ECLI:NL:PHR:2026:506

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/02203
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:911 BWArt. 7:912 BWArt. 7:920 BWArt. 7:921 BWArt. 7:922 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat dealer- en reparateurovereenkomsten met Stellantis geen franchiseovereenkomsten zijn

In deze zaak vorderden de Vereniging van Voormalige Opel Dealers Nederland (VODN) en de Vereniging van Groupe PSA Contractpartners Nederland (VGPCN) dat hun dealer- en reparateurovereenkomsten met Stellantis als franchiseovereenkomsten in de zin van art. 7:911 lid 1 BW Pro zouden worden gekwalificeerd. De rechtbank wees deze vorderingen af wegens het ontbreken van een vergoedingselement dat kenmerkend is voor franchise. Het hof bekrachtigde dit vonnis, maar wees de vorderingen af op andere gronden, namelijk dat onvoldoende was aangetoond dat sprake was van een franchiseformule die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de ondernemingen.

Het hof stelde vast dat hoewel er elementen zijn die op franchising kunnen lijken, de dealer- en reparateurovereenkomsten feitelijk kenmerken van selectieve distributie vertonen. Met name grotere dealers met meerdere vestigingen opereren onder eigen naam en reputatie, en zijn niet primair verbonden aan een uniforme Stellantis-formule. Ook reparateurs vertonen geen uniforme uitstraling en bedienen vaak meerdere merken. De Wet franchise, die sinds 2021 van kracht is, beoogt franchiseovereenkomsten te regelen die gekenmerkt worden door exploitatie van een uniforme formule, hetgeen hier niet het geval is.

In cassatie werden diverse klachten ingediend over de motivering van het hof, met name over de interpretatie van uniforme identiteit, multibrand situaties en de toepassing van selectieve distributie. De A-G concludeert dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de overeenkomsten niet als franchiseovereenkomsten kwalificeren, mede gelet op de wetsgeschiedenis, de inhoud van de overeenkomsten en de feitelijke situatie. De klachten falen en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de dealer- en reparateurovereenkomsten met Stellantis geen franchiseovereenkomsten zijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02203
Zitting22 mei 2026
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
1. Vereniging van Voormalige Opel Dealers Nederland
2. Vereniging van Groupe PSA Contractpartners Nederland,
eiseressen tot cassatie
tegen
Stellantis Nederland B.V.,
verweerster in cassatie
Eiseressen worden hierna verkort aangeduid als VODN en VGPCN en gezamenlijk ook als VODN c.s. of de dealers en verweerster als Stellantis.
VODN en VGPCN vertegenwoordigen autobedrijven die dealer- en reparateurovereenkomsten met Stellantis hebben gesloten. Zij vorderen in deze zaak een declaratoir dat al deze overeenkomsten franchiseovereenkomsten zijn in de zin van art. 7:911 lid 1 BW Pro. De rechtbank heeft de vorderingen van VODN en VGPCN afgewezen, kort gezegd vanwege het ontbreken van een voor franchise vereist vergoedingselement. Het hof heeft het vonnis bekrachtigd, maar de vordering op andere gronden afgewezen. Het hof heeft geoordeeld dat onvoldoende is aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat de dealer- en reparateurovereenkomsten van (al) de betrokken dealers en reparateurs moeten worden aangemerkt als franchiseovereenkomsten in de zin van art. 7:911 lid 1 BW Pro. Weliswaar zijn er elementen in de rechtsverhoudingen tussen de dealers en reparateurs enerzijds en Stellantis anderzijds die kunnen passen bij franchiseovereenkomsten, maar er is volgens het hof geen recht op en verplichting tot het exploiteren van een formule van Stellantis die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de ondernemingen van de dealers en reparateurs.
In cassatie klagen VODN en VGPCN dat het hof ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd de dealer- en reparateursovereenkomsten niet (mede) als franchiseovereenkomsten heeft gekwalificeerd. Ik zie de klachten niet slagen.
1.Feiten [1]
1.1 De rechtsvoorgangers van Stellantis [2] hebben met hun dealers dealerovereenkomsten gesloten voor onbepaalde duur. In de overeenkomsten is aan de dealers het niet-exclusieve recht toegekend om tegen bepaalde voorwaarden nieuwe voertuigen van de merken Opel, Peugeot, Citroen en DS te verkopen met bijbehorende uitrustingen, accessoires en diensten. In de overeenkomsten en de bijlagen die daarvan deel uitmaken zijn allerlei eisen gesteld waaraan de dealers moeten voldoen. Deze eisen betreffen onder meer de inkoop en verkoop van producten, de bedrijfsvoering, de werkprocessen, het interieur en exterieur van de dealervestigingen, trainingen en opleidingen, het verlenen van service en het behalen van commerciële doelstellingen.
1.2 De rechtsvoorgangers van Stellantis hebben met (een deel van) hun dealers en met andere autobedrijven reparateurovereenkomsten voor onbepaalde duur gesloten. In de overeenkomsten kregen de bedrijven het recht en de plicht om als ‘erkend’ reparateur garantie-, onderhouds- en reparatiewerkzaamheden uit te voeren aan voertuigen van de eerdergenoemde merken. In de overeenkomsten en de bijlagen die daarvan deel uitmaken zijn eisen van verschillende aard gesteld waaraan de reparateurs moeten voldoen.
1.3 De dealer- en reparateurovereenkomsten zijn in 2021 opgezegd en op 4 september 2023 geëindigd. Met (een deel van) de dealers zijn nieuwe overeenkomsten gesloten. Deze overeenkomsten zijn aan te merken als agentuurovereenkomsten. Ook met (een deel van) de reparateurs zijn nieuwe overeenkomsten gesloten; de aard van deze overeenkomsten wijkt niet wezenlijk af van de aard van de oude overeenkomsten.
2.Procesverloop [3]
2.1 VODN en VGPCN treden in deze zaak op als lasthebber van erkende dealers en reparateurs. Zij hebben in eerste aanleg gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de relatie tussen de erkende dealers en reparateurs enerzijds en Stellantis anderzijds de elementen bevat van een franchiseovereenkomst in de zin van art. 7:911 BW Pro en aldus kwalificeert als franchiseovereenkomst.
2.2 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat niet duidelijk is gemaakt waarom de financiële voordelen die Stellantis ontvangt van de dealers en reparateurs met betrekking tot geleverde voertuigen, onderdelen en diensten moeten worden aangemerkt als een vergoeding voor het recht om een franchiseformule te exploiteren. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat niet kan worden vastgesteld dat de dealers en reparateurs niettemin hebben begrepen en hebben mogen begrijpen dat zij een dergelijke vergoeding verschuldigd waren en daarmee expliciet of impliciet hebben ingestemd. Vanwege het ontbreken van het vergoedingenelement kunnen de dealer- en reparateurovereenkomsten volgens de rechtbank niet worden aangemerkt als franchiseovereenkomsten.
2.3 VODN en VGPCN hebben hoger beroep ingesteld. Zij hebben onder aanvoering van zeven grieven geconcludeerd tot het vernietigen van het vonnis en gevorderd alsnog voor recht te verklaren dat de onderhavige dealer- en reparateurovereenkomsten de elementen bevatten van de franchiseovereenkomst in de zin van art. 7:911 BW Pro en aldus als franchiseovereenkomsten moeten worden gekwalificeerd, kosten rechtens.
2.4 Het hof heeft het vonnis bekrachtigd, met veroordeling van VODN en BGPCN in de kosten van het hoger beroep. Het hof heeft daartoe onder meer als volgt overwogen:
“De algemene aard van de vorderingen
5.7. VODN en VGPCN treden in deze procedure op als lasthebber voor een groot aantal dealers en reparateurs. Hun vorderingen brengen mee dat er geen individuele beoordeling plaatsvindt van de overeenkomsten die deze dealers en reparateurs met Stellantis hebben gesloten. Voor toewijzing van de vorderingen is nodig dat voor al deze overeenkomsten geldt dat sprake is van een franchiseovereenkomst.
Franchise in de zin van art. 7:911 lid 1 BW Pro: uitgangspunt
5.8. Met de inwerkingtreding van de Wet franchise heeft de franchiseovereenkomst een plaats in de wet gekregen als bijzondere overeenkomst. Bepalend voor de vraag of sprake is van een franchiserelatie is niet de benaming, kwalificatie of titel die partijen voor hun overeenkomst hanteren, maar de feitelijke inhoud van hun onderlinge relatie. De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet franchise biedt echter geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om overeenkomsten zoals de onderhavige, die vóór de invoering van de Wet franchise niet als franchiseovereenkomsten werden beschouwd (zie verder hierna onder 5.18), onder de Wet franchise te brengen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis kan eerder het tegendeel worden afgeleid. In de Memorie van Toelichting is immers vermeld dat wat betreft de definities van ‘franchiseovereenkomst’, 'franchiseformule', ‘franchisegever’ en 'franchisenemer ’ materieel geen verschil wordt beoogd met de begrippen die in de gedragscodes en praktijk worden gehanteerd [4] . Bovendien is de definitie van 'franchiseformule’ aangepast om deze meer aan te laten sluiten bij de in de praktijk gangbare uitleg van het begrip [5] .
5.9. Ook het overgangsrecht levert geen aanwijzing op dat de wetgever voor ogen heeft gestaan om andere overeenkomsten onder het bereik van de nieuwe wet te laten vallen dan de overeenkomsten die tot dan toe als franchiseovereenkomsten werden aangemerkt. Het overgangsrecht is gericht op lopende franchiseovereenkomsten. Deze franchiseovereenkomsten moeten in overeenstemming worden gebracht met de wettelijke eisen. De overgangsperiode van twee jaar voor de artikelen 7:920 en 7:921 BW is daarop afgestemd, waarbij in aanmerking is genomen dat de gemiddelde resterende looptijd van bestaande franchiseovereenkomsten tweeëneenhalf jaar is, uitgaande van de meest gangbare duur van vijf jaar [6] . Er is niets opgemerkt over het aanpassen van overeenkomsten die tot dan niet als franchiseovereenkomsten werden aangemerkt. Daarvoor zou zeker reden zijn geweest, indien het de bedoeling was om dergelijke overeenkomsten als franchiseovereenkomsten te gaan beschouwen. Met name de artikelen 7:920 lid 1 en 7:921 BW kunnen immers aanmerkelijk ingrijpen in bestaande rechtsverhoudingen. Bij dergelijke ingrijpende wijzigingen in bestaande relaties is te meer van belang dat op betrekkelijk eenvoudige wijze kan worden vastgesteld wie behoren tot de kring van franchisenemers, en dus welke rechtsverhoudingen wel en welke niet beantwoorden aan de definitie en strekking van art. 7:911 lid 1 BW Pro.
5.10. Het hof houdt met het voorgaande rekening bij het beantwoorden van de vraag of de relatie tussen Stellantis enerzijds en de dealers en reparateurs anderzijds moet worden aangemerkt als een franchiseovereenkomst in de zin van art. 7:911 lid 1 BW Pro.
Franchiseformule
5.11. De kern van franchise is dat de franchisegever de rechthebbende of gebruiksgerechtigde is met betrekking tot een franchiseformule en aan anderen het recht geeft en de verplichting oplegt om hun onderneming te exploiteren volgens deze franchiseformule.
5.12. Het hof bespreekt eerst of sprake is van een franchiseformule. Indien sprake is van een franchiseformule, kan en moet worden beoordeeld of de financiële voordelen die voor Stellantis besloten liggen in (met name) de prijs voor leveringen van voertuigen, onderdelen en diensten, een vergoeding zijn voor het recht om een franchiseformule van Stellantis te exploiteren. Het hof merkt op dat deze wijze van behandelen tegemoetkomt aan hetgeen VODN en VGPCN betogen met grief 1, maar het hof laat verder in het midden of deze grief gegrond is.
5.13. Een franchiseformule is volgens art. 7:911 lid Pro 2, aanhef en onder a, BW, een:
‘operationele, commerciële en organisatorische formule voor de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten, die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen binnen de keten waar deze formule wordt toegepast, en die in ieder geval omvat:
1° een handelsmerk, model of handelsnaam, huisstijl of tekening; en
2° knowhow, zijnde een geheel van niet door een intellectueel eigendomsrecht beschermde praktische informatie, voortvloeiend uit de ervaring van de franchisegever en uit de door hem uitgevoerde onderzoeken, welke informatie geheim, wezenlijk en geïdentificeerd is'.
5.14. De exploitatie van de formule is het onderwerp van de franchiseovereenkomst. In dit licht kan worden gezegd dat het partijen, ook de franchisenemer, te doen moet zijn om de formule en het exploiteren daarvan. De franchisenemer wenst zijn bedrijf in te richten en te exploiteren aan de hand van de operationele, commerciële en organisatorische elementen die tezamen de formule vormen. Dit is meer dan een wens om producten te kunnen verkopen die alleen van één bepaalde leverancier kunnen worden afgenomen. Het is een gewenst 'bedrijfsconcept' (vergelijk Richtsnoeren inzake verticale beperkingen [7] , paragraaf 4.6.3).
5.15. Verder geldt de eis dat de formule bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen. De eenheid binnen de keten in identiteit en uitstraling is belangrijk, niet alleen voor de franchisegever, maar ook voor de franchisenemers. Zij zijn daarvan in zekere zin afhankelijk voor hun bedrijfsresultaat en behoren daaraan samen bij te dragen.
a. Dealers
5.16. Het is niet uitgesloten dat er dealers zijn waarvoor het uitoefenen van het dealerschap conform de voorschriften van Stellantis het gewenste bedrijfsconcept is om hun bedrijf te exploiteren en ten aanzien van welke bedrijven sprake is van een zekere uniforme uitstraling. Er zijn in deze procedure echter ook meerdere voorbeelden gegeven van dealers waarvoor het anders ligt. Het hof heeft dan met name het oog op grotere dealers, vaak met meerdere vestigingen, die vooral – regionaal – bekend zijn onder hun eigen naam en met een eigen reputatie. Voorbeelden van dergelijke grotere dealers zijn [A], [B], Motorhuis, Stern (thans: Hedin Automotive), [C] [D], [E]. Deze dealers opereren met een voor hun klanten kenbare, eigen identiteit, presenteren zich onder eigen naam, ook op hun websites, en zijn niet primair verbonden met of afhankelijk van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald Stellantis-merk. De operationele, commerciële en organisatorische eisen zoals die daadwerkelijk aan de dealers zijn gesteld, zijn klaarblijkelijk niet bepalend voor een uniforme identiteit en uitstraling. Dat het bij de desbetreffende gevallen slechts om gedoogsituaties gaat, hebben appellanten niet gesteld, althans niet met concrete feiten onderbouwd. Bovendien hebben meerdere dealers verschillende dealerschappen (multibrand), ook buiten Stellantis, wat zich moeilijk laat verenigen met een uniforme identiteit en uitstraling van een formule van Stellantis.
5.17. Voor deze bedrijven geldt bovendien dat er geen of onvoldoende naar voren is gebracht om te veronderstellen dat zij hun onderneming niet kunnen of willen exploiteren zonder de operationele, commerciële en organisatorische elementen van een Stellantis-formule. Zij zijn echter gedwongen om die elementen te accepteren, indien zij nieuwe auto’s van de Stellantis-merken willen verkopen, met de bijbehorende accessoires. Het gaat niet zozeer om een formule die deze autobedrijven willen exploiteren, maar om de auto’s en accessoires die zij willen verkopen. De operationele, commerciële en organisatorische elementen zijn kwalitatieve voorwaarden en eisen die het bedrijf moet accepteren om de producten te mogen verkopen. Dat is kenmerkend voor selectieve distributie (Richtsnoeren inzake verticale beperkingen, paragraaf 4.6.2). De voorwaarden en eisen kunnen ook in belangrijke mate worden gezien als een gevolg van het hoogwaardige en of hoogtechnologische karakter van de producten en de luxueuze uitstraling (van een deel) daarvan (Richtsnoeren inzake verticale beperkingen, nr. 149).
