 heeft geoordeeld dat het boetebeding geen schadefixerende functie heeft. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt mede in het licht van die feiten en omstandigheden niet in te zien dat en om welke reden op [A] enige wettelijke verplichting tot schadevergoeding ter hoogte van (minimaal) € 250.000 jegens de Gemeente rust. Dat heeft tot gevolg dat het hof het matigingsberoep van [Beheer] en de bestuurders wél inhoudelijk had moeten behandelen.
[Beheer]jegens de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 9.8.14, voorlaatste volzin) kan niet het oordeel dragen dat de boete niet kan worden gematigd omdat de in art. 6:94 lid 1 BW Pro gestelde grens aan matiging is bereikt. Daarvoor is immers de verhouding tussen
[A]en de Gemeente van belang.
verplichting tot circulair bouwendie de Gemeente niet meer kan afdwingen doordat [A] het perceel heeft overgedragen.
[A]bevat het bestreden arrest geen oordelen. In hoeverre in die verhouding een wettelijke plicht tot schadevergoeding bestaat – en dus: in hoeverre de verbeurde boete op grond van art. 6:94 lid 1 BW Pro kan worden gematigd – lijkt het hof niet te hebben beoordeeld.