Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
1.
4.De middelen
“dat het belangrijk is om te vermelden dat niet is gebleken dat [medeverdachte 1] communicatie heeft gehad met anderen dan [verdachte] die wijzen op de handel in vuurwapens en dat de verdachten op loop afstand van elkaar wonen hetgeen betekent dat zij geen communicatiemiddelen nodig hebben om contact met elkaar te onderhouden”
“ja bro, ik laat het je zsm weten als ik iets weet”.Kortom, hij zegt geen ja, hij zegt geen nee, noemt geen datum waarop iets geleverd gaat worden. Hij zegt eigenlijk helemaal niets, alleen dat hij gaat navragen. Medeplegen van het overdragen van de ten laste gelegde partij wapens zie ik echt niet in dit gesprek, ook niet in onderlinge samenhang bezien.
31 juli 2021.
1 augustus 2021. In dit gesprek zegt hij tegen [medeverdachte 1] :
“ik heb alles binnen nou”.
“oke, euuhm ja want ik heb met hun afgesproken op dinsdag. Had ik gister met die andere ook al besproken snap je.”Dat kun je interpreteren zoals het Openbaar Ministerie dit doet, namelijk dat [medeverdachte 1] op dinsdag met een aantal kopers heeft afgesproken en dat client voor die deal de wapens moet leveren maar dat is verre van logisch. Dat zou betekenen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een serieuze wapendeal sluiten waarbij ze mensen met heel veel geld laten opdraven, een concrete plek en tijd afspreken terwijl ze niet eens de beschikking hebben over de wapens.
NJ2014/390 m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718,
NJ2015/395 m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
NJ2016/411 m.nt. Rozemond. Kort gezegd moet voor de kwalificatie medeplegen in elk geval sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Dit is aan de orde als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Relevante factoren hierbij kunnen zijn de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. [2] De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Bij een gezamenlijke uitvoering van het delict zal het normaal gesproken steeds om medeplegen gaan. [3] De rechter kan bij zijn oordeel over het medeplegen in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen gezien redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. [4] De toetsing in cassatie van het oordeel van de feitenrechter over het medeplegen wordt in belangrijke mate bepaald door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder een op het medeplegen toegesneden nadere motivering. [5]
PHvK) zijn, dat het er 20 zijn en dat “hij” (ik begrijp: “die ander”,
PHvK) zegt dat ze gelijk moeten worden opgehaald (bewijsmiddel 4). [medeverdachte 1] geeft daarop ongeveer drie minuten later telefonisch aan [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) door dat er overmorgen 20 zijn en dat ze gelijk moeten worden opgehaald (bewijsmiddel 5). [bijnaam 2 medeverdachte 2] geeft vervolgens (ongeveer 35 minuten later) aan [alias verbalisant 1] door dat er over 2 dagen 20 stuks binnenkomen en twee dagen later, op 29 juli 2021, informeert hij bij [alias verbalisant 1] of 20 stuks voor hen gewoon kunnen, waarop [alias verbalisant 1] te kennen geeft dat 20 stuks sowieso kan (bewijsmiddel 6). De verdachte laat vervolgens op 29 juli 2021 (de dag dat er “20” zouden komen) telefonisch aan [medeverdachte 1] weten dat hij “die auto’s” nog niet heeft en dat de verdachte hem (“die ander”,
PHvK) net heeft gezien, dat hij zei dat ze er deze week sowieso zijn, dat de verdachte zo naar “zijn” huis gaat en dit nog even bij hem gaat navragen en dan aan [medeverdachte 1] de dag door zal appen (bewijsmiddel 7). Twee dagen later, op 31 juli 2021 om 18:23:44, laat de verdachte in een appje aan [medeverdachte 1] weten dat “die velgen” morgen (1 augustus 2021,
PHvK) binnen komen en [medeverdachte 1] geeft deze informatie vervolgens vrijwel direct (vanaf 18:48:45) per app door aan [bijnaam 2 medeverdachte 2] , waarbij wordt gezegd dat het om 20 gaat (bewijsmiddel 8). [bijnaam 2 medeverdachte 2] geeft vervolgens op 31 juli 2021 om 18:49 aan [alias verbalisant 1] door “Ze zijn binnen 20 stuks” en vermeldt daarbij “tot dinsdag” (3 augustus 2021,
PHvK) en in een telefoongesprek met [medeverdachte 1] geeft [bijnaam 2 medeverdachte 2] aan dat hij “die man” ( [alias verbalisant 1] ,
PHvK) gesproken heeft en dat die man op dinsdag (3 augustus 2021,
PHvK) komt (bewijsmiddel 9 en 10). Een dag later belt de verdachte met [medeverdachte 1] en meldt aan dat hij alles heeft, waarop [medeverdachte 1] antwoordt dat hij dinsdag met de kopers heeft afgesproken en dat gisteren ook met die andere ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ,
PHvK) besproken heeft. Ook geeft de verdachte aan dat hij “ze” wel even bewaart en er complete setjes van maakt, waarop [medeverdachte 1] reageert dat hij de verdachte van tevoren belt (bewijsmiddel 11). Ook informeert [medeverdachte 1] iets meer dan een uur later bij de verdachte of hij ook een machine voor “die papieren” heeft, omdat het anders best veel is en lang duurt. De verdachte geeft in dat gesprek aan dat hij gaat proberen om iets te regelen, waarop [medeverdachte 1] laat weten dat ze “in die osso van jullie” gaan checken of al “die papieren” goed zijn (bewijsmiddel 12). [6] Op 2 augustus 2021 om 14:48:59 belt [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) naar een telefoonnummer dat op naam staat van ene [betrokkene 1] , die geregistreerd staat op de [c-straat 1] te [plaats] , met de vraag of hij even wat kan wegleggen bij hem, dat hij binnen 5 minuten voor de deur staat en dat het morgen (3 augustus 2021,
PHvK) weer weg is (bewijsmiddel 13). Binnen een half uur laat [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) via de app aan [medeverdachte 1] weten dat de opslagplaats een dagje beschikbaar is (bewijsmiddel 14). Zo’n tien minuten eerder had [bijnaam 2 medeverdachte 2] aan [alias verbalisant 1] geappt of hij een foto van doekoe (geld,
PHvK) heeft kunnen maken, omdat “die onderdelen van waggy” zo dadelijk worden geleverd. [alias verbalisant 1] geeft daarop aan “Die biggie man is morgen NLD hij heeft de doekoe” en “Morgen ochtend krijg ik picca”. [bijnaam 2 medeverdachte 2] geeft aan “Top. Dus het kan geleverd worden” (bewijsmiddel 15). Onmiddellijk na afloop van deze app-conversatie geeft [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) aan [medeverdachte 1] door dat “hy zegt morgen ochtend foto geld” en zegt “Dus laat maar weten ik hebb sleutel” (bewijsmiddel 16). [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) laat vervolgens op die dag om 17 uur aan [alias verbalisant 1] weten dat het er 19 zijn en “hy zegt als j foto Ochtend kn fixen stuurt hij ook”, waarop [alias verbalisant 1] antwoordt dat het belangrijk is om te weten hoeveel er zijn zodat hij weet hoeveel pap (papiergeld,
PHvK) op de picca te zien moet zijn. [bijnaam 2 medeverdachte 2] geeft aan dat het voor nu om 19 stuks gaat, waarop [alias verbalisant 1] aangeeft dat hij de 57K pic morgenvroeg (3 augustus 2021,
PHvK) stuurt (bewijsmiddel 17). Op 2 augustus 2021 informeert de verdachte aan het begin van de avond bij [medeverdachte 1] of hij al een tijd weet (bewijsmiddel 18). Een minuut later informeert [medeverdachte 1] telefonisch bij [medeverdachte 2] of hij al een tijd heeft, waarop [medeverdachte 2] aangeeft “Beetje vroeg” en dat hij in de ochtend een foto gaat krijgen van 57. Ook vraagt [medeverdachte 2] om 18:47:54 aan [medeverdachte 1] of hij “die ding” vandaag of morgen komt stallen (bewijsmiddel 19). [7] Iets minder dan een half uur later appt de verdachte naar [medeverdachte 1] dat morgen kwart voor 12 kan, waarop [medeverdachte 1] aangeeft dat hij nog op een bevestiging van de tijd wacht, waarop hij vervolgens weer bij [medeverdachte 2] informeert naar het tijdstip. [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) geeft dan 14:00 uur door en [medeverdachte 1] appt een half uur later aan de verdachte “hun zijn er om 2 uur” (bewijsmiddel 20). In de ochtend van 3 augustus 2021 wordt door [alias verbalisant 1] om 09:54 uur een foto van het geld voorzien van de tekst “Ready” naar [bijnaam 2 medeverdachte 2] gestuurd, waarop [bijnaam 2 medeverdachte 2] om 10:44 uur aangeeft dat hij de foto doorstuurt. [alias verbalisant 1] geeft om 10:59 uur aan “stuur me pic van di dinge” en om 12:19 uur vraagt hij waar de foto blijft (bewijsmiddel 21). [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) belt om 12:23 uur met [medeverdachte 1] om aan te geven dat ze op een foto wachten, waarop [medeverdachte 1] aangeeft dat hij om 1 uur (13 uur,
PHvK) een foto komt maken van de tas. [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) bevestigt dat dit goed is en zegt “zie je zo” (bewijsmiddel 22). Om 12:24 uur laat [bijnaam 2 medeverdachte 2] aan [alias verbalisant 1] weten dat hij zo die kant opgaat en een foto maakt (bewijsmiddel 23). Om 12:52:47 uur belt [medeverdachte 1] met de verdachte en vraagt hij of de verdachte in de buurt is, de verdachte bevestigt dat en [medeverdachte 1] geeft dan aan dat hij zo even “die auto” komt ophalen en die dan even weg legt, waarop de verdachte aangeeft dat dit goed is. Zij spreken af dat de verdachte naar de viswinkel moet rijden en de verdachte geeft aan dat hij daar over 10 minuten is (bewijsmiddel 26). Twintig minuten later (13:12:32) belt [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) naar [medeverdachte 1] om te vragen hoe laat hij er is, waarop [medeverdachte 1] zegt dat hij nog even aan het wachten is en dat “die jongen” (ik begrijp: de verdachte,
PHvK) eraan komt. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij ( [medeverdachte 1] ) er met 5 à 10 minuten is. Als [medeverdachte 1] vraagt welk nummer het is geeft [medeverdachte 2] aan dat het nr. 5 (ik begrijp: [c-straat 1] ,
PHvK) is (bewijsmiddel 27). De verdachte heeft op 3 augustus 2021 omstreeks 13:16 uur op de hoek van de [b-straat] en de [c-straat] te [plaats] gestaan (bewijsmiddel 28). De verdachte geeft om 13:20:51 telefonisch aan [medeverdachte 1] door dat hij er zo is, waarop [medeverdachte 1] aangeeft dat hij ook zo die kant oploopt en hem daar zo ziet (bewijsmiddel 29). Om 13:29 uur stuurt [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) een foto van vuurwapens in een tas, waarop [alias verbalisant 1] aangeeft dat hij rond 1400 daar is (bewijsmiddel 23). Op de foto’s is een zwart gekleurde tas te zien, gevuld met vuurwapens, patroonhouders en (witte [8] ) doosjes patronen. De ruimte waarin de tas staat wordt na onderzoek door de politie voor 100% herkend als de opslagruimte in de woning aan de [c-straat 1] te [plaats] (bewijsmiddel 25). Om 13:41:13 uur belt [medeverdachte 1] naar de verdachte en vraagt hem of hij geen scooter of iets dergelijks had, want hij wilde snel “die dingen” ophalen. De verdachte geeft aan dat hij nou niets heeft. Ook spreken ze af dat [medeverdachte 1] zometeen naar het huis van de verdachte komt (bewijsmiddel 30). Om 13:55:43 appt [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) aan [medeverdachte 1] dat er maar 200 “ballas” [9] zijn en dat er nog missen (er zijn 16x19 nodig). [medeverdachte 1] antwoordt dat [medeverdachte 2] gelijk heeft en geeft aan dat hij aan het bellen is (bewijsmiddel 31). Om 13:57:34 belt [medeverdachte 1] met de verdachte en zegt dat hij nog 2 doosjes mist en dat ze nu tekort komen, waarop de verdachte aangeeft dat hij dat niet meer heeft en alles leeg is. De verdachte geeft ook aan dat hij kan kijken of hij nog iets kan regelen, waarop [medeverdachte 1] antwoordt “Ja, dat we het later goedmaken met ze”, waarop de verdachte weer reageert met “jajaja komt wel goed” (bewijsmiddel 32). Meteen daarna belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) om te zeggen dat die andere twee later komen, dat de verdachte het verkeerd berekend had en nu niet bij die plek kan en dat het “met de volgende deel” wordt geregeld, waarop [medeverdachte 2] aangeeft “Voor de volgende keer is goed” (bewijsmiddel 33). Ongeveer tien minuten daarna, om 14:09:46, belt de verdachte naar [medeverdachte 1] . In dit gesprek geeft [medeverdachte 1] aan dat hij nu die kant oploopt en dat hij zo naar de osso van de verdachte komt (bewijsmiddel 34). Vervolgens vindt er rond 14:10 uur een ontmoeting plaats tussen [alias verbalisant 2] , [alias verbalisant 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , waarbij [medeverdachte 1] zegt dat de wapens in een huis om de hoek liggen en het tot de afspraak komt dat [alias verbalisant 1] met [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) naar het huis gaat en [medeverdachte 1] met [alias verbalisant 2] zou wachten en het geld alvast zou tellen. [alias verbalisant 1] verbaliseert ook dat [bijnaam 2 medeverdachte 2] vertelde dat de volgende lading onderweg was en dat hij aan hem vroeg wanneer die opgehaald kon worden (bewijsmiddel 36). Om 14:35:38 belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] met de vraag of hij doekoe heeft gezien, waarop [medeverdachte 1] aangeeft “nog niet man”. [medeverdachte 2] geeft dan aan dat hij “nou in die osso” (ik begrijp: [c-straat 1] ,
PHvK) is en dat hij als [medeverdachte 1] die doekoe heeft gezien gelijk naar buiten gaat “met die ding” (de tas met vuurwapens,
PHvK), waarop [medeverdachte 1] aangeeft dat “hij” ( [codenaam 2] ,
PHvK) net is aangekomen (bewijsmiddel 35). Vervolgens vindt de overdracht plaats van de wapens – waaronder onder meer één Walther Creed (bewijsmiddel 37). Uiteindelijk vluchten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ( [bijnaam 2 medeverdachte 2] ) als er “Popo” (politie,
PHvK) aan komt rijden (Bewijsmiddel 36).
PHvK) (bewijsmiddel 3) en van 29 juli 21:09(:15,
PHvK) (bewijsmiddel 7) zonder meer betrekking hebben op de levering van de ten laste gelegde wapens. Ook wordt door de raadsman van de verdachte aangevoerd dat sprake is van een inconsistentie tussen de inhoud van het tapgesprek in bewijsmiddel 11 (gesprek van 1 augustus 2021 om 13:03 tussen de verdachte en [medeverdachte 1] ) en het door [bijnaam 2 medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) op 31 juli 2021 om 18:49 aan [alias verbalisant 1] verstuurde appje (bewijsmiddel 9). Daaruit zou juist blijken dat het om een andere partij gaat, nu verdachte in het gesprek van 1 augustus zegt “ik heb alles nou”, terwijl in het appje van een dag eerder [bijnaam 2 medeverdachte 2] al aan [alias verbalisant 1] heeft laten weten “Ze zijn binnen 20 stuks”.
PHvK) zijn (bewijsmiddel 4). [medeverdachte 1] geeft dit vervolgens direct telefonisch door aan [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 5), waarop [medeverdachte 2] kort daarna per app [alias verbalisant 1] hierover informeert (bewijsmiddel 6). Op 29 juli 2021 antwoordt [alias verbalisant 1] op de vraag van [bijnaam 2 medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) of “die 20 stuks” voor hun ( [alias verbalisant 2] en [alias verbalisant 1] ,
PHvK) gewoon kunnen dat dat sowieso kan (bewijsmiddel 6). De tap- en chatgesprekken die door het hof onder 7 t/m 10 voor het bewijs zijn gebezigd, bouwen – gelet op de datum waarop deze gesprekken plaatsvinden en gezien de inhoud ervan – voort op de eerdergenoemde gesprekken. Dat in die gesprekken in versluierde taal wordt gesproken (“die auto’s” en/of “die velgen”) doet hier mijns inziens niet aan af. Daarbij merk ik op dat in de chat tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 31 juli 2021 om 18:49:07 ook over “20” wordt gesproken (bewijsmiddel 8), terwijl in de tap- en chatgesprekken onder 9 en 10 de voor [alias verbalisant 2] en [alias verbalisant 1] bestemde levering wordt gekoppeld aan “dinsdag”. Bij de eerste dinsdag na 31 juli 2021 gaat het om dinsdag 3 augustus 2021. Dat is de datum waarop [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daadwerkelijk 19 wapens aan [alias verbalisant 2] en [alias verbalisant 1] hebben overgedragen (bewijsmiddel 36). Dat op 2 augustus 2021 blijkt dat het om 19 in plaats van 20 wapens gaat (bewijsmiddel 17), doet mijns inziens niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de inhoud van de met [medeverdachte 1] gevoerde gesprekken in de periode van 21 juli 2021 tot en met 3 augustus 2021 en de observaties op 3 augustus 2021 de wapens betreffen die de verdachte in de periode tussen 21 juli 2021 tot en met 1 augustus 2021 via een leverancier heeft geregeld en die vervolgens op 3 augustus 2021 door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan [alias verbalisant 2] en [alias verbalisant 1] zijn overgedragen.