5.18. Dit sluit overigens aan bij het feit dat vóór de invoering van de Wet franchise in het algemeen werd aangenomen dat bij dealer- en reparateurovereenkomsten zoals de onderhavige geen sprake was van franchise, maar van selectieve distributie. Ook in de EU-publicaties over de autobranche, met name van de Europese Commissie, is daarvan uitgegaan. De voorwaarden en eisen waaraan de dealers moeten voldoen in het kader van dealerovereenkomsten, zijn al vele decennia gangbaar. Ze komen onder meer aan de orde in Beschikking 75/73/EEG van de Commissie van 13 december 1974 [8] in een procedure op grond van art. 85 EEG Pro-Verdrag (oud). Ook de Verordeningen 123/85 en 1475/95 met betrekking tot de groepsvrijstellingen in de autobranche hadden tot uitgangspunt dat het overeenkomsten betreft binnen een stelsel voor het distribueren van de producten en dat deze ‘regelingen inzake exclusieve en selectieve afzet in de automobielsector kunnen worden geacht de rationalisering te dienen en onmisbaar te zijn’ [9] .
5.19. In de evaluatie van Verordening (EG) 1475/95 spreekt de Commissie van een ‘selectief distributiesysteem’ [10] '.Over dat systeem wordt in nr. 14 van het verslag onder meer opgemerkt:
‘Selectiviteit betekent dat elke fabrikant of importeur criteria vaststelt voor de selectie van zijn distributeurs. Die criteria kunnen voornamelijk van kwalitatieve aard zijn. Dergelijke resultaatsgebonden criteria zijn bijvoorbeeld een verplichting om specialisten in dienst te nemen, de verkoopruimte te ontwerpen volgens de richtsnoeren van de fabrikant, de service na verkoop te verrichten volgens bepaalde normen, en aan bepaalde voorraadvereisten en reclamenormen te voldoen. Distributeurs die tot het netwerk behoren mogen geen producten verkopen aan wederverkopers die niet tot het netwerk behoren. Een selectief distributiesysteem creëert derhalve een netwerk waarvan alle ondernemingen zijn uitgesloten die niet aan de specifieke criteria voor de distributie van de betrokken goederen voldoen. In een distributiesysteem dat uitsluitend gebaseerd is op kwalitatieve criteria is de fabrikant/importeur evenwel verplicht om elke onderneming die aan deze criteria voldoet als distributeur aan te wijzen. De fabrikant kan immers niet subjectief zijn in de toepassing van deze criteria. Om het aantal officiële dealers te beperken, passen fabrikanten en importeurs daarom bovendien een verdere kwantitatieve selectie toe onder de distributeurs die aan de kwalitatieve criteria voldoen. Dergelijke kwantitatieve criteria behelzen bijvoorbeeld het aantal dealers dat reeds in hetzelfde verkoopgebied actief is of het opleggen van verkoopdoelstellingen. Dientengevolge beschikt elke fabrikant over een grote speelruimte bij de organisatie van zijn distributienetwerk inzonderheid wat betreft de plaats waar de dealer zijn activiteiten moet uitoefenen, en het tot het netwerk behorende aantal dealers dat volstaat om zijn marketingstrategie te vervullen.’
5.20. Het ging dus niet om een ‘bedrijfsconcept’ of formule, maar om eisen en voorwaarden die pasten bij de verkoop van nieuwe auto’s en de bijbehorende service en waarvan werd aangenomen dat die daarvoor noodzakelijk waren.
5.21. Dit is niet anders geworden bij het in werking treden van Verordening (EG) 1400/2002 van 31 juli 2002 [11] . In art. 1, aanhef en onder f, van de verordening is omschreven wat onder een ‘selectief distributiestelsel’ wordt verstaan:
‘een distributiestelsel waarbij de leverancier zich ertoe verbindt de contractgoederen of diensten, direct of indirect, alleen te verkopen aan distributeurs of herstellers die op grond van gespecificeerde criteria zijn uitgekozen en waarbij deze distributeurs of herstellers zich ertoe verbinden deze goederen of diensten niet aan niet-erkende distributeurs of onafhankelijke herstellers te verkopen, onverminderd de mogelijkheid om reserveonderdelen aan onafhankelijke herstellers te verkopen of de verplichting om alle technische informatie, diagnoseapparatuur, gereedschap en opleiding welke noodzakelijk zijn voor de herstelling en het onderhoud van motorvoertuigen of voor de tenuitvoerlegging van milieubeschermende maatregelen, aan onafhankelijke marktdeelnemers te verstrekken’.
5.22. Volgens Verordening (EG) 1400/2002 kon een selectief distributiestelsel, wat betreft de groepsvrijstelling, niet meer samengaan met een exclusief distributiestelsel. Niet weersproken is dat, zoals Stellantis heeft opgemerkt, na het in werking treden van deze verordening een groot aantal dealerovereenkomsten is vervangen door overeenkomsten betreffende selectieve distributie zonder exclusiviteit, waaronder ook de overeenkomsten waarbij Stellantis en haar rechtsvoorgangers partij waren. Deze dealerovereenkomsten waren dus gebaseerd op het uitgangspunt dat het ging om selectieve distributie en dat de regels golden die waren gegeven voor selectieve distributie, terwijl er geen aanwijzing is dat partijen ervan uitgingen dat (tevens) sprake was van franchise. Verordening (EG) 1400/2002 is opgevolgd door Verordening (EU) nr. 461/2010 van 27 mei 2010 [12] .
5.23. Ook in andere documenten is de kwalificatie van dealerovereenkomsten als selectieve distributie uitdrukkelijk uitgesproken.
In paragraaf 2 (‘selectieve distributie’) van de Aanvullende richtsnoeren betreffende verticale beperkingen in overeenkomsten voor de verkoop en herstelling van motorvoertuigen en voor de distributie van reserveonderdelen voor motorvoertuigen [13] is in nr. 42 onder meer vermeld:
‘Selectieve distributie is momenteel de meest voorkomende distributiemethode in de motorvoertuigensector. Het gebruik ervan is wijdverbreid voor de distributie van motor voertuigen, maar ook voor herstelling en onderhoud en voor de distributie van reserveonderdelen.’
In het verslag over de werking van Verordening (EU) 461/2010 van 28 mei 2021 [14] is onder meer vermeld (p. 9) ‘dat met name de overgrote meerderheid van de personenauto’s nog steeds via kwantitatieve selectieve distributienetwerken wordt gedistribueerd’.
5.24. In aanmerking genomen dat steeds is aangenomen dat dealerovereenkomsten als de onderhavige selectieve distributie betreffen, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat de onderhavige dealerovereenkomsten (tevens) als franchiseovereenkomsten zijn beschouwd, zou het een wezenlijke breuk met het verleden zijn, indien de overeenkomsten thans (tevens) als franchiseovereenkomsten zouden moeten worden gekwalificeerd.
In het licht van hetgeen het hof heeft opgemerkt in 5.8 en 5.9, ligt het niet in de rede dat de wetgever heeft beoogd dealerovereenkomsten als de onderhavige vanaf 2021 onder de werking van de Wet franchise te brengen.
b. Reparateurs
5.25. Wat voor de dealers geldt, gaat nog sterker op voor de reparateurs die niet tevens dealer voor Stellantis zijn. Weliswaar zijn er elementen die aanduiden dat zij ‘erkend’ reparateur voor Stellantis-merken zijn, maar een uniforme identiteit en uitstraling valt daarin in het algemeen niet te herkennen. Bovendien bedienen deze bedrijven in de regel niet alleen klanten met auto’s van Stellantis-merken. Feiten of omstandigheden die desondanks het oordeel rechtvaardigen dat deze reparateurs een franchiseformule van Stellantis exploiteren, zijn niet of onvoldoende naar voren gebracht. Overigens vallen ook de reparateurovereenkomsten onder de werking van de hiervoor genoemde Verordening (EG) 461/2010.
c. Conclusie
5.26. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende is aangedragen om de conclusie te rechtvaardigen dat de dealer- en reparateurovereenkomsten van (al) de betrokken dealers en reparateurs moeten worden aangemerkt als franchiseovereenkomsten in de zin van art. 7:911 lid 1 BW Pro. Weliswaar zijn er elementen in de rechtsverhoudingen tussen de dealers en reparateurs enerzijds en Stellantis anderzijds die ook kunnen passen bij franchiseovereenkomsten, maar er is geen recht op en verplichting tot het exploiteren van een formule van Stellantis die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de ondernemingen van de dealers en reparateurs.”
2.5 VODN en VPGCN hebben tijdig cassatieberoep ingesteld. Stellantis heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna VODN en VPGCN hebben gerepliceerd en Stellantis heeft gedupliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bestaat uit vier onderdelen.
Onderdeel 1(‘Uniforme identiteit en uitstraling dealers’) richt in vijf subonderdelen rechts- en motiveringsklachten tegen de oordelen in rov. 5.16 dat verschillende met name grotere dealers met een eigen identiteit opereren en dat de eisen die aan de dealers zijn gesteld blijkbaar niet bepalend zijn voor een uniforme identiteit en uitstraling; dat eiseressen niet hebben gesteld, althans onderbouwd dat het in die gevallen om gedoogsituaties gaat; en dat meerdere dealers bovendien verschillende dealerschappen hebben (multibrand), ook buiten Stellantis, wat zich moeilijk laat verenigen met een uniforme identiteit en uitstraling van Stellantis.
Onderdeel 2(‘Franchise en selectieve distributie’) richt rechts- en motiveringsklachten in vier subonderdelen tegen de oordelen in rov. 5.17 t/m 5.24 dat niet (voldoende) naar voren is gebracht dat deze bedrijven hun onderneming niet kunnen of willen exploiteren zonder de elementen van een Stellantis-formule; dat zij echter gedwongen zijn om elementen te accepteren indien zij auto’s en accessoires van Stellantis-merken willen verkopen; dat het deze autobedrijven niet zozeer gaat om een formule die zij willen exploiteren, maar om de auto’s en accessoires die zij willen verkopen; dat deze bedrijven voorwaarden en eisen moeten accepteren om de producten te mogen verkopen; dat dit kenmerkend is voor selectieve distributie; dat de voorwaarden en eisen in belangrijke mate kunnen worden gezien als een gevolg van het hoogwaardige en of hoogtechnologische karakter van de producten en luxueuze uitstraling daarvan (rov. 5.17) en dat dit aansluit bij het feit dat vóór de invoering van de Wet franchise in het algemeen werd aangenomen dat bij dealer- en reparateursovereenkomsten zoals onderhavige geen sprake was van franchise, maar van selectieve distributie, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat onderhavige overeenkomsten (mede) als franchiseovereenkomsten zijn beschouwd (rov. 5.18 t/m 5.24).
Onderdeel 3(‘Uniforme identiteit en uitstraling reparateurs’) heeft ook vier subonderdelen en richt rechts- en motiveringsklachten tegen de oordelen in rov. 5.25 dat in het algemeen geen uniforme identiteit en uitstraling bij de reparateurs valt te herkennen; dat deze bedrijven bovendien niet alleen klanten met auto’s van Stellantis-merken bedienen; dat niet of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die desondanks het oordeel rechtvaardigen dat deze reparateurs een franchiseformule van Stellantis exploiteren en dat de reparateursovereenkomsten overigens ook onder de werking van de Verordening (EG) 461/2010 vallen.
Onderdeel 4bevat alleen een voortbouwende klacht.
Titel 16 van boek 7 BW
3.2
Sinds de inwerkingtreding van de Wet franchise op 1 januari 2021 is de franchiseovereenkomst een benoemde overeenkomst geworden, geregeld in titel 16 van boek 7 BW (art. 7:911-7:922 BW) [15] . De strekking van de wet is om de positie van de franchisenemer ten opzichte van de franchisegever te versterken [16] . De gedachte is dat de franchiserelatie in zekere zin intrinsiek ongelijkwaardig is, omdat de franchisegever de franchiseformule heeft en de franchisenemer relatief afhankelijk van hem is [17] . Titel 7.16 BW beoogt daarom meer evenwichtige franchiseverhoudingen te creëren met bepalingen over informatie-uitwisseling (met name van de kant van de franchisegever aan de franchisenemer, zowel voorafgaand als na sluiting van de overeenkomst), tussentijdse wijziging, beëindiging van de samenwerking (met aandacht voor de aspecten goodwill en non-concurrentie) en overleg tussen franchisegever en zijn franchisenemers [18] . Centraal staat daarbij dat partijen zich moeten gedragen als ‘goed franchisegever’ en ‘goed franchisenemer’ (art. 7:912 BW Pro) [19] .
3.3
De wet zelf definieert niet wat ‘franchise’ is; in de Toelichting wordt ‘franchise’ zo omschreven:
“Franchise is een systeem voor de afzet van goederen of diensten, gebaseerd op een hechte en voortdurende samenwerking tussen juridisch en financieel zelfstandige en onafhankelijke ondernemingen: de franchisegever en zijn individuele franchisenemer(s)” [20] .
Tijdens de consultatiefase is door de onder meer de Nederlandse Franchise Vereniging (hierna: NFV) bepleit om wel een definitie in de wet op te nemen. De NFV stelde deze definitie voor:
“Franchise is een systeem voor de afzet van goederen of diensten, gebaseerd op een hechte en voortdurende samenwerking tussen juridisch en financieel zelfstandige en onafhankelijke ondernemingen: de franchisegever en zijn individuele franchisenemers. De franchisegever verleent daarbij aan individuele franchisenemers het recht en legt hen de verplichting op om een bedrijf te exploiteren volgens het concept van de franchisegever.” [21]
Dat werd wetssystematisch niet passend geacht. In de wet zelf staat de franchiseovereenkomst centraal, net als bij de wettelijke regeling van andere benoemde overeenkomsten in boek 7 BW, zoals de arbeidsovereenkomst, huurovereenkomst, agentuurovereenkomst etcetera [22] . Dat neemt niet weg dat de wetgever heeft willen aansluiten bij wat in de praktijk onder ‘franchise’ werd verstaan. De wettelijke begrippen ‘franchiseovereenkomst’, ‘franchiseformule’, ‘franchisegever’ en ‘franchisenemer’ bevatten tezamen alle elementen die in de omschrijving van franchise/franchising in bestaande zelfregulerende gedragscodes en in de praktijk zijn te vinden [23] . De wettelijke definities sluiten onderling aan en er is materieel geen verschil beoogd met de in de gedragscodes en in de praktijk gehanteerde begrippen, aldus de regering [24] .
3.4
Naast het BW biedt ook het Nederlandse en Europese mededingingsrecht kaders voor de franchiserelatie en de franchiseovereenkomst [25] . Art. 12 Mw Pro bepaalt dat het kartelverbod niet geldt voor overeenkomsten, besluiten en gedragingen waarvoor art. 101 VWEU Pro (het kartelverbod) krachtens een Europese vrijstellingsverordening buiten toepassing is verklaard [26] . Voor franchise zijn met name de Groepsvrijstellingsverordening verticale overeenkomsten en de bijbehorende Richtsnoeren van belang. Het Nederlandse en Europese mededingingsrecht en de Wet franchise hebben te onderscheiden strekkingen, namelijk het borgen van effectieve concurrentie enerzijds en versterking van de positie van de franchisenemer ten opzichte van de franchisegever anderzijds [27] . Beide regimes staan dus los van elkaar en zijn afzonderlijk van elkaar van toepassing op de franchiserelatie [28] .
Typen van franchising
3.5
In de literatuur worden verscheidene typen van franchising onderscheiden, zodat de vraag rijst welke franchiserelaties titel 7.16 BW beoogt te regelen. Het moet allereerst gaan om franchise betreffende de productie van goederen, de verkoop van goederen en de verlening van diensten [29] . Ook een combinatie van deze vormen van franchise wordt erdoor bestreken. Zo gaan verkoop van goederen en dienstverlening vaak samen, net als productie en verkoop [30] . In de literatuur worden deze vormen van franchising wel omschreven als ‘distributie franchising’, gericht op eindgebruikers. Dat staat tegenover ‘industriële franchising’, die niet gericht is op eindgebruikers maar een vorm van horizontale samenwerking is tussen leveranciers van grondstoffen en verwerkers daarvan [31] . Bij industriële franchising wordt vaak geen uniforme identiteit en uitstraling binnen de keten beoogd [32] . Aangenomen wordt dat deze vorm van franchising níet onder titel 7.17 BW valt, omdat daarvoor juist wel een ‘uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen binnen de keten’ is vereist (art. 7:911 lid 2 onder Pro a BW) [33] . De focus van de nieuwe wet ligt op distributie franchising, waarbij de franchisenemer ‘bepaalde producten of diensten aan[biedt] in een winkel, met daarbij onder meer als kenmerk dat men met een eenduidig format bekendheid bij het publiek beoogt te verkrijgen’ [34] . Het kenmerkende ‘eenduidige format’ van distributie franchising is vaak neergelegd in een handboek waarin ‘het business format’, dat wil zeggen de wijze waarop de franchisenemer de vestiging dient te exploiteren, is uiteengezet [35] .
3.6
Daarnaast valt volgens de Toelichting zowel ‘soft franchise’ als ‘hard franchise’ onder de Wet franchise [36] . Dit niet in de wet zelf opgenomen onderscheid ziet op de mate waarin de franchisegever de bedrijfsvoering van de franchisenemer bepaalt. Bij ‘soft franchise’ heeft franchisenemer binnen de franchiseformule veel vrijheid om zijn activiteiten zelf in te vullen. Bij ‘hard franchise’ is de bedrijfsvoering juist tot in het kleinste detail voorgeschreven door de franchisegever [37] . Dit is geen zwart-wit onderscheid, maar een glijdende schaal. Een vorm van ‘hard’ franchising is ‘business format franchising’, dat weer kan worden onderverdeeld in het ‘shop-in-shop-system’ en het ‘total business system’ [38] . Het ‘shop-in-shop-system’ wordt toegepast tussen een franchisegever en een al bestaande ondernemer, die bereid is een deel van zijn winkeloppervlakte ter beschikking te stellen voor franchising (vgl. de modemerkwinkels in de Bijenkorf), terwijl het ‘total business system’ de meest geïntegreerde vorm van samenwerking betreft, waarbij de franchisenemer het bedrijfsconcept van de franchisegever tot in de kleinste details toepast [39] .
De franchiseovereenkomst
3.7
De franchiseovereenkomst wordt in art. 7:911 lid 1 BW Pro als volgt omschreven:
“De franchiseovereenkomst is de overeenkomst waarbij de franchisegever aan een franchisenemer tegen vergoeding het recht verleent en de verplichting oplegt om een franchiseformule op de door de franchisegever aangewezen wijze te exploiteren voor de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten.”
3.8
Zoals bekend uit andere benoemde overeenkomsten, is de feitelijke inhoud van de onderlinge relatie van partijen beslissend voor de kwalificatie als franchiseovereenkomst, niet het etiket dat partijen er zelf op plakken [40] . Titel 9.16 BW bevat semidwingend recht; er mag niet van worden afgeweken ten nadele van in Nederland gevestigde franchisenemers, art. 7:922 BW Pro. De kwalificatie moet plaatsvinden aan de hand van de feitelijke verhoudingen en afspraken tussen partijen [41] . Wanneer de partijrelatie alle elementen kent uit de definitie van de franchiseovereenkomst en in het verlengde daarvan de kenmerken van ‘franchiseformule’, ‘franchisegever’ en ‘franchisenemer’, dan is titel 7.16 BW op die relatie van toepassing [42] . In lid 2 van art. 7:911 BW Pro worden die begrippen als volgt gedefinieerd:
“In deze titel wordt verstaan onder:
a.
franchiseformule: operationele, commerciële en organisatorische formule voor de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten, die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen binnen de keten waar deze formule wordt toegepast, en die in ieder geval omvat:
1°. een handelsmerk, model of handelsnaam, huisstijl of tekening; en
2°. knowhow, zijnde een geheel van niet door een intellectueel eigendomsrecht beschermde praktische informatie, voortvloeiend uit de ervaring van de franchisegever en uit de door hem uitgevoerde onderzoeken, welke informatie geheim, wezenlijk en geïdentificeerd is;
b. (…)
c.
franchisegever: natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechthebbende is op of gebruiksgerechtigde is van een franchiseformule en in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf anderen het recht verleent deze formule mede te exploiteren;
d.
franchisenemer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf voor eigen rekening en risico een franchiseformule exploiteert.”
3.9
De exploitatie van de franchiseformule is de kern van de franchiseovereenkomst [43] . Het idee is dat franchisenemers binnen een gezonde franchiserelatie kunnen profiteren van de naamsbekendheid en het succes van de franchiseformule [44] . Naar aanleiding van de consultatiefase is verduidelijkt dat de franchiseformule niet alleen van commerciële aard dient te zijn, maar ook operationele en organisatorische elementen moet bevatten [45] . Uit de Toelichting blijkt dat de formule daarom zowel marketingelementen, als logistieke en bedrijfsprocessuele- en bedrijfsvoerings-elementen moet hebben [46] . Dat is vrij ruim: het betreft in wezen de hele werkwijze die nodig is om de onderneming onder toepassing van de formule te exploiteren [47] .
3.1
Ruim weliswaar, maar uit de wettelijke omschrijving volgt wel de inperking dat vereist is dat de formule bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen binnen de franchiseketen. Toepassing van de franchiseformule borgt in feite die uniformiteit [48] . Anders gezegd moet de formule het belang dienen van een uniforme identiteit en uitstraling van de
onderneming. Naar buiten toe wordt onder één herkenbare formule gewerkt [49] . Voor het publiek, de klanten van de franchiseonderneming, zal sprake moeten zijn van één herkenbare formule. Dit betekent dat als de ondernemingsformule niet is gericht op een uniforme identiteit en uitstraling, er geen sprake is van een franchiseovereenkomst in de zin van art. 7:911 BW Pro [50] .
3.11
Verder moet een franchiseformule in ieder geval zowel een of meer van de in art. 7:911 lid 2 sub a onder Pro 1° genoemde elementen hebben, als de onder 2° bedoelde knowhow omvatten (cumulatieve elementen) [51] . Voor de sub a onder 1‪⁰ genoemde elementen geldt dat veelal sprake is van een specifieke huisstijl, kenbaar door een bepaald kleurgebruik en een bepaald font voor teksten [52] . Het gaat om uitingen die vaak in aanmerking komen voor bescherming door middel van een intellectueel eigendomsrecht. Daarnaast omvat de franchiseformule, zoals blijkt uit sub a onder 2⁰, ook niet door IE-rechten beschermde knowhow [53] .‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬
3.12
Volledigheidshalve memoreer ik dat ook is vereist dat een franchisevergoeding wordt betaald. Of daaraan in onze zaak is voldaan, heeft het hof niet beoordeeld (daar is het hof niet aan toegekomen vanwege afwijzing op andere gronden); het speelt in cassatie verder geen rol.
3.13
Duidelijk is dat alle besproken wettelijke elementen aanwezig moeten zijn om van een franchiseovereenkomst in de zin van de wet te kunnen spreken. Niet duidelijk is hoe deze elementen zich onderling tot elkaar verhouden; hoe deze moeten worden ‘gewogen’. Spanjaard meent bijvoorbeeld dat minder gewicht toekomt aan het knowhow element, dan aan de ‘look and feel’ (merk, handelsnaam, model, huisstijl of tekening) [54] . Bedoelde ‘weging’ is kennelijk aan de rechter is overgelaten [55] . In het verlengde daarvan lijkt mij de beoordeling of de franchiseformule
bepalendis voor een uniforme identiteit en uitstraling van de onderneming een feitelijke vraag en zodoende overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt. Dat is in cassatie alleen toetsbaar op motivering.
Afbakening distributieovereenkomsten en franchiseovereenkomsten
3.14
De vraag rijst hoe de in deze zaak centraal staande onbenoemde, dus niet specifiek in de wet geregelde, dealer- en reparateursovereenkomsten zich verhouden tot de benoemde franchiseovereenkomst. Dealer- en reparateursovereenkomsten worden gewoonlijk als (selectieve) distributieovereenkomsten aangemerkt [56] . Distributieovereenkomsten zijn evenmin wettelijk geregeld.
3.15
Tijdens de totstandkoming van de Wet franchise heeft branche- en belangenorganisatie BOVAG, de Bond Van Automobielhandelaren en Garagehouders, verschillende malen het standpunt ingenomen dat dealerovereenkomsten onder de definitie van de franchiseovereenkomst van art. 7:911 BW Pro vallen [57] . Er zijn hierover ook Kamervragen gesteld, die door de regering als volgt zijn beantwoord: [58]
“Er waren ook een aantal vragen over de definitie van de franchiseformule. De heer Van der Lee vroeg mij bijvoorbeeld of de automotive onder de franchiseformule valt of zelfs onlineplatformen. Het is niet zonder reden dat we in het eerste artikel dat straks wordt opgenomen in titel 16 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, een uitgebreide definitiebepaling hebben opgenomen. Hoe gaat dat dan in de praktijk? Als er discussie is over de vraag of we hier een franchiseovereenkomst te pakken hebben of iets anders, gaat een rechter altijd kijken naar de verschillende onderdelen in de wettelijke bepaling om vast te stellen of iets een franchiseovereenkomst is en of daarmee deze regels straks van toepassing zijn op de desbetreffende overeenkomst. De titel die je erboven zet, doet er daarbij niet toe. Een rechter zal gewoon bekijken wat hij of zij voor zich heeft liggen of staan en of dat voldoet aan die definitie. Het is niet aan mij om hier te zeggen wat nou een franchiseovereenkomst is. Als ik weleens door de haren naar Amazon kijk, om eens een platform te noemen, dan denk ik: nou, ik denk niet dat dat een franchiseovereenkomst is.
Als ik weleens kijk naar sommige automotivebedrijven, dan denk ik: nou, het zou best eens wél een franchiseformule kunnen zijn. Feit is dat ik niet precies weet wat de inhoud is van de afspraken die er zijn. Dat moet uiteindelijk getoetst worden.Maar zoals bij bijna alles in het leven: wat loopt als een eend en geluid maakt als een eend, is ook vaak een eend.” (onderstreping A-G)
3.16
In de Nota naar aanleiding van het verslag lezen wij in dit verband het volgende [59] :
“Ook een overeenkomst die door partijen als distributie- of licentieovereenkomst is bestempeld, kan onder omstandigheden voldoen aan de definitie van franchiseovereenkomst. Het is
afhankelijk van de concrete invulling van de overeenkomst, meer in het bijzonder of er sprake is van een bedrijfsvoering volgens een door de producent ontwikkeld(e) franchiseformule/concept. Illustratief in dit verband is de uitspraak van de kantonrechter Rechtbank Breda van 21 december 2011, waarin een door partijen als licentieovereenkomst ingestoken contract werd aangemerkt als een franchiseovereenkomst (ECLI:NL:RBBRE:2011:BU9904, r.o. 3.4).” (onderstreping A-G)
3.17
Een distributieovereenkomst kan onder omstandigheden een franchiseovereenkomst volgens de Wet franchise zijn; dat moet per geval worden beoordeeld, waarbij meer in het bijzonder moet worden bezien of sprake is van bedrijfsvoering volgens een franchiseformule (‘bedrijfsconcept’).
3.18
Dat is ook de lijn in de literatuur: onder omstandigheden kan een distributiecontract een franchiseovereenkomst zijn, maar in zijn algemeenheid is dat niet zonder meer zo. Ook auteurs die bepleit hebben dat dealerovereenkomsten kwalificeren als franchiseovereenkomsten [60] , geven aan dat dit alleen geldt voor de door hen beschreven overeenkomsten en dat dit per dealerovereenkomst zal moeten worden beoordeeld [61] . Beoordeling per geval is de algemene lijn in de literatuur. Daaruit komt ook terughoudendheid naar voren om distributieovereenkomsten als franchiseovereenkomsten aan te merken, omdat het namelijk niet de bedoeling is geweest van de wetgever om sectoren waar met distributieovereenkomsten wordt gewerkt onder titel 7.16 BW te laten vallen [62] .
3.19
Het onderscheid tussen distributieovereenkomsten en franchiseovereenkomsten is niet haarscherp te trekken [63] . Het gaat in beide gevallen om verticale samenwerkingsverbanden ten behoeve van de afzet van producten of diensten aan derden, waarbij de distributeur of franchisenemer voor eigen rekening en risico en in eigen naam handelt (dat wil zeggen: niet als vertegenwoordiger van de leverancier/franchisegever) [64] . De franchiseovereenkomst wordt dan ook wel omschreven als species van het genus distributieovereenkomst [65] . Franchiseovereenkomsten zijn volgens die opvatting altijd distributieovereenkomsten, maar omgekeerd geldt niet dat elke distributieovereenkomst een franchiseovereenkomst is [66] . Er is verschil tussen deel uitmaken van een distributienetwerk of van een franchiseketen. De kern van dit verschil zit in de exploitatie van de onderneming onder toepassing van een franchiseformule (waaronder knowhow), die is gericht op een uniforme identiteit en uitstraling van de onderneming, waarvoor een franchisevergoeding wordt betaald. Die kern ontbreekt doorgaans in distributiecontracten.
3.2
Kenmerkend voor franchise is dat het niet (alleen) gaat om de distributie van goederen en diensten. Franchise gaat verder dan dat. Het is
bedrijfsvoeringaan de hand van een door de franchisegever ontwikkelde franchiseformule, daarom ook wel ‘bedrijfsconcept’ genoemd (vgl. rov. 5.14 van het bestreden arrest) [67] . Andersom gaat het bij distributie weliswaar ook om de exploitatie van een onderneming voor de verkoop van goederen, maar níet binnen de formule van de leverancier [68] . Scherp geformuleerd zou je met de Duitse auteur Schimansky kunnen zeggen dat centraal staande franchiseformule, het bedrijfsconcept, zélf als het ware een ‘product’ is [69] ; ‘product’ in de zin dat het een bepaalde waarde vertegenwoordigt, omdat klanten van de franchiseketen een zeker beeld hebben bij de producten en/of diensten. Dat de franchise(formule) zelf als het ware ‘product’ is, komt ook naar voren in art. 7:911 lid 1 BW Pro: het gaat bij franchise om het recht en de plicht van de franchisenemer om de (door de franchisegever ontwikkelde)
franchiseformule te exploiteren, dat wil zeggen zijn bedrijf te voeren met toepassing van de franchiseformule [70] . Dáárvoor wordt de vergoeding betaald. Dat de elementen franchiseformule en franchisevergoeding onderscheidend zijn, sluit aan bij wat het Hof van Justitie in het
Pronuptia-arrest heeft aangegeven over het onderscheid tussen (selectieve) distributie en franchise:
“(…) Overeenkomsten inzake verkoopfranchising [verkoopfranchising is een vorm van distributiefranchising [71] , A-G] onderscheiden zich van alleenverkoopovereenkomsten en van overeenkomsten met erkende wederverkopers in het kader van een selectief distributiestelsel [distributieovereenkomsten, A-G], doordat deze laatste niet voorzien in het gebruik van eenzelfde handelsnaam, de toepassing van eenvormige commerciële methoden of de betaling van royalty's in ruil voor de toegestane voordelen. (…)” [72]
Onderscheidend kenmerk tussen distributie en franchising is gebruik van eenzelfde handelsnaam, toepassing van eenvormige commerciële methoden (exploitatie van de franchiseformule) en betaling van een franchisevergoeding daarvoor. Daarvan is bij lang niet alle (selectieve) distributievormen sprake. Het
Pronuptia-arrest wordt gezien als nog steeds leidend binnen de EU voor de kwalificatie van franchiseovereenkomsten [73] .
3.21
De franchiseformule moet bestaan uit commerciële, organisatorische en operationele elementen. Dergelijke elementen kunnen ook in meer of minder gedetailleerde mate te zien zijn bij selectieve distributieovereenkomsten. Een selectief distributiestelsel is namelijk bedoeld om de omstandigheden te controleren waaronder een bepaald product wordt verkocht/dienst wordt geleverd aan de eindconsument; door bepaalde eisen aan zijn distributeurs te stellen beschermt de fabrikant/dienstverlener de bijzondere aspecten van zijn product of dienst [74] . Er kunnen in dat kader veel en behoorlijk gedetailleerde eisen worden gesteld aan distributeurs. Dit speelt met name in de sectoren luxeproducten, technisch complexe producten, producten met gezondheidsaspecten of andere producten waar advies en aftersalesdiensten een belangrijke rol spelen [75] . De fabrikant stelt criteria vast voor de omstandigheden waaronder zijn product moet worden verkocht, ingeruild, onderhouden en/of gerepareerd [76] .
3.22
Goed moet worden gezien dat het gegeven dat dergelijke eisen worden gesteld, niet automatisch betekent dat óók sprake is van een franchiseformule. Voor dat laatste is namelijk vereist dat de formule
bepalendis voor een uniforme identiteit en uitstraling van de
ondernemingenbinnen de franchiseketen. De eisen die gesteld worden bij selectieve distributie zijn niet noodzakelijkerwijs gericht op een uniforme identiteit en uitstraling van de onderneming, maar gericht op de kwaliteitsborging van
het product zelfen niet op de uitstraling van de gehele onderneming [77] . De eisen zijn er (primair) op gericht dat de verkoop en dienstverlening zo gelijk en uniform mogelijk worden verricht en zo voldoen aan een bepaalde standaard. Toegepast in de autodealercontext: het assortiment auto’s en accessoires en de reparatie- en onderhoudsdiensten zijn voor de klanten in vergaande mate uniform en herkenbaar, ongeacht de door hen gekozen dealer [78] . Onder omstandigheden kan dit ook tot een uniforme uitstraling en identiteit
van de onderneming(van de dealer) zelf leiden; bijvoorbeeld als een distributeur één merk mag verkopen (‘singlebrand’) en de winkelinrichting/showroom/werkplaats conform ‘het merk’ moet hebben ingericht. Dat kan neigen naar een formule waarbij een uniforme identiteit en uitstraling is beoogd [79] . Het kan echter ook zijn dat de eisen niet leiden tot een uniforme identiteit en uitstraling van de onderneming, zoals wanneer de dealer ook andere merken verkoopt en repareert. Zo’n ‘multibrand’ element wordt in de literatuur vrij algemeen begrepen als een aanwijzing dat geen sprake is van een franchiseformule [80] . Bij verkoop van meerdere merken (bijvoorbeeld auto’s of fietsen) zou met name de naam waaronder de retailer naar buiten treedt van belang zijn om te kunnen spreken van een franchiseformule [81] . Opnieuw anders gezegd: de uniforme uitstraling en identiteit moet zijn gericht op de
ondernemingen niet op het
merkproductdat de onderneming distribueert [82] .
3.23
Naast de vereiste uniforme identiteit en uitstraling van de onderneming naar buiten toe, is ook een belangrijk element dat sprake is van
exploitatie van de formule, wil men onder het bereik van de Wet franchise vallen [83] . Ook als een onderneming een bepaalde uniforme uitstraling heeft, is voor kwalificatie als franchiseovereenkomst (extra) criterium of de ondernemer het recht en de plicht heeft om de onderneming te exploiteren aan de hand van een formule. De franchisenemer moet zich hebben verbonden om de franchiseformule te exploiteren (de ‘exploitatieverbintenis’) [84] . Bij ‘multibrand’ zal daar als gezegd (in de regel) geen sprake van zijn, omdat de distributeur zijn onderneming inricht en uitbaat op een wijze zoals hij zelf wenst en goeddunkt [85] . Bij ‘singlebrand’ kan er een zekere mate van uniformiteit van verkoopruimte en het gebruik van het merk worden bewerkstelligd, maar ook dan blijft beslissend voor de kwalificatie of een franchiseformule wordt geëxploiteerd [86] . Als een distributeur er bijvoorbeeld zelf voor kiest (zonder daartoe contractueel gehouden te zijn) om maar één (auto)merk te verkopen en geen andere merken, dan is niet aan dit vereiste voldaan [87] . Het hangt er dus vanaf hoe de overeenkomst is ingericht.
3.24
Franchisegever en -nemer hebben er beide belang bij om een product en/of dienst goed in de markt te zetten en zo een gemeenschappelijk ‘sterk merk’, ‘goede naam’, ‘imago’ te creëren [88] . Door het sluiten van verscheidene (nagenoeg) identieke franchiseovereenkomsten tussen de franchisegever en een groot aantal franchisenemers ontstaat zo een zich over een bepaald gebied uitstrekkend ‘afzetnetwerk’ van uniforme ondernemingen met een gemeenschappelijk imago [89] . Bij franchise is het dan ook van essentieel belang dat de ondernemingen uit de franchiseketen als eenheid naar buiten treden; dat als eenheid optreden in de markt is lang niet altijd het geval bij andere distributievormen – niet zijnde franchising [90] . Het is bij franchise dan ook zo dat klanten zich vaak niet bewust zijn dat zij niet met de franchisegever ‘met de bekende naam’ contracteren, maar met een zelfstandige (franchise)ondernemer [91] .
3.25
Er zijn ook nog andere verschillen tussen distributie en franchising, zoals met betrekking tot het knowhow-aspect. Bij franchise wordt de bij franchisegever aanwezige knowhow tegen betaling van een vergoeding beschikbaar gesteld aan de franchisenemer; dat hoeft bij distributie helemaal niet het geval te zijn [92] . Ook de mate van samenwerking kan verschillen. Die is bij franchising in vergelijking met nogal wat distributievormen behoorlijk intensief; de Duitsers noemen dat ‘totaler Kooperation’ tussen franchisegever en franchisenemers - de hoogste sport op de (intensiteits)ladder van verticale samenwerking [93] . In de Nederlandse literatuur wordt ook wel bepleit dat naar de (intensiteit van de) samenwerking moet worden gekeken om te bepalen of sprake is van franchise; franchise-samenwerking is intensiever dan bij distributie [94] . Art. 7:911 BW Pro bevat en aparte regeling over bijstand en commerciële en technische ondersteuning van de franchisegever aan de franchisegever, waar de franchisenemer ook aanspraak op kan maken. Dat ontbreekt vaak in een gewone distributierelatie.
3.26
Mendelsohn en Bynoe [95] verwoorden deze verschillen tussen distributie en franchise kernachtig (en mogelijk te sterk aangezet – ‘complete contrast’) als volgt:
“In a product franchise the franchisee will be a distributor of the product but not in the traditional sense. In a traditional distribution agreement, the distributor’s business is just that. He may sell competing products; he may sell complementary products. It is most unlikely that he will sell only one supplier’s products. He will sell whatever he distributes under his own name, although he may have signs on display representing the products in his range. He will sell his products in his own way using his own business systems and methods, which may bear no resemblance to his supplier’s systems and methods. He will need no special training beyond becoming familiar with the product range, its capabilities and any follow up services which may be appropriate. He will not pay fees.
The franchisee’s position is in complete contrast. He will sell only the range of products associated whith the franchisor’s business, using the franchisor’s name and the franchisor’s systems. He will invariably not know how to run a business according to the franchisor’s system; he may never have run a business before, and will be the subject of training focused on how to run the franchisor’s system. He will pay fees.”
Kwalificatie van benoemde overeenkomsten
3.27
Het belang van de kwalificatie-exercitie en met name of hier sprake is van (selectieve) distributie (onbenoemde overeenkomst) of franchising (benoemde overeenkomst met semidwingend recht) zit – uiteraard – in het verschil in rechtsgevolgen [96] . Het gaat eiseressen om de dwingende beschermingsbepalingen van titel 7.16 BW [97] . Over kwalificatie valt overigens meer te zeggen dan alleen wat uit titel 7.16 BW volgt.
3.28
Over de wijze waarop benoemde overeenkomsten (huur-, pacht- en arbeidsovereenkomsten) moeten worden gekwalificeerd, bestaat uitgekristalliseerde rechtspraak [98] . In het
Portaal-arrest over de kwalificatie van een overeenkomst als huurovereenkomst is de lijn van genoemde eerdere rechtspraak bevestigd en nog eens uiteengezet hoe kwalificatie van overeenkomsten in zijn werk dient te gaan [99] . Dat verloopt in twee stappen: de relatie moet eerst worden uitgelegd, daarna vindt de eigenlijke kwalificatie plaats, met een ‘alsgeheeltoets’ als mogelijke correctie.
3.29
De eerste stap is dat door uitleg aan de hand van de
Haviltex-maatstaf moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Nadat zo de inhoud van de overeenkomst is vastgesteld (uitleg), volgt de tweede stap: beoordeling of die overeenkomst is aan te merken als een bepaalde benoemde overeenkomst (de eigenlijke kwalificatie). Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving,
moetde overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor de kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling te laten vallen. In de correctiestap, de ‘alsgeheeltoets’, moet ten slotte worden beoordeeld of een overeenkomst die alle elementen bevat van een bepaald type wettelijk geregelde overeenkomst desondanks toch niet als zodanig kwalificeert. Over deze laatste toets is in het
Portaal-arrest het volgende overwogen:
“Bevat de overeenkomst elementen op grond waarvan op zichzelf aan de wettelijke omschrijving van huur is voldaan, dan is het mogelijk dat de overeenkomst in de gegeven omstandigheden,
gelet op haar inhoud en strekking, in haar geheel beschouwd toch nietals huurovereenkomst moet worden aangemerkt [100] . Bij de beoordeling of deze uitzondering zich voordoet is mede van belang voor welke situatie partijen een regeling hebben willen treffen en of een kwalificatie anders dan als huurovereenkomst zich in die situatie verdraagt met het dwingendrechtelijke beschermingsregime voor huurovereenkomsten met betrekking tot woonruimte.” [101] (onderstreping A-G)
3.3
Dat deze kwalificatierechtspraak in de onderhavige zaak toepassing vindt [102] , ligt voor de hand [103] . Daar lijkt mij ook niet aan af te doen dat de regering in de MvT zonder voorbehoud stelt dat als aan alle elementen van art. 7:911 BW Pro is voldaan, titel 7.16 BW op die overeenkomst van toepassing is [104] . Dat geldt immers ook voor andere benoemde overeenkomsten waaromtrent de kwalificatierechtspraak zich heeft ontwikkeld (huur-, pacht- en arbeidsovereenkomsten) – en dat is
in beginselnatuurlijk ook het geval. Er is alleen ruimte voor de ‘alsgeheeltoets’ om er voor te zorgen dat de overeenkomsten die
nietonder het wettelijke beschermingsbereik zouden
moetenvallen, daar ook buiten blijven – bij wijze van uitzondering. Deze derde stap lijkt een beoordeling te behelzen op grond van objectieve maatstaven, zoals A-G Valk in zijn conclusie voor het
Portaal-arrest heeft aangegeven [105] . Het gaat er daarbij niet (alsnog) om
hoe partijen(subjectief) hun rechtsverhoudingen hebben willen kwalificeren, maar of uit objectieve omstandigheden, zoals inhoud en strekking van de overeenkomst, blijkt dat toch geen sprake is van bedoelde benoemde overeenkomst, in ons geval van franchisingovereenkomsten, ook al voldoen deze aan alle wettelijke elementen. Schelhaas en De Vogel noemen dat in hun preadvies
substance over form [106] , of ‘de gedachte dat voorrang toekomt aan het wezen van de contractuele relatie boven de tekst’ [107] .
Belang
3.31
Het hof heeft in onze zaak op verschillende gronden geoordeeld dat de dealer- en reparateursovereenkomsten niet als franchiseovereenkomsten kwalificeren. Er is volgens het hof geen sprake van een franchiseformule (rov. 5.16) en ook niet van exploitatie van ondernemingen aan de hand van zo’n franchiseformule (rov. 5.17) en het is niet de bedoeling van de wet om dealer- en reparateurovereenkomsten onder het bereik van titel 7.16 BW te laten vallen (rov. 5.8-5.10 en rov. 5.18-5.24).
3.32
Aan dat laatste oordeel lijkt eenzelfde ratio ten grondslag te liggen als bij de ‘alsgeheeltoets’: ook al kunnen volgens het hof sommige overeenkomsten (op zich mogelijk) voldoen aan alle wettelijke elementen, dan past hier toch niet de kwalificatie franchiseovereenkomst. Dat oordeel heeft het hof gebaseerd op objectieve omstandigheden: de wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten om overeenkomsten als deze onder het bereik van titel 7.16 BW te brengen, maar juist dat dat niet het geval is. Dat oordeel is gebaseerd op het gegeven dat titel 7.16 BW heeft willen aansluiten bij wat in de praktijk voorafgaand aan de Wet franchise als franchiseovereenkomst werd beschouwd (rov. 5.8) en dat dealer- en reparateurovereenkomsten daar niet onder werden begrepen (rov. 5.18 t/m 5.24). Daarvoor ziet het hof bevestiging in het overgangsrecht, dat er ook op is gericht de overeenkomsten die tot dan toe als franchiseovereenkomsten werden aangemerkt onder het bereik van titel 7.16 BW te laten vallen (rov. 5.9).
3.33
Als deze oordelen overeind blijven, dan hebben eiseressen geen belang bij hun klachten [108] , omdat deze oordelen zelfstandig dragend zijn.
Aard van deze procedure
3.34
In cassatie onbestreden is geoordeeld dat de vorderingen van eiseressen meebrengen dat er geen individuele beoordeling plaatsvindt van de overeenkomsten die de dealers en reparateurs waarvoor VODN en VVGPCN in deze procedure als lasthebber optreden met Stellantis hebben gesloten (rov. 5.7). Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat juist per relatie, per overeenkomst moet worden beoordeeld of een overeenkomst een franchiseovereenkomst is [109] . Dit wordt ook algemeen aangenomen in de literatuur, maar is hier niet gebeurd. Dat punt moet blijven rusten, omdat daar in cassatie niet over wordt geklaagd – maar zal in mijn optiek doorwerken in de eisen die hier aan de motivering kunnen worden gesteld.
Onderdeel 1 (uniforme identiteit en uitstraling dealers)
3.35
Onderdeel 1 richt rechts- en motiveringsklachten tegen verschillende oordelen in rov. 5.16:
“5.16. Het is niet uitgesloten dat er dealers zijn waarvoor het uitoefenen van het dealerschap conform de voorschriften van Stellantis het gewenste bedrijfsconcept is om hun bedrijf te exploiteren en ten aanzien van welke bedrijven sprake is van een zekere uniforme uitstraling. Er zijn in deze procedure echter ook meerdere voorbeelden gegeven van dealers waarvoor het anders ligt. Het hof heeft dan met name het oog op grotere dealers, vaak met meerdere vestigingen, die vooral - regionaal - bekend zijn onder hun eigen naam en met een eigen reputatie. Voorbeelden van dergelijke grotere dealers zijn [A], [B], Motorhuis, Stern (thans: Hedin Automotive), [C] [D], [E]. Deze dealers opereren met een voor hun klanten kenbare, eigen identiteit, presenteren zich onder eigen naam, ook op hun websites, en zijn niet primair verbonden met of afhankelijk van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald Stellantis-merk. De operationele, commerciële en organisatorische eisen zoals die daadwerkelijk aan de dealers zijn gesteld, zijn klaarblijkelijk niet bepalend voor een uniforme identiteit en uitstraling. Dat het bij de desbetreffende gevallen slechts om gedoogsituaties gaat, hebben appellanten niet gesteld, althans niet met concrete feiten onderbouwd. Bovendien hebben meerdere dealers verschillende dealerschappen (multibrand), ook buiten Stellantis, wat zich moeilijk laat verenigen met een uniforme identiteit en uitstraling van een formule van Stellantis.”
3.36
Subonderdeel 1.1geeft aan dat het oordeel dat de bedoelde (grotere) dealers opereren met een eigen identiteit en reputatie en niet met een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald Stellantis-merk, (in elk geval) is gegrond op de omstandigheid dat bedoelde dealers een eigen (handels)naam hanteren, ook op hun website. De klacht is dat voor zover het hof nog andere omstandigheden op het oog heeft gehad die hebben bijgedragen aan de 'kenbare, eigen identiteit' of 'eigen reputatie', dat niet blijkt uit rov. 5.16, zodat dat oordeel in zoverre onvoldoende gemotiveerd is.
3.37
In rov. 5.16 heeft het hof beoordeeld of sprake is van een franchiseformule (vgl. de ‘agenda’-rov. 5.12: eerst wordt onderzocht of sprake is van een franchiseformule, daarna of er een franchisevergoeding wordt gehanteerd). Dat wil zeggen een formule die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers. Volgens het hof is daarvan geen sprake en dat is een feitelijk oordeel, in cassatie alleen te toetsen op begrijpelijkheid (van de motivering) en ik meen dat dat de cassatietoets kan doorstaan in dit geval. Het oordeel dat bij verscheidene met name grotere dealers geen sprake is van een uniforme uitstraling heeft het hof
onder meergemotiveerd met de passage dat zij een eigen identiteit en reputatie hebben. De klacht is zodoende maar tegen een deel van de motivering gericht. Het hof heeft namelijk ook overwogen dat bedoelde dealers niet primair verbonden zijn met of afhankelijk zijn van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald Stellantis-merk en er bovendien verschillende dealerschappen (multibrand) zijn, ook buiten Stellantis-verband, wat zich moeilijk laat verenigen met een uniforme identiteit en uitstraling van een formule van Stellantis. Springend punt in dit oordeel is dat dit soort dealers met eigen reputatie los van de Stellantis-merken door hun klanten niet worden gezien als deel uitmakend van een franchise en zodoende geen uniforme uitstraling hebben van een bepaald Stellantis-merk of merken. Het oordeel dat er geen sprake is van een uniforme identiteit en uitstraling, lijkt mij toereikend en ook dragend gemotiveerd. Dat het hof mogelijk het oog zou hebben gehad op andere aspecten, waar de klacht op is gegrond, zie ik niet. De klacht is tevergeefs.
3.38
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof heeft miskend dat het voeren van een eigen handelsnaam (ook op de website) niet (althans niet zonder meer) in de weg staat aan een uniforme identiteit en uitstraling als bedoeld in art. 7:911 lid 2 onder Pro a BW. Ook onder een franchiseformule kan ruimte bestaan voor het voeren van een eigen handelsnaam, en het voeren van een uniforme handelsnaam (of het niet voeren van een eigen handelsnaam) is niet noodzakelijkerwijs een operationeel, commercieel of organisatorisch vereiste. Art. 7:911 lid 2 onder Pro a BW bevat onder 1° een aantal elementen, waarvan een franchiseformule er (zo blijkt uit het gebruik van het woord 'of' in de opsomming) één of meer moet bevatten. De handelsnaam is slechts één van deze elementen, naast een merk, huisstijl of tekening.
3.39
Deze rechtsklacht is gebaseerd op een grammaticale uitleg van art. 7:911 lid 2 onder Pro a BW. Op zichzelf lijkt grammaticaal goed verdedigbaar dat de wet niet vereist dat alleen sprake is van een franchiseformule als
alleelementen van lid 2 onder a sub 1o BW aanwezig zijn. Een andere vraag is of noodzakelijk én voldoende is dat de franchiseformule slechts één van de elementen van 1o bevat (dus òf een merk, òf een model, òf een handelsnaam, òf een huisstijl, òf een tekening). De tekst van de wet lijkt mij daartoe niet te nopen. De opsomming kan ook worden gelezen als twee sets van elementen, zodat ook de uitleg kan worden bepleit dat in ieder geval twee elementen van 1o aanwezig moeten zijn, dus hetzij een merk/model/handelsnaam enerzijds plus een huisstijl/tekening anderzijds. Als we te rade gaan bij de Toelichting wordt duidelijk dat een franchiseformule in de ogen van de regering in ieder geval één of meer van de in onderdeel a, onder 1o genoemde elementen moet hebben [110] .
3.4
Het lijkt mij niet het springende punt hier, omdat noodzakelijk is dat de formule bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de ondernemingen binnen de franchiseketen. Hoewel zonder uniforme (handels)naam in bepaalde gevallen mogelijk sprake zal kunnen zijn van een dergelijke formule, zal dat uitzonderlijk zijn. In rechtspraak en literatuur wordt telkens benadrukt dat franchise gaat om de naamsbekendheid, de uniforme handelsnaam, eenzelfde handelsnaam, etc. [111] . In de Toelichting wordt ook benadrukt dat franchise ‘werkt’ omdat franchisenemers kunnen profiteren van de naamsbekendheid van de franchiseformule [112] . Dat wijst er allemaal op dat het al of niet gebruiken van een uniforme (handels)naam zwaar meeweegt voor de vraag of sprake is van een franchiseformule die bepalend is voor een uniforme uitstraling en identiteit van de ondernemingen binnen de keten. Ook bij de in de literatuur genoemde voorbeelden van ‘soft franchise’, een vorm van franchise waarin minder (verstrekkende) eisen worden gesteld aan de franchisenemers en die ook onder de reikwijdte van art. 7:911 BW Pro valt, is steeds sprake van een uniforme naam [113] . Bepleit wordt bovendien dat wanneer een onderneming meerdere merken distribueert de naam waaronder de onderneming naar buiten treedt in het bijzonder van belang zal zijn om te bepalen of het een franchise is [114] .
3.41
Deze toets heeft het hof aangelegd, namelijk of de aan de dealers gestelde operationele, commerciële en organisatorische eisen bepalend zijn voor een uniforme identiteit en uitstraling van alle dealers, met als uitkomst dat dat hier niet het geval is. Het hof heeft, terecht en in cassatie ook niet bestreden, in rov. 5.15 overwogen dat de wettelijke eis geldt “dat de formule bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen” (zie art. 7:911 lid 2 BW Pro). Het heeft verder, eveneens in cassatie onbestreden, in rov. 5.7 overwogen dat uitgangspunt bij de beoordeling is dat de vorderingen alleen kunnen worden toegewezen indien voor
alledealers en reparateurs van Stellantis sprake is van een franchiseovereenkomst. Het hof heeft tegen die achtergrond in rov. 5.16 kunnen overwegen dat geen sprake is van een franchiseformule, omdat de daadwerkelijk, feitelijk gestelde eisen niet leiden tot, kort gezegd, een uniform imago. Nergens blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat daarvan alleen sprake kan zijn bij een uniforme handelsnaam. In zoverre mist de klacht dan ook feitelijke grondslag. Het hof heeft het feit dat bepaalde dealers onder hun eigen naam optreden wellicht zwaar laten meewegen, maar dat is ook helemaal niet onjuist. Zeker in het geval dat verschillende dealers meerdere merken verkopen, ook buiten de Stellantis-stal, zoals het hof heeft geoordeeld in rov. 5.16, is dat een sterke aanwijzing dat geen sprake is van franchise. De klacht stuit op het voorgaande af.
3.42
De gecombineerde rechts- en/of motiveringsklacht uit
subonderdeel 1.3klaagt dat niet kenbaar acht is geslagen op de (essentiële) stellingen van eiseressen over het bestaan van een uniforme identiteit en uitstraling. VODN c.s. hebben zich op een groot aantal operationele, commerciële en organisatorische instructies en verplichtingen beroepen die Stellantis aan haar dealers en reparateurs oplegt (waaronder het gebruik van merken, huisstijl en knowhow) en die volgens hen een formule vormen die zorgt voor een uniforme identiteit en uitstraling. Zij hebben ten aanzien van de dealers onder meer een beroep gedaan op instructies voor en eisen aan:
- het gebruik van Stellantis-merken en merksymbolen, typografie en kleur;
- het interieur en exterieur van bedrijfspanden, met nadruk op de herkenbare en uniforme uitstraling daarvan, zoals mede vastgelegd in de Dealernormen (voor Opel) en de selectiecriteria (voor Peugeot en Citroen);
- de vormgeving van de website en het gebruik van Stellantis-merksymbolen daarop;
- het gebruik van reclame- en promotiemateriaal;
- het verloop van het verkoopproces, zoals vastgelegd in de
Simplified Operational Standards(SOS-standaarden);
- reparatie en onderhoud, waaronder het gebruik van onderdelen, accessoires en gereedschappen;
- de aankoop van voertuigen, onderdelen, gereedschap en accessoires van de Stellantis-merken;
- demonstratie, voorraad en het tentoonstellen van voertuigen;
- de verkoop van voertuigen van andere merken;
- personeel en training;
- administratie en IT-systemen.
Ook hebben zij gesteld dat op de naleving van deze eisen wordt toegezien, onder meer middels het aanbieden van trainingen, controle van targets en uitvoering van
mystery visits.
Voor zover het hof van oordeel was dat deze elementen niet van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een franchiseformule in de zin van art. 7:911 lid 2 onder Pro a BW, of dat het gebruik van een eigen handelsnaam door sommige dealers dermate zwaar weegt dat de overige omstandigheden niet meer van belang zijn, heeft het hof miskend dat deze elementen daarvoor wel van belang (kunnen) zijn en/of dat het al dan niet voeren van een eigen handelsnaam door de franchisenemer daarbij bovendien niet (op zichzelf) van doorslaggevend belang is (onder verwijzing naar subonderdeel 1.2). Zoals al blijkt uit de tekst van art. 7:911 lid 2 onder Pro a BW, moet, om vast te stellen dat sprake is van een franchiseformule, immers worden beoordeeld of sprake is van operationele, commerciële en organisatorische elementen, die samen een formule vormen die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling. Bij die beoordeling zijn dus alle elementen van belang waarvan wordt gesteld dat zij deel uitmaken van een franchiseformule.
Heeft het hof het voorgaande niet miskend, dan is zijn oordeel zonder nadere maar ontbrekende motivering onbegrijpelijk, omdat uit de motivering dan niet blijkt waarom in dit geval de bedoelde elementen (toch) niet leiden tot het oordeel dat sprake is van (wel) een franchiseformule.
3.43
De klacht verwijst uitsluitend naar stukken uit de eerste aanleg; het formuledebat heeft zich ook alleen in eerste aanleg heeft afgespeeld. Kennelijk is de onuitgesproken gedachte dat nu de rechtbank tot afwijzing kwam wegens afwezigheid van een franchisevergoeding, de devolutieve werking meebrengt dat deze stellingen in hoger beroep van belang bleven – in welke instantie de vorderingen van de dealers zijn afgewezen op de grond dat geen sprake was van een franchiseformule.
3.44
De rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat genoemde elementen van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een franchiseformule, mist feitelijke grondslag (in gelijke zin s.t. Stellantis 4.5.2). Het hof heeft deze stellingen wel meegenomen in zijn beoordeling, maar geoordeeld dat voor bepaalde dealers geldt dat desondanks geen sprake is van een franchiseformule. Dat blijkt uit de passage uit rov. 5.16 dat de operationele, commerciële en organisatorische eisen zoals die daadwerkelijk gesteld zijn aan de dealers, klaarblijkelijk niet bepalend zijn voor een uniforme identiteit en uitstraling, zoals hiervoor al is besproken. Het hof laat verder de mogelijkheid open dat voor bepaalde dealers wel geldt dat sprake is van een franchiseformule met een zekere uniforme uitstraling (rov. 5.16, eerste zin). Ook daaruit blijkt dat het hof deze elementen in zijn beoordeling heeft betrokken.
3.45
De andere rechtsklacht slaagt ook niet. Het hof heeft niet alleen op grond van het gebruik van een eigen handelsnaam geconcludeerd dat geen sprake is van een franchiseformule, maar ook – als ook al hiervoor besproken – vanwege de omstandigheid dat de bedoelde dealers een eigen reputatie hebben, een voor hun klanten kenbare eigen identiteit, niet primair verbonden of afhankelijk zijn van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald Stellantis-merk en bovendien verscheidene dealers in verschillende merken doen, ook buiten de Stellantis-stal. Daarbij kon het hof het gebruik van een eigen handelsnaam door enkele grote dealers zwaar laten meewegen voor de beoordeling of sprake is van een uniforme identiteit en uitstraling; dat is niet onjuist, zoals is besproken bij het vorige subonderdeel.
3.46
De motiveringsklacht zie ik ook niet slagen. Het gaat hier andermaal om het feitelijke oordeel of sprake is van een uniforme identiteit en uitstraling van de ondernemingen (de dealers). Uit de aangevoerde stellingen van de dealers blijkt weliswaar dat er veel en gedetailleerde eisen zijn gesteld aan Stellantis-dealers (Opel dealers, Peugeot dealers en Citroën dealers), maar die maken niet dat het oordeel dat geen sprake is van een franchiseformule ontoereikend gemotiveerd. Dragend daarvoor is als besproken dat dit niet oplevert een franchiseformule
die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers.
3.47
De eisen zijn, uiteraard afgezien van het betreffende merknaam zelf (Opel, Citroën, DS, of Peugeot), (nagenoeg) gelijkluidend voor de verschillende merken waar het om gaat. Zo worden er eisen gesteld aan het gebruik van het merk(symbolen), logogebruik, kleuren, typografie, inrichting van de showroom, inrichting van de website, parkeerplaatsen en nog veel meer. Het gaat er, in de eigen woorden van de dealers, bij deze eisen om dat de “verkoop- en aftersalesdiensten zo gelijk en uniform mogelijk worden verricht en voldoen aan een bepaalde ‘standaard’”, zodat “het assortiment auto’s en accessoires, en de reparatie en onderhoudsdiensten aan de producten voor kopers daarmee in vergaande mate ‘uniform’ en ‘herkenbaar’ [zijn], ongeacht de door koper gekozen Opel dealer” [115] . Het is kortom in het kader van de bescherming van de reputatie van het merk Opel (dan wel Peugeot, dan wel Citroën) dat aan de dealers zoveel gedetailleerde eisen worden gesteld. De uniforme identiteit en uitstraling is bovendien dus (primair) gericht op en gekoppeld aan het product en de bijbehorende diensten, en niet aan de onderneming. Dat volgt uit de eigen stellingen.
3.48
Het kán dan nog steeds zo zijn dat sprake is van een franchiseformule – dat is ook uitdrukkelijk open gelaten in rov. 5.16, maar dat hoeft niet per definitie zo te zijn. Kenmerkend voor franchise is namelijk dat de (gehele)
ondernemingvolgens de franchiseformule wordt gerund en dat er een franchiseformule is die bepalend is voor de uniforme identiteit en uitstraling van
alle ondernemingenbinnen de franchiseketen. Het hof heeft in rov. 5.16 geoordeeld dat van een dergelijke franchiseformule in ieder geval bij bepaalde dealers geen sprake is. Anders gezegd behelst het hofoordeel dat wat er ook zij van de operationele, commerciële en organisatorische eisen zoals die daadwerkelijk aan de dealers zijn gesteld, deze klaarblijkelijk niet bepalend zijn voor een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers (de ondernemingen). Met name voor de meer besproken groep grote dealers en multibrand-dealers geldt naar het feitelijke oordeel van het hof dat zij een eigen identiteit en reputatie bij hun klantenkring hebben en niet primair verbonden zijn met of afhankelijk zijn van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald Stellantis-merk. Voor deze dealers betreft het dus geen franchiseformule op grond waarvan zij hun hele onderneming exploiteren. Dat geldt te meer voor de multibrand-dealers die ook zaken doen in merken buiten de Stellantis-stal. De aangevoerde stellingen maken niet dat dit oordeel niet te volgen is. Uit die stellingen volgt mogelijk dat bepaalde merksymbolen (op de gevel) worden gebruikt, dat (een gedeelte van) de showroom in een bepaalde huisstijl wordt ingericht, enzovoorts, maar dat maakt allemaal nog niet dat sprake is van een uniforme uitstraling van de onderneming in alle gevallen.
3.49
De vraag kan nog opkomen of hier mogelijk sprake is van ‘multifranchising’, dus dat een ondernemer verschillende franchises naast elkaar exploiteert (een en dezelfde onderneming is zowel Opeldealer, als Peugeotdealer, enz.). Dat is in feitelijke instanties aangevoerd door de dealers, in de zin dat sprake zou zijn van multibrand franchising (plta 27 maart 2023, 3.9-3.13 – naar deze stellingen wordt verwezen bij subonderdelen 1.4 en 3.3). Dat kan ongetwijfeld als de ondernemer dat op verschillende locaties (vestigingen) doet (zoals ook blijkt uit het voorbeeld dat de dealers geven), maar wanneer de ondernemer op dezelfde fysieke locatie (dezelfde garage/showroom) verschillende franchiseformules toepast, lijkt dat weer moeilijk voorstelbaar. De hele onderneming moet het imago van de franchise uitstralen. Dat van ‘shop-in-shop’, zoals bij bepaalde warenhuizen, sprake is, is niet aangevoerd. Bovendien zijn dergelijke franchisevormen naar ik meen moeilijk in te passen in het wettelijke systeem (shop-in-shop wordt in de totstandkomingsgeschiedenis voor zover ik heb kunnen nagaan nergens genoemd, het is een term uit de literatuur; ‘multifranchising’ komt wel voor op p. 2 van de Toelichting, maar dan in de betekenis dat een multifranchiser meerdere franchiseondernemingen exploiteert.) In de literatuur kom je ook tegen dat shop-in-shop onder omstandigheden franchise zou kunnen zijn, maar dat zeker niet per definitie is [116] . Bij soft franchise wordt in de wetsgeschiedenis nog wel gesignaleerd dat er ook zoiets is als een ‘stickerformule’, een vorm van soft franchise waarbij een inkoopfunctie en een vorm van branding de kern van de samenwerking vormen, zoals bij het voeren van het productassortiment en bijbehorende merk-logo’s van een bepaalde leverancier in een snackbar [117] . Zoiets lijkt mij echter eerder distributie dan franchise; alleen in het (uitzonderlijke) geval dat de
hele onderneminghierdoor een uniforme uitstraling heeft, lijkt mij dat franchise op te kunnen leveren. In het wettelijke systeem gaat het volgens mij namelijk bij franchise om
uniforme ondernemingen. Dat volgt uit de wettekst en sluit ook aan bij (internationale) literatuur.
3.5
Subonderdeel 1.3 is in mijn ogen tevergeefs voorgesteld.
3.51
Subonderdeel 1.4klaagt dat de passage dat bovendien meerdere dealers verschillende dealerschappen hebben (multibrand), ook buiten Stellantis, wat moeilijk te verenigen is met een uniforme identiteit en uitstraling van een Stellantis-formule, onjuist is en ontoereikend is gemotiveerd in het licht van de stellingen van de dealers. Zij hebben gemotiveerd weersproken dat multibrand zich niet verdraagt met franchise met voorbeelden van franchisenemers die formules van verschillende eigenaren naast elkaar exploiteren. Zij hebben ook toegelicht dat Stellantis aan dealers die meerdere merken verkopen aanvullende eisen oplegt, zodat zij herkenbaar blijven als Stellantis-dealer. Het hof heeft dus miskend dat het hebben van meerdere dealerschappen niet in de weg hoeft te staan aan een franchiserelatie. Althans is zonder nadere maar niet gegeven motivering niet begrijpelijk waarom het hof in het licht van de bedoelde stellingen tot de slotsom komt dat het hebben van meerdere dealerschappen zich "moeilijk" laat verenigen met een uniforme identiteit en uitstraling van een formule van Stellantis.
3.52
Deze klachten missen feitelijke grondslag voor zover deze ervan uitgaan dat is geoordeeld dat bij multibrand nooit sprake kan zijn van franchise (in gelijke zin s.t. Stellantis 4.6.2). Geoordeeld is alleen dat multibrand zich in de onderhavige context ‘moeilijk’ verdraagt met franchise. Dat is zo te begrijpen dat franchise bij multibrand niet is uitgesloten, maar dat multibrand er wel eerder op wijst dat er geen sprake is van franchise. Dat vindt steun in de literatuur [118] . Het ligt voor de hand dat het verkopen van, en dienstverlening met betrekking tot verschillende merken, zoals ook door Stellantis is aangevoerd, niet vaak zal leiden tot een uniforme identiteit en uitstraling van een onderneming [119] . Het aangevallen oordeel geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en daarop lopen de rechtsklachten stuk.
3.53
De motiveringsklachten zie ik ook geen doel treffen. Daarvoor geldt opnieuw dat de klacht slechts een onderdeel bestrijdt van de verschafte motivering waarom geen sprake is van een franchiseformule die bepalend is voor een uniform imago van de ondernemingen (de dealers). Het hof heeft dat oordeel immers niet alleen gebaseerd op het aspect dat bij een aantal dealers sprake is van multibrand, zoals hiervoor al is besproken. De argumentatie van de dealers op dit punt waar de klacht aan refereert maken verder niet dat hier sprake is van ontoereikende motivering. De gegeven voorbeelden van multibrand franchising zien op heel andere situaties dan in deze zaak aan de orde (in gelijke zin s.t. Stellantis 4.6.3). De situatie dat een ondernemer in
verschillende winkelsverschillende franchiseformules exploiteert, zoals één ondernemer die Etos-, Albert Heijn- en Gall & Gall-formules in verschillende winkels exploiteert [120] , is namelijk wezenlijk anders dan de situatie waarin in één winkel of auto-/garagebedrijf (dealer) verschillende merken naast elkaar worden verkocht en geserviced. In het eerste geval wordt
per winkeleen duidelijk herkenbare bedrijfsformule geëxploiteerd, terwijl dat in het tweede geval (in de regel) niet zo is. Ook maken de stellingen over de aanvullende eisen die worden gesteld aan dealers die meerdere merken verkopen, het oordeel niet onbegrijpelijk. Die aanvullende eisen zien erop dat de merken duidelijk van elkaar gescheiden moeten zijn, dus aparte showroomgedeeltes per merk en dergelijke [121] . Dat soort eisen leiden mogelijk tot een uniforme en herkenbare identiteit en uitstraling
van het betreffende automerk of merken, maar leiden niet per se tot een uniforme uitstraling van het betreffende
autobedrijf. Althans is niet onmiddellijk duidelijk waarom dat zo zou moeten zijn en dat wordt verder ook niet toegelicht in de klacht. De klachten falen.
3.54
Subonderdeel 1.5beklaagt tot slot dat de passage dat de dealers niet (voldoende met concrete feiten gestaafd) hebben gesteld dat het bij de in rov. 5.16 bedoelde dealers slechts om gedoogsituaties gaat, eveneens als ontoereikend gemotiveerd. Omdat het hof niet duidelijk maakt uit welke elementen (behalve uit het voeren van een eigen naam) de eigen 'identiteit' van deze dealers bestaat (zie onderdeel 1.1), is ook niet duidelijk ten aanzien van welke elementen de dealers dan hadden moeten onderbouwen dat het gebruik daarvan wordt gedoogd. Voor zover het hof bedoelt dat de dealers hadden moeten stellen dat het gebruik van een eigen handelsnaam door Stellantis wordt gedoogd, is dat onbegrijpelijk, omdat – zoals hiervoor in onderdeel 1.2 is uiteengezet – het gebruik van een eigen handelsnaam niet (zonder meer) aan franchise in de weg staat en Stellantis het opnemen van een Stellantis-merk in de handelsnaam juist verbiedt. Van het gedogen van het gebruik van een eigen handelsnaam door deze dealers kan dus geen sprake zijn. Voor zover het hof bedoelt dat de dealers hadden moeten onderbouwen dat Stellantis het afwijken van voorschriften ten aanzien van de uniforme identiteit en uitstraling (bijvoorbeeld op het punt van het interieur van de bedrijfspanden) gedoogt, is dat oordeel onbegrijpelijk, nu zij dat wel degelijk gemotiveerd hebben gesteld.
3.55
Deze klachten lijken mij uit te gaan van een te geïsoleerde lezing van de aangevallen passage en er bestaat ook geen belang bij: dat bij bepaalde dealers geen sprake is van een uniform imago, geen uniforme identiteit en uitstraling is niet ontoereikend gemotiveerd – ook niet als de klachten doel zouden treffen. De klacht is inhoudelijk opnieuw gericht op maar één aspect van de verschafte motivering waarom naar het oordeel van het hof geen sprake is van een uniforme identiteit en uitstraling, in dit geval de (handels)naam. De ‘eigen identiteit’ van de dealer blijkt volgens het hof niet alleen uit het gebruik van de eigen (handels)naam maar ook uit andere elementen. Daar ketst deze klacht ook inhoudelijk op af.
Onderdeel 2 (franchise en selectieve distributie)
3.56
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.17 en rov. 5.18 t/m 5.24.
3.57
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof heeft miskend dat voor de kwalificatie van een overeenkomst als franchiseovereenkomst in de zin van art. 7:911 lid 1 BW Pro niet (zelfstandig) vereist is dat de franchisenemer zijn onderneming niet kan of wil exploiteren zonder de operationele, commerciële en organisatorische elementen van de franchiseformule. Voldoende is volgens art. 7:911 lid 1 in Pro verbinding met lid 2 onder a BW dat sprake is van een franchiseformule met operationele, commerciële en organisatorische elementen (waaronder in elk geval de onder 1° en 2° gespecificeerde elementen) die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen binnen de keten, en van een overeenkomst op grond waarvan de franchisegever aan een franchisenemer tegen vergoeding het recht verleent om die formule op de door de franchisegever aangewezen wijze te exploiteren voor de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten. Een tweede klacht is dat voor zover het hof dit laatste miskent met zijn overwegingen in rov. 5.14 en 5.16, waaronder dat het partijen "te doen moet zijn om de formule en het exploiteren daarvan" en/of de overwegingen over de "wens" van de franchisenemer, dat oordeel onjuist is.
3.58
Bij deze klachten bestaat geen belang. Het hof heeft als besproken in rov. 5.16 geoordeeld dat geen sprake is van een franchiseformule bij bepaalde, met name grotere, dealers. Dat is zelfstandig dragend voor het oordeel dat bij deze dealers geen sprake is van franchiseovereenkomsten; het voorhanden zijn van een franchiseformule is immers vereist voor kwalificatie als franchiseovereenkomst (art. 7:911 BW Pro). De daartegen gerichte klachten slagen volgens mij niet en daarmee ontbreekt het al aan belang bij de klachten van subonderdeel 2.1
3.59
Kern van het oordeel in rov. 5.17 is dat hier geen sprake is van franchising, maar van selectieve distributie. Daar gaan de klachten aan voorbij. Deze lijken ook uit te gaan van een onjuiste, althans te geïsoleerde lezing van het arrest, nu het hof niet heeft miskend dat voor een franchiseovereenkomst geen zelfstandig vereiste is dat de franchisenemer zijn onderneming niet kan of wil exploiteren zonder de franchiseformule. Het hof onderzoekt in rov. 5.17 of aan het constitutieve vereiste van de exploitatieverbintenis van de franchiseformule is voldaan en overweegt in dat kader dat de dealers onvoldoende hebben hard gemaakt dat zij hun onderneming niet kunnen of willen exploiteren zonder de franchiseformule. Alleen focussen op die frasering in de klacht geeft blijk van een te geïsoleerde lezing van het oordeel en kan niet tot cassatie leiden. De klacht mist feitelijke grondslag (in dezelfde zin s.t. Stellantis 5.4.2). Dat geldt ook voor de tweede klacht over rov. 5.14 en 5.16. In rov. 5.14 is terecht overwogen dat exploitatie van de formule ‘het onderwerp’ is van de franchiseovereenkomst. In de literatuur wordt, zoals in de inleiding besproken, aangenomen dat alleen een (franchise)formule niet voldoende is, maar dat ook (zelfstandig) beoordeeld moet worden of de distributeur zich heeft verbonden om een franchiseformule te exploiteren. De klachten zijn tevergeefs voorgesteld.
3.6
Ook
subonderdeel 2.2gaat uit van een te geïsoleerde lezing van rov. 5.17 met zijn motiveringsklacht dat bovendien zonder nadere, maar niet gegeven motivering onbegrijpelijk is waarom de omstandigheid dat de dealers "gedwongen zijn" om de operationele, commerciële en organisatorische elementen te accepteren, zou meebrengen dat het de dealers niet zozeer gaat om het exploiteren van een franchiseformule, maar om de auto's en accessoires die zij willen verkopen, nu het een het ander immers niet uitsluit – integendeel. Althans valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom de dealers geen franchiseformule zouden willen exploiteren, nu zij juist een overeenkomst met de bedoelde operationele, commerciële en organisatorische elementen hebben gesloten.
3.61
Ook bij deze klachten bestaat geen belang als de klachten tegen rov. 5.16 niet slagen, zoals hiervoor is besproken. De te geïsoleerde lezing bestaat eruit dat de klachten geen acht slaan op de context van de daaraan voorgaande rechtsoverweging. Het hof heeft in rov. 5.17 geoordeeld dat het ‘voor deze bedrijven’, namelijk de dealers die het hof in rov. 5.16 heeft aangeduid als ‘grotere dealers, vaak met meerdere vestigingen’, er niet zozeer om gaat om de exploitatie van hun onderneming met toepassing van een franchiseformule, maar om de auto’s en bijbehorende accessoires te verkopen. Het heeft dus beoordeeld of sprake is van een exploitatieverbintenis en geoordeeld dat daarvan geen sprake is. Dat oordeel is ook al gemotiveerd in rov. 5.16, namelijk met de passage dat deze dealers een eigen identiteit en eigen reputatie hebben, dat zij niet primair verbonden zijn met, of afhankelijk zijn van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald Stellantis-merk en dat zij ook buiten Stellantis verschillende dealerschappen (multibrand) hebben. Dat zijn allemaal contra-indicaties voor franchise. Het hof heeft daaruit in rov. 5.16 in de eerste plaats dan ook afgeleid dat geen sprake is van een uniforme uitstraling en dus geen franchiseformule in de zin van titel 7.16 BW. In de tweede plaats is gemotiveerd dat deze dealers niet
hun bedrijf willen exploiterenaan de hand van een formule. Als dealers namelijk niet alleen Stellantis-merken verkopen en aan die merken qua uitstraling ook niet primair verbonden zijn, dan wijst dat erop dat het deze dealers niet gaat om exploitatie van hun bedrijf aan de hand van een Stellantis-formule – hetgeen het hof in rov. 5.17 benoemt als het niet kunnen of willen exploiteren aan de hand van een Stellantis-formule. In rov. 5.17 heeft het hof dat oordeel bovendien nader gemotiveerd met zijn exposé hoe de eisen die aan deze dealers zijn gesteld dan moeten worden gezien, namelijk als passend bij selectieve distributie en als gevolg van het hoogwaardige en hoogtechnologische karakter van de producten en de luxueuze uitstraling. Dat sluit ook aan bij hoe selectieve distributie wordt gekarakteriseerd in de literatuur, zoals in de inleiding is besproken: passend bij luxe en technisch complexe producten, waarbij advies en aftersalesdiensten van belang zijn en vaak hoge eisen door de leveranciers/fabrikanten worden gesteld aan de distributeurs. Dus dat hier sprake is van selectieve distributie (zoals vrijwel algemeen aangenomen met betrekking tot autodealerovereenkomsten), wijst er volgens het hof op, mede in het licht van wat in rov. 5.16 is overwogen, dat hier geen sprake is van een exploitatie van een onderneming aan de hand van een franchiseformule – en voor een andersluidend oordeel hebben de dealers onvoldoende naar voren gebracht. Anders gezegd in de woorden van Stellantis’ s.t. 2.5: er is wel sprake van operationele, commerciële en organisatorische
elementendie maken dat de dealers als Stellantis-dealers kunnen opereren, maar deze ‘tellen niet op’ tot een operationele, commerciële en organisatorische
fornulevolgens het feitelijke oordeel van het hof [122] . Dat alles is – zeer – goed te volgen en daarop stranden deze motiveringsklachten inhoudelijk.
3.62
Subonderdeel 2.3komt met een frontale aanval op het belang hechten in rov. 5.17-5.23 aan de vraag of de overeenkomst (ook) als selectieve distributie kan worden aangemerkt. Daarmee wordt miskend dat voor kwalificatie als franchiseovereenkomst alleen van belang is of de overeenkomst voldoet aan de definitie van art. 7:911 BW Pro. Selectieve distributie is niet wettelijk geregeld in Nederland, is Europeesrechtelijk juridisch (mededingingsrechtelijk) ingekaderd met een andere ratio dan voor franchising, welke ratio’s los van elkaar staan en bovendien laten de Richtsnoeren ruimte om een overeenkomst zowel als een franchiseovereenkomst als een selectieve distributieovereenkomst te zien. Althans is miskend dat als een overeenkomst als selectieve distributieovereenkomst kan of kon worden aangemerkt, dat nog niet betekent dat die overeenkomst niet ook als franchiseovereenkomst kan worden gekwalificeerd.
3.63
Om met die laatste rechtsklacht te beginnen: die mist feitelijke grondslag (zo ook s.t. Stellantis 5.6.7). Zoals hiervoor al verscheidene keren onder ogen is gezien, heeft het hof aan de hand van de Wet franchise beoordeeld of bij alle dealers sprake was van een exploitatieverbintenis van een franchiseformule: antwoord nee. Evenmin is naar het oordeel van het hof sprake van een bepaalde formule voor alle dealers. Als besproken laat het hof de mogelijkheid open dat voor een deel van de dealercontracten zou kunnen opgaan dat sprake is van franchise, maar dat dat voor een met name genoemd type dealerovereenkomsten hier niet geldt. Of dat nu toepassing is van de ‘alsgeheeltoets’ of niet, het hof heeft naar ik meen niet miskend dat selectieve distributie en franchise kunnen cumuleren in eenzelfde overeenkomst, zoals de eerste rechtsklacht aanvoert. Dat blijkt nergens uit. In de inleiding is besproken dat franchise in de zin van titel 7.17 BW (ook) distributiefranchise omvat, maar nergens in het aangevallen arrest blijkt dat het hof dat heeft miskend. Er is volgens de huidige stand van de kwalificatierechtspraak gekwalificeerd door het hof, dat wil zeggen middels het aflopen van de stappen uitleg en kwalificatie van de benoemde overeenkomst franchise, al dan niet met toepassing van de corrigerende ‘alsgeheeltoets’. Dat is al zelfstandig dragend en de daartegen gerichte klachten falen als besproken in mijn ogen. Ten overvloede heeft het hof nader gemotiveerd dat hier in zijn optiek wél sprake is van selectieve distributie [123] . Of anders gezegd: volgens het feitelijke oordeel van het hof zijn de overeenkomsten naar inhoud en strekking geen franchisecontracten en werd dit type overeenkomst voorafgaand aan de Wet franchise ook niet als zodanig gezien en dat dergelijke overeenkomsten in het algemeen als selectieve distributie werden beschouwd, kan dan een belangrijk gezichtspunt zijn, aldus s.t. Stellantis 5.6.5. Subonderdeel 2.3 ketst op dit één en ander af.
3.64
Subonderdeel 2.4klaagt dat gegrondbevinding van een of meer klachten van onderdeel 1 ook het oordeel van het hof in rov. 5.24 aantast dat er geen aanwijzingen zijn dat de onderhavige distributieovereenkomsten (tevens) als franchiseovereenkomst zijn beschouwd. Als de overeenkomsten immers wél de kenmerken van art. 7:911 lid 2 onder Pro a BW bevatten, moet worden aangenomen dat de overeenkomsten voor invoering van titel 7.16 BW ook als franchiseovereenkomst moesten worden beschouwd; met de invoering van titel 7.16 BW is immers geen materiële wijziging van de relevante begrippen beoogd en de definitie van 'franchiseformule' is juist aangepast om deze meer te laten aansluiten bij de in de praktijk gangbare uitleg van dat begrip (rov. 5.8). Dit tast dan vervolgens ook de overige oordelen van rov. 5.24 aan.
3.65
Al omdat ik meen dat onderdeel 1 niet tot cassatie kan leiden, is deze klacht wat mij betreft tevergeefs voorgesteld.
3.66
In zoverre ten overvloede: inhoudelijk lijkt mij de in de klacht geponeerde omkering dat als een overeenkomst voldoet aan de wettelijke omschrijving van een franchiseovereenkomst uit art. 7:911 BW Pro moet worden aangenomen dat die overeenkomst vóór invoering van de Wet franchise ook werd beschouwd als franchiseovereenkomst, niet op te gaan. Het zijn juist de opvattingen die voor de codificatie van de franchiseovereenkomst in titel 7.16 BW in de praktijk gangbaar waren, die een rol kunnen spelen bij de vraag of al dan geen sprake is van een franchiseovereenkomst, maar daar kan niet selectief in worden gewinkeld. De klacht miskent in de eerste plaats de ‘alsgeheeltoets’ uit de kwalificatiejurisprudentie. Het hof heeft verder uitvoerig gemotiveerd waarom de dealer- en reparateurovereenkomsten voor de inwerkingtreding van titel 7.16 BW niet als franchiseovereenkomsten werden beschouwd. De klachten kunnen niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 3 (uniforme identiteit en uitstraling reparateurs)
3.67
Onderdeel 3 richt rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 5.25:
“5.25. Wat voor de dealers geldt, gaat nog sterker op voor de reparateurs die niet tevens dealer voor Stellantis zijn. Weliswaar zijn er elementen die aanduiden dat zij 'erkend' reparateur voor Stellantis-merken zijn, maar een uniforme identiteit en uitstraling valt daarin in het algemeen niet te herkennen. Bovendien bedienen deze bedrijven in de regel niet alleen klanten met auto's van Stellantis-merken. Feiten of omstandigheden die desondanks het oordeel rechtvaardigen dat deze reparateurs een franchiseformule van Stellantis exploiteren, zijn niet of onvoldoende naar voren gebracht. Overigens vallen ook de reparateurovereenkomsten onder de werking van de hiervoor genoemde Verordening (EG) 461/2010.”
3.68
Voor de klachten tegen dit
a fortiorioordeel over de reparateurs wijs ik allereerst opnieuw op de in cassatie niet bestreden slotzin uit rov. 5.7, dat voor toewijzing van de vorderingen van VODN c.s. ‘nodig is dat voor al deze overeenkomsten geldt dat sprake is van een franchiseovereenkomst.’ Dus in cassatie staat vast dat voor
alledealer- en reparateur-overeenkomsten moet gelden dat deze als franchiseovereenkomsten kwalificeren. Nu de klachten uit onderdelen 1 en 2 naar ik meen niet slagen, zodat niet alle dealerovereenkomsten kwalificeren als franchiseovereenkomsten, ontbreekt belang bij de klachten van onderdeel 3 gericht tegen het oordeel over de reparateurovereenkomsten. Voor het geval daar toch aan toegekomen zou worden, bespreek ik de klachten van onderdeel 3 hierna ook – in mijn ogen ten overvloede.
3.69
Subonderdeel 3.1richt een motiveringsklacht tegen het oordeel dat geen sprake is van een uniforme identiteit en uitstraling bij de reparateurs. Het hof neemt klaarblijkelijk tot uitgangspunt dat er wel elementen zijn die aanduiden dat de reparateurs 'erkend' reparateur van Stellantis-merken zijn, maar legt vervolgens niet uit waarom daarin "in het algemeen niet een uniforme identiteit en uitstraling [valt] te herkennen". Dat levert al onbegrijpelijkheid op. Voor zover het hof dit oordeel heeft gebaseerd op stellingen van Stellantis over het ontbreken van uniformiteit bij de reparateurs, is het onvoldoende gemotiveerd. Het hof maakt ten eerste niet duidelijk welke door Stellantis gestelde feiten het van belang acht en besteedt ten tweede geen (kenbare) aandacht aan de vele elementen waarop eiseressen in dit verband hebben gewezen (waarvoor de klacht verwijst naar subonderdeel 3.2). Voor zover het oordeel, gelet op de verwijzing naar "wat voor de dealers geldt", er mede op is gebaseerd dat de reparateurs hun eigen handelsnaam voeren, geldt dat het voeren van een eigen handelsnaam (ook op de website) niet (althans niet zonder meer) in de weg staat aan een uniforme identiteit en uitstraling als bedoeld in art. 7:911 lid 2 onder Pro a BW (waarvoor wordt verwezen naar subonderdeel 1.2).
3.7
Deze klacht is inhoudelijk tevergeefs. Rov. 5.25 moet worden gelezen in de context van het voorafgaande uitvoerig gemotiveerde oordeel dat de dealerovereenkomsten niet kwalificeren als franchiseovereenkomsten; wat voor de dealers geldt, geldt
a fortiorivoor de reparateurs die niet tevens dealer voor Stellantis zijn; dat is een terugverwijzing naar rov. 5.16 t/m 5.24. Daar komt bij dat het oordeel dat er in het algemeen geen uniforme identiteit en uitstraling valt te herkennen in het zijn van ‘erkend’ reparateur van Stellantis-merken, niet onbegrijpelijk is; volgens rov. 5.25 heeft VODN c.s. hier niet aan haar stelplicht voldaan. Uit het enkele feit dat reparateurs ‘erkend’ zijn, volgt zonder nadere onderbouwing niet dat zij ‘in het algemeen’ een uniforme uitstraling hebben. Dat is in ieder geval niet evident, omdat goed denkbaar is dat het voldoen aan eisen die gesteld worden aan erkende reparateurs niet maakt dat zij naar buiten toe een uniforme uitstraling hebben (zo terecht s.t. Stellantis 6.3.2). Dat had naar het oordeel van het hof onderbouwd moeten worden; de klacht verwijst niet naar stellingen van VODN c.s. hierover (in gelijke zin s.t. Stellantis 6.3.3). Verder is kennelijk net als bij de dealers zwaar meegewogen dat er reparateurs zijn die onder eigen naam optreden bij de beoordeling of sprake is van een uniforme identiteit en uitstraling; zie ook de bespreking van subonderdeel 1.2 hiervoor. De klachten falen kortom.
3.71
Volgens
subonderdeel 3.2is in elk geval sprake van een ontoereikende motivering, omdat niet kenbaar acht is geslagen op de (essentiële) stellingen van VODN c.s. over het bestaan van een uniforme identiteit en uitstraling. Zij hebben beroep gedaan op een groot aantal operationele, commerciële en organisatorische instructies en verplichtingen die Stellantis aan haar dealers en reparateurs oplegt (waaronder het gebruik van merken, huisstijl en knowhow), zorgend voor een formule en een uniforme identiteit en uitstraling. De klacht – vormt een herhaling van zetten uit subonderdeel 1.3, maar dan voor de reparateurs (ook zo gezien door Stellantis blijkens haar s.t. 6.4.2). Stellantis wijst er terecht op (bij s.t. 6.4.3) dat VODN c.s. in hun dagvaardingen zelf heeft gesteld dat de inhoud van de reparateurscontracten in grote mate overeenkomt met de dealercontracten en ook instructies, handleidingen en andere documenten elkaar overlappen. Het is dan ook goed te volgen dat het hof de motivering van zijn oordeel over de reparateursovereenkomsten summier houdt en terugverwijst naar het oordeel over de dealerovereenkomsten (in gelijke zin s.t. Stellantis 6.4.4). Ik verwijs kortheidshalve naar de bespreking van subonderdeel 1.3; de inhoudelijk gelijke klachten gaan ook niet op door de reparateurs.
3.72
Ook
subonderdeel 3.3is in wezen een materiële herhaling van zetten van subonderdeel 1.4 maar nu met de reparateurs als voorwerp in plaats van de dealers. Het snijdt opnieuw de multibrandproblematiek aan langs dezelfde lijnen als subonderdeel 1.4 en loopt daar helemaal parallel aan, met verwijzing naar dezelfde vindplaatsen. Ook hier verwijs ik dan ook kortheidshalve naar mijn bespreking van subonderdeel 1.4. De klachten falen ook voor zover deze zien op de reparateurs.
3.73
Subonderdeel 3.4klaagt tot slot over de passage uit rov. 5.25 dat de reparateurovereenkomsten onder de werking van Verordening (EG) 461/2010 vallen. Voor zover daarmee is beoogd te motiveren waarom geen sprake kan zijn van een franchiseovereenkomst, is dat onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat (dit begrip uit) EU-wetgeving niet (althans niet zonder meer) richtinggevend is bij de interpretatie van Titel 7.16 BW (waartoe wordt verwezen naar subonderdeel 2.3).
3.74
Dit kan op verschillende manieren worden aangevlogen om toe te lichten dat deze klachten moeten falen. De passage is in de eerste plaats een overweging ten overvloede. Dat de reparateursovereenkomsten geen franchiseovereenkomsten zijn wordt al zelfstandig gedragen door het oordeel dat er geen uniforme identiteit en uitstraling van deze reparateurs en dus geen franchiseformule is; de daartegen gerichte klachten slagen niet, zo is hiervoor besproken. Dat franchisebegrippen uit de EU-wetgeving niet richtinggevend zouden zijn voor de uitleg van titel 7.16 BW is hiervoor al aan de orde geweest bij de bespreking van subonderdeel 2.3, waar de klacht ook naar verwijst. Ik meen hier te kunnen volstaan met verwijzing naar de bespreking daarvan om aan te geven dat subonderdeel 3.4 inhoudelijk ook niet opgaat.
Onderdeel 4 (voortbouwklacht)
3.75
De louter voortbouwende klacht van
onderdeel 4mist zelfstandige betekenis en kan onbesproken blijven.

4.Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest, Hof Amsterdam 18 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:673, rov. 3.1-3.3. Dit betreft een samenvatting van de in eerste aanleg vastgestelde feiten, Rb. Amsterdam 24 mei 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4851, rov. 2.1-2.10.
2.De rechtsvoorgangers van Stellantis zijn voor zover van belang Opel Nederland B.V., Citroën Nederland B.V. en Peugeot Nederland N.V. Zie ook het bestreden arrest, rov. 2.
3.Het procesverloop is grotendeels ontleend aan rov. 4.1-4.2 van het vonnis en rov. 2 en 5.1 van het bestreden arrest.
4.Voetnoot 1 arrest: Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3, p. 23.
5.Voetnoot 2 arrest: Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3, p. 23.
6.Voetnoot 3 arrest: Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3, p. 51.
7.Voetnoot 4 arrest: Mededeling van de Commissie, Richtsnoeren inzake verticale beperkingen, PB C 248/01 van 30 juni 2022.
8.Voetnoot 5 arrest: Beschikking 75/73 EEG van de Commissie van 13 december 1974 (Bayerische Motoren Werke AG), PB L. 29, 3 februari 1975.
9.Voetnoot 6 arrest: Verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, PB L. 15/16, 18 januari 1985, en Verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, PB L, 145/25, 29 juni 1995, nrs. 3 en 4.
10.Voetnoot 7 arrest: Verslag van de evaluatie van Verordening (EG) nr. 1475/95 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, 8 november 2000, COM(2000)743, onder nr. 14.
11.Voetnoot 8 arrest: Verordening (EG) nr. 1400/2002 van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, PB L. 203/30 van 1 augustus 2002.
12.Voetnoot 9 arrest: Verordening (EU) nr. 461/2010 van de Commissie van 27 mei 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, PB L 129 van 28 mei 2010.
13.Voetnoot 10 arrest: Aanvullende richtsnoeren betreffende verticale beperkingen in overeenkomsten voor de verkoop en herstelling van motorvoertuigen en voor de distributie van reserveonderdelen voor motorvoertuigen, PB C 138/05 van 28 mei 2010, gewijzigd bij Mededeling van de Commissie, PB C 133 1/01 van 17 april 2023.
14.Voetnoot 11 arrest: Evaluatieverslag van de Commissie over de werking van de groepsvrijstellingsverordening motorvoertuigen (EU) nr. 461/2010 van 28 mei 2021, COM(2021) 264.
15.Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van de regels omtrent de franchiseovereenkomst (Wet franchise),
16.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 12.
17.Idem, nr. 3 (MvT), p. 2.
18.Idem, nr. 3 (MvT), p. 2 en p. 7.
19.Idem, nr. 3 (MvT), p. 7.
20.Idem, nr. 3 (MvT), p. 1. Deze omschrijving lijkt sterk op die van de NFV.
21.Ook vermeld in Kamerstukken II 2019/20, nr. 3 (MvT), p. 23, vn. 29.
22.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 22-23 en nr. 6 (NV), p. 30-31.
23.Idem, nr. 3 (MvT), p. 23 en nr. 6 (NV), p. 31.
24.Idem, nr. 3 (MvT), p. 23 en nr. 6 (NV), p. 31. Vgl. de opmerking op MvT p. 21 dat naar aanleiding van de consultatie “waar mogelijk redactionele voorstellen die beogen de formuleringen meer in lijn te brengen met terminologie waar franchisegevers en franchisenemers zich in herkennen, [zijn] overgenomen”, en dat dit bijv. betreft “de definities van franchiseformule en franchiseovereenkomst”.
25.Idem, nr. 3 (MvT), p. 11. Het Nederlandse mededingingsrecht sluit aan bij het Europese mededingingsrecht; het beoogt niet strenger of soepeler te zijn.
26.Idem, nr. 3 (MvT), p. 12.
27.Idem.
28.Idem.
29.Idem, nr. 3 (MvT), p. 22.
30.Hafez, De juridische werking van de Wet franchise (R&P nr. CA31
31.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/188.
32.Hafez, a.w., 2025/2.2.2.1.
33.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/188 en Hafez, a.w. 2025/2.2.2.1.
34.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/188. Hafez, a.w. 2025/2.2.2.2 wijst erop dat winkels een sprekend voorbeeld zijn van distributie franchising, maar dat deze vorm van franchising ook voorkomt in vele andere branches (de zorg, ICT-sector, enz.).
35.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/188.
36.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 22.
37.Idem, nr. 3 (MvT), p. 1-2 en zie ook de uitgebreide beschrijving in nr. 6 (NV), p. 2, waar de keuzevrijheid binnen de franchiseformule wordt gelokaliseerd in de huisstijl en het assortiment (meer vrijheid bij soft franchise op die terreinen).
38.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/190.
39.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/190.
40.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 22 en nr. 6 (NV), p. 30.
41.Idem, nr. 6 (NV), p. 30.
42.Idem, nr. 3 (MvT), p. 22.
43.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/174.
44.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 1.
45.Idem, nr. 3 (MvT), p. 23.
46.Idem.
47.Hafez, a.w., 2025/2.5.2.2.
48.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 23.
49.Hafez, a.w., 2025/2.5.2.3.
50.Idem.
51.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 23.
52.Idem.
53.Idem.
54.J.H.M. Spanjaard, Een nieuwe wet, een nieuw geluid – veranderingen voor de franchiseovereenkomst door de Wet franchise, Contracteren 2020/4, p. 145.
55.Idem.
56.M.J. van Joolingen, M. Groothuismink, S.K. Wittkämper en A. Koopmans, Kwalificatie van dealercontracten onder de nieuwe Wet franchise, ORP 2021/43, p. 10: “Van oudsher zijn dealercontracten gebaseerd op selectieve distributieovereenkomsten, waarin importeurs vergaande verplichtingen opleggen aan (afhankelijke) dealers”, T. de Mönnink & J. van Till, Valt exclusieve of selectieve distributie ook onder de (aankomende) franchisewet? Lelijk eendje of slimme vogel?, NJB 2020/1053 en Hafez, a.w., 2025/2.6.3. Het hof heeft in het bestreden arrest ook geoordeeld dat we hier met selectieve distributie van doen hebben in rov. 5.17 e.v.
57.Zie daarover uitgebreid T. de Mönnink & J. van Till, al aangehaald, NJB 2020/1053, p. 1239-1241. Vgl. ook het vervolgens ontstane debat of dealerovereenkomsten onder het bereik van titel 7.16 BW vallen: M.J. van Joolingen, M. Groothuismink, S.K. Wittkämper en A. Koopmans, al aangehaald, ORP 2021/43, p. 10-19; J. Blom, Reactie op artikel ORP 2021/43 ‘Kwalificatie van dealercontracten onder de nieuwe Wet franchise’, ORP 2021/113, p. 26-31 en M.J. van Joolingen, S.K. Wittkämper en A. Koopmans, Naschrift ORP 43 ‘Kwalificatie van dealercontracten onder de nieuwe Wet franchise’, ORP 2021/114, p. 32-33.
58.Handelingen II 2019/20, nr. 80, item 28, p. 12.
59.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 6 (NV), p. 30.
60.M.J. van Joolingen, M. Groothuismink, S.K. Wittkämper en A. Koopmans, al aangehaald, ORP 2021/43, p. 10-19. Opgemerkt wordt daarbij dat mrs. Van Joolingen en Wittkämper als advocaten van eiseressen in cassatie hebben opgetreden in de feitelijke instanties.
61.Na de reactie van J. Blom (al aangehaald, ORP 2021/113, p. 26-31) hebben Van Joolingen c.s. verduidelijkt niet de stelling te betrekken dat dealercontracten “in hun algemeenheid” als franchiseovereenkomsten kunnen worden gekwalificeerd, maar dat kwalificatie “voor ieder contract afzonderlijk zal moeten plaatsvinden”, aldus hun al aangehaalde Naschrift, ORP 2021/114, p. 33.
62.T. de Mönnink & J. van Till, al aangehaald, NJB 2020/1053, p. 1246 en Hafez, a.w., 2025/2.6.1.
63.Zo is de teneur in zowel de Nederlandse literatuur: A.J.J. van der Heiden, Franchising, diss.1999, p. 167; C.A.M. van de Paverd, De opzegging van distributieovereenkomsten: een onderzoek naar regels betreffende de opzegging van distributieovereenkomsten, in het bijzonder naar de grondslagen daarvan, diss. 1999/2.2.3; J.H.M. Spanjaard, Een nieuwe wet, een nieuw geluid – veranderingen voor de franchiseovereenkomst door de Wet franchise, Contracteren 2020/4, p. 145, als Duitse literatuur, MüKoHGB/Ströbl, 6. Aufl. 2025, HGB Vor § 84, Rn. 20.
64.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/194.
65.F.W. Grosheide, Franchising en harmonisering van recht in de EU - met enkele kanttekeningen over het recht van de Verenigde Staten” in: D. Kokkini-Iatridou & F.W. Grosheide, Eenvormig en vergelijkend privaatrecht
66.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/194.
67.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 6 (NV), p. 30.
68.J.H.M. Spanjaard, al aangehaald, Contracteren 2020/4, p. 145, r.k.
69.A. Schimanksy, Der Franchisevertrag nach deutschem und niederländischem Recht, 2003, p. 76: “Franchising geht mit der Franchise über die blosse Absatzförderung des Franchiseproduktes hinaus; vielmehr ist das Systemimage selbst ein Product, das ebenso viel Aufmerksamkeit verlangt wie der Absatz des eigentlichen Produktes selbst”.
70.In de Nota naar aanleiding van het verslag is verduidelijkt dat de zinssnede “exploitatie van de formule” een verkorte aanduiding is voor de feitelijke situatie dat de “franchisenemer een onderneming exploiteert onder toepassing van een franchiseformule en de franchisegever exploiteert de franchiseformule zelf”, zie Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 6, p. 31.
71.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/188.
72.HvJEG 28 januari 1986, C-161/84, ECLI:EU:C:1986:41 (
73.T. de Mönnink & J. van Till, al aangehaald, NJB 2020/1053, p. 1243, r.k.
74.L. Bekke & H. Speyart, Selectieve distributie en de regulering van internetverkoop na Coty, IER 2018/39.
75.Idem.
76.Idem.
77.Hafez, a.w., 2025/2.6.3.
78.M.J. van Joolingen, M. Groothuismink, S.K. Wittkämper en A. Koopmans, al aangehaald, ORP 2021/43, p. 18, l.k.
79.Hafez, a.w., 2025/2.6.3.
80.T. de Mönnink & J. van Till, al aangehaald, NJB 2020/1053, p. 1245 (‘nagenoeg nooit’ franchise bij multibrand); J.H.M. Spanjaard, al aangehaald, Contracteren 2020/4, p. 146, l.k. (bij multibrand ‘kwalificeert de overeenkomst eerder als distributie dan als franchise’) en J. Blom, al aangehaald, ORP 2021/113, p. 30, l.k. (‘in de regel’ geen franchise bij multibrand).
81.J.H.M. Spanjaard, al aangehaald, Contracteren 2020/4, p. 146, l.k.
82.Hafez, a.w., 2025/2.6.3, vn. 150.
83.T. de Mönnink & J. van Till, al aangehaald, NJB 2020/1053, p. 1244, r.k. en p. 1245, r.k. en Hafez, a.w., 2025/2.5.1.1 en 2.6.3.
84.Hafez, a.w., 2025/2.5.1.1 en 2.6.3.
85.T. de Mönnink & J. van Till, al aangehaald, NJB 2020/1053, p. 1244, r.k.
86.T. de Mönnink & J. van Till, al aangehaald, NJB 2020/1053, p. 1245, r.k.
87.Hafez, a.w., 2025/2.6.3 en zie ook J. Blom, al aangehaald, ORP 2021/113, p. 30 en Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/194.
88.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 1: “Beide partijen [franchisegever en franchisenemer, A-G] hebben baat bij een goed ontwikkelde formule en een succesvolle exploitatie daarvan.” Zie ook Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/181: dit ‘gezamenlijke voordeel’ verklaart o.m. het succes van franchising.
89.A. Schimanksy, a.w., 2003, p. 104.
90.Idem, p. 77.
91.Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/186 en 194 en A.J.J. van der Heiden, Franchising: enkele samenhangende aspecten met betrekking tot de grondslagen voor de juridische vormgeving van franchising, overeenkomstig Nederlandse en algemeen internationale wetgeving en rechtspraak, in theorie en praktijk, een en ander vooral bezien vanuit het effect ervan voor een franchisenemer, 1992, p. 17.
92.A. Schimanksy, a.w., 2003, p. 78.
93.Martinek/Semler/Flohr VertriebsR-HdB/Flohr, 5. Aufl. 2025, § 27, Rn. 20.
94.Hafez, a.w., 2025/2.6.4 en zie eerder al J.H. Kolenbrander, Franchising – Waarom het eigenlijk best een goed idee is om van de franchiseovereenkomst een benoemde overeenkomst te maken, NJB 2013/2302.
95.M. Mendelsohn & R. Bynoe, Franchising, 1995, par. 5.2.2 (‘Distribution’), p. 48.
96.Anders is de situatie naar Duits recht. Daar zijn zowel dealerovereenkomsten, distributieovereenkomsten als franchiseovereenkomsten onbenoemde overeenkomsten, zodat het naar Duits recht voor de rechtsgevolgen aankomt op wat partijen zijn overeengekomen, MüKoHGB/Ströbl, 6. Aufl. 2025, HGB Vor § 84, Rn. 20.
97.Dit is ook de uitdrukkelijke insteek van het artikel van M.J. van Joolingen, M. Groothuismink, S.K. Wittkämper en A. Koopmans, al aangehaald, ORP 2021/43, p. 10-19, waarin wordt betoogd dat dealerovereenkomsten als franchiseovereenkomsten kwalificeren.
98.Zie voor huur, pacht en arbeid respectievelijk HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9673 (
99.HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:167, JHV 2025/8 m.nt. D. Briedé, TvPP 2025/15 m.nt. K. Samim, JIN 2025/58 m.nt. W.A. Braams, WR 2025 2025/07 m.nt. F.C. Borst en TvHB 2025/07 m.nt. M.C. Elshof (
100.Hier wordt in een voetnoot verwezen naar het
101.HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:167, JHV 2025/8 m.nt. D. Briedé, TvPP 2025/15 m.nt. K. Samim, JIN 2025/58 m.nt. W.A. Braams,
102.Zo bijv. Rb. Den Haag 10 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9218. Ook Stellantis’ s.t. 5.31-5.3.4 gaat daarvan uit.
103.T. de Mönnink & J. van Till, al aangehaald, NJB 2020/1053; S.A. Kruisinga, Wat is een franchiseovereenkomst, Contracteren 2025/2, par. 2; Hafez, a.w., 2025/2.3 en J.H.M. Spanjaard, Kwalificeren is een holistische aangelegenheid, Contracteren 2025/2, p. 76-80 gaan daar ook van uit, net als H.N. Schelhaas en J.J. de Vogel, in: Preadviezen VVSRBN 2025/11.
104.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 22.
105.Conclusie A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2024:810), 3.20, die als volgt formuleert in de context van de benoemde overeenkomst huur: “Voldoet de inhoud van een overeenkomst op zichzelf aan alle elementen van de wettelijke omschrijving van huur, dan is niet uitgesloten dat die overeenkomst toch niet als zodanig kan gelden op de grond dat haar inhoud en strekking van dien aard zijn dat de overeenkomst in haar geheel beschouwd niet als een huurovereenkomst kan worden aangemerkt.
106.H.N. Schelhaas en J.J. de Vogel, in: Preadviezen VVSRBN 2025/80.
107.Idem, 2025/7.
108.Zo ook s.t. Stellantis, nr. 2.6-2.13.
109.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 6, p. 30.
110.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 23: “Een franchiseformule omvat in ieder geval zowel een of meer van de in onderdeel a, onder 1°, genoemde elementen, als de onder 2° bedoelde knowhow. Dit zijn cumulatieve elementen.”
111.Een selectie: J.H. Kolenbrander, Franchise: een korte introductie, 2021, p. 12: “Een uniforme uitstraling richting de klanten staat hierbij voorop, zowel ten aanzien van de uitstraling (o.a. winkelinrichting en naam), alsook het aanbod van goederen of diensten.”; A.J.J. van der Heiden, a.w., diss. 1999, p. 167: het verschil tussen distributie en franchise is dat bij distributie verkopers “niet optreden onder dezelfde handelsnaam”; S. Claeys, Franchising. Tussen zelfstandigheid en afhankelijkheid: Een onevenwichtige samenwerking?, 2009, nr. 234: “Het eerste waar de franchisenemer zal van kunnen meeprofiteren is de naambekendheid [van] de franchisegever”; HvJEG 28 januari 1986, C-161/84, ECLI:EU:C:1986:41 (
112.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 3 (MvT), p. 1.
113.M.J. van Joolingen, M. Groothuismink, S.K. Wittkämper en A. Koopmans, al aangehaald, ORP 2021/43, p. 13, l.k., waar als voorbeeld van soft franchise worden gegeven ‘123Wonen’ (makelaardij) en ‘GRIZZL’ (horeca).
114.J.H.M. Spanjaard, Een nieuwe wet, een nieuw geluid - veranderingen voor de franchiseovereenkomst door de Wet franchise, Contracteren 2020/4, p. 146, l.k.
115.Inl. dgv. Opel, nr. 5.73. Hetzelfde geldt
116.T. de Mönnink & J. van Till, al aangehaald, NJB 2020/1053, p. 1244, r.k.
117.Kamerstukken II 2019/20, 35392, nr. 6, p. 12-13.
118.T. de Mönnink & J. van Till, al aangehaald, NJB 2020/1053, p. 1244-1245; J.H.M. Spanjaard, Een nieuwe wet, een nieuw geluid - veranderingen voor de franchiseovereenkomst door de Wet franchise, Contracteren 2020/4, p. 146 en J. Blom, al aangehaald, ORP 2021/113, p. 30.
119.S.t. Stellantis, nr. 4.6.3, onder verwijzing naar CvA § 3.5.23 en 4.2.2.
120.Dit voorbeeld komt uit de spreekaant. 27 maart 2023, 3.9, waar de klacht naar verwijst.
121.Zie bijv. prod. 92b waarnaar wordt verwezen in spreekaant. 27 maart 2023, 4.21.
122.Zie ook s.t. Stellantis 5.5.3-5.5.4.
123.VODN c.s.’ stelling bij s.t. 3.2.3 lijkt mij een onjuiste parafrase van het bestreden arrest: niet is overwogen dat geen sprake is van franchiseovereenkomsten