Conclusie
3.Bespreking van het cassatiemiddel
franchiseformule: operationele, commerciële en organisatorische formule voor de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten, die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen binnen de keten waar deze formule wordt toegepast, en die in ieder geval omvat:
franchisegever: natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechthebbende is op of gebruiksgerechtigde is van een franchiseformule en in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf anderen het recht verleent deze formule mede te exploiteren;
franchisenemer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf voor eigen rekening en risico een franchiseformule exploiteert.”
onderneming. Naar buiten toe wordt onder één herkenbare formule gewerkt [49] . Voor het publiek, de klanten van de franchiseonderneming, zal sprake moeten zijn van één herkenbare formule. Dit betekent dat als de ondernemingsformule niet is gericht op een uniforme identiteit en uitstraling, er geen sprake is van een franchiseovereenkomst in de zin van art. 7:911 BW Pro [50] .
bepalendis voor een uniforme identiteit en uitstraling van de onderneming een feitelijke vraag en zodoende overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt. Dat is in cassatie alleen toetsbaar op motivering.
Als ik weleens kijk naar sommige automotivebedrijven, dan denk ik: nou, het zou best eens wél een franchiseformule kunnen zijn. Feit is dat ik niet precies weet wat de inhoud is van de afspraken die er zijn. Dat moet uiteindelijk getoetst worden.Maar zoals bij bijna alles in het leven: wat loopt als een eend en geluid maakt als een eend, is ook vaak een eend.” (onderstreping A-G)
afhankelijk van de concrete invulling van de overeenkomst, meer in het bijzonder of er sprake is van een bedrijfsvoering volgens een door de producent ontwikkeld(e) franchiseformule/concept. Illustratief in dit verband is de uitspraak van de kantonrechter Rechtbank Breda van 21 december 2011, waarin een door partijen als licentieovereenkomst ingestoken contract werd aangemerkt als een franchiseovereenkomst (ECLI:NL:RBBRE:2011:BU9904, r.o. 3.4).” (onderstreping A-G)
bedrijfsvoeringaan de hand van een door de franchisegever ontwikkelde franchiseformule, daarom ook wel ‘bedrijfsconcept’ genoemd (vgl. rov. 5.14 van het bestreden arrest) [67] . Andersom gaat het bij distributie weliswaar ook om de exploitatie van een onderneming voor de verkoop van goederen, maar níet binnen de formule van de leverancier [68] . Scherp geformuleerd zou je met de Duitse auteur Schimansky kunnen zeggen dat centraal staande franchiseformule, het bedrijfsconcept, zélf als het ware een ‘product’ is [69] ; ‘product’ in de zin dat het een bepaalde waarde vertegenwoordigt, omdat klanten van de franchiseketen een zeker beeld hebben bij de producten en/of diensten. Dat de franchise(formule) zelf als het ware ‘product’ is, komt ook naar voren in art. 7:911 lid 1 BW Pro: het gaat bij franchise om het recht en de plicht van de franchisenemer om de (door de franchisegever ontwikkelde)
franchiseformule te exploiteren, dat wil zeggen zijn bedrijf te voeren met toepassing van de franchiseformule [70] . Dáárvoor wordt de vergoeding betaald. Dat de elementen franchiseformule en franchisevergoeding onderscheidend zijn, sluit aan bij wat het Hof van Justitie in het
Pronuptia-arrest heeft aangegeven over het onderscheid tussen (selectieve) distributie en franchise:
Pronuptia-arrest wordt gezien als nog steeds leidend binnen de EU voor de kwalificatie van franchiseovereenkomsten [73] .
bepalendis voor een uniforme identiteit en uitstraling van de
ondernemingenbinnen de franchiseketen. De eisen die gesteld worden bij selectieve distributie zijn niet noodzakelijkerwijs gericht op een uniforme identiteit en uitstraling van de onderneming, maar gericht op de kwaliteitsborging van
het product zelfen niet op de uitstraling van de gehele onderneming [77] . De eisen zijn er (primair) op gericht dat de verkoop en dienstverlening zo gelijk en uniform mogelijk worden verricht en zo voldoen aan een bepaalde standaard. Toegepast in de autodealercontext: het assortiment auto’s en accessoires en de reparatie- en onderhoudsdiensten zijn voor de klanten in vergaande mate uniform en herkenbaar, ongeacht de door hen gekozen dealer [78] . Onder omstandigheden kan dit ook tot een uniforme uitstraling en identiteit
van de onderneming(van de dealer) zelf leiden; bijvoorbeeld als een distributeur één merk mag verkopen (‘singlebrand’) en de winkelinrichting/showroom/werkplaats conform ‘het merk’ moet hebben ingericht. Dat kan neigen naar een formule waarbij een uniforme identiteit en uitstraling is beoogd [79] . Het kan echter ook zijn dat de eisen niet leiden tot een uniforme identiteit en uitstraling van de onderneming, zoals wanneer de dealer ook andere merken verkoopt en repareert. Zo’n ‘multibrand’ element wordt in de literatuur vrij algemeen begrepen als een aanwijzing dat geen sprake is van een franchiseformule [80] . Bij verkoop van meerdere merken (bijvoorbeeld auto’s of fietsen) zou met name de naam waaronder de retailer naar buiten treedt van belang zijn om te kunnen spreken van een franchiseformule [81] . Opnieuw anders gezegd: de uniforme uitstraling en identiteit moet zijn gericht op de
ondernemingen niet op het
merkproductdat de onderneming distribueert [82] .
exploitatie van de formule, wil men onder het bereik van de Wet franchise vallen [83] . Ook als een onderneming een bepaalde uniforme uitstraling heeft, is voor kwalificatie als franchiseovereenkomst (extra) criterium of de ondernemer het recht en de plicht heeft om de onderneming te exploiteren aan de hand van een formule. De franchisenemer moet zich hebben verbonden om de franchiseformule te exploiteren (de ‘exploitatieverbintenis’) [84] . Bij ‘multibrand’ zal daar als gezegd (in de regel) geen sprake van zijn, omdat de distributeur zijn onderneming inricht en uitbaat op een wijze zoals hij zelf wenst en goeddunkt [85] . Bij ‘singlebrand’ kan er een zekere mate van uniformiteit van verkoopruimte en het gebruik van het merk worden bewerkstelligd, maar ook dan blijft beslissend voor de kwalificatie of een franchiseformule wordt geëxploiteerd [86] . Als een distributeur er bijvoorbeeld zelf voor kiest (zonder daartoe contractueel gehouden te zijn) om maar één (auto)merk te verkopen en geen andere merken, dan is niet aan dit vereiste voldaan [87] . Het hangt er dus vanaf hoe de overeenkomst is ingericht.
Portaal-arrest over de kwalificatie van een overeenkomst als huurovereenkomst is de lijn van genoemde eerdere rechtspraak bevestigd en nog eens uiteengezet hoe kwalificatie van overeenkomsten in zijn werk dient te gaan [99] . Dat verloopt in twee stappen: de relatie moet eerst worden uitgelegd, daarna vindt de eigenlijke kwalificatie plaats, met een ‘alsgeheeltoets’ als mogelijke correctie.
Haviltex-maatstaf moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Nadat zo de inhoud van de overeenkomst is vastgesteld (uitleg), volgt de tweede stap: beoordeling of die overeenkomst is aan te merken als een bepaalde benoemde overeenkomst (de eigenlijke kwalificatie). Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving,
moetde overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor de kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling te laten vallen. In de correctiestap, de ‘alsgeheeltoets’, moet ten slotte worden beoordeeld of een overeenkomst die alle elementen bevat van een bepaald type wettelijk geregelde overeenkomst desondanks toch niet als zodanig kwalificeert. Over deze laatste toets is in het
Portaal-arrest het volgende overwogen:
gelet op haar inhoud en strekking, in haar geheel beschouwd toch nietals huurovereenkomst moet worden aangemerkt [100] . Bij de beoordeling of deze uitzondering zich voordoet is mede van belang voor welke situatie partijen een regeling hebben willen treffen en of een kwalificatie anders dan als huurovereenkomst zich in die situatie verdraagt met het dwingendrechtelijke beschermingsregime voor huurovereenkomsten met betrekking tot woonruimte.” [101] (onderstreping A-G)
in beginselnatuurlijk ook het geval. Er is alleen ruimte voor de ‘alsgeheeltoets’ om er voor te zorgen dat de overeenkomsten die
nietonder het wettelijke beschermingsbereik zouden
moetenvallen, daar ook buiten blijven – bij wijze van uitzondering. Deze derde stap lijkt een beoordeling te behelzen op grond van objectieve maatstaven, zoals A-G Valk in zijn conclusie voor het
Portaal-arrest heeft aangegeven [105] . Het gaat er daarbij niet (alsnog) om
hoe partijen(subjectief) hun rechtsverhoudingen hebben willen kwalificeren, maar of uit objectieve omstandigheden, zoals inhoud en strekking van de overeenkomst, blijkt dat toch geen sprake is van bedoelde benoemde overeenkomst, in ons geval van franchisingovereenkomsten, ook al voldoen deze aan alle wettelijke elementen. Schelhaas en De Vogel noemen dat in hun preadvies
substance over form [106] , of ‘de gedachte dat voorrang toekomt aan het wezen van de contractuele relatie boven de tekst’ [107] .
onder meergemotiveerd met de passage dat zij een eigen identiteit en reputatie hebben. De klacht is zodoende maar tegen een deel van de motivering gericht. Het hof heeft namelijk ook overwogen dat bedoelde dealers niet primair verbonden zijn met of afhankelijk zijn van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald Stellantis-merk en er bovendien verschillende dealerschappen (multibrand) zijn, ook buiten Stellantis-verband, wat zich moeilijk laat verenigen met een uniforme identiteit en uitstraling van een formule van Stellantis. Springend punt in dit oordeel is dat dit soort dealers met eigen reputatie los van de Stellantis-merken door hun klanten niet worden gezien als deel uitmakend van een franchise en zodoende geen uniforme uitstraling hebben van een bepaald Stellantis-merk of merken. Het oordeel dat er geen sprake is van een uniforme identiteit en uitstraling, lijkt mij toereikend en ook dragend gemotiveerd. Dat het hof mogelijk het oog zou hebben gehad op andere aspecten, waar de klacht op is gegrond, zie ik niet. De klacht is tevergeefs.
alleelementen van lid 2 onder a sub 1o BW aanwezig zijn. Een andere vraag is of noodzakelijk én voldoende is dat de franchiseformule slechts één van de elementen van 1o bevat (dus òf een merk, òf een model, òf een handelsnaam, òf een huisstijl, òf een tekening). De tekst van de wet lijkt mij daartoe niet te nopen. De opsomming kan ook worden gelezen als twee sets van elementen, zodat ook de uitleg kan worden bepleit dat in ieder geval twee elementen van 1o aanwezig moeten zijn, dus hetzij een merk/model/handelsnaam enerzijds plus een huisstijl/tekening anderzijds. Als we te rade gaan bij de Toelichting wordt duidelijk dat een franchiseformule in de ogen van de regering in ieder geval één of meer van de in onderdeel a, onder 1o genoemde elementen moet hebben [110] .
alledealers en reparateurs van Stellantis sprake is van een franchiseovereenkomst. Het hof heeft tegen die achtergrond in rov. 5.16 kunnen overwegen dat geen sprake is van een franchiseformule, omdat de daadwerkelijk, feitelijk gestelde eisen niet leiden tot, kort gezegd, een uniform imago. Nergens blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat daarvan alleen sprake kan zijn bij een uniforme handelsnaam. In zoverre mist de klacht dan ook feitelijke grondslag. Het hof heeft het feit dat bepaalde dealers onder hun eigen naam optreden wellicht zwaar laten meewegen, maar dat is ook helemaal niet onjuist. Zeker in het geval dat verschillende dealers meerdere merken verkopen, ook buiten de Stellantis-stal, zoals het hof heeft geoordeeld in rov. 5.16, is dat een sterke aanwijzing dat geen sprake is van franchise. De klacht stuit op het voorgaande af.
subonderdeel 1.3klaagt dat niet kenbaar acht is geslagen op de (essentiële) stellingen van eiseressen over het bestaan van een uniforme identiteit en uitstraling. VODN c.s. hebben zich op een groot aantal operationele, commerciële en organisatorische instructies en verplichtingen beroepen die Stellantis aan haar dealers en reparateurs oplegt (waaronder het gebruik van merken, huisstijl en knowhow) en die volgens hen een formule vormen die zorgt voor een uniforme identiteit en uitstraling. Zij hebben ten aanzien van de dealers onder meer een beroep gedaan op instructies voor en eisen aan:
Simplified Operational Standards(SOS-standaarden);
mystery visits.
die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers.
ondernemingvolgens de franchiseformule wordt gerund en dat er een franchiseformule is die bepalend is voor de uniforme identiteit en uitstraling van
alle ondernemingenbinnen de franchiseketen. Het hof heeft in rov. 5.16 geoordeeld dat van een dergelijke franchiseformule in ieder geval bij bepaalde dealers geen sprake is. Anders gezegd behelst het hofoordeel dat wat er ook zij van de operationele, commerciële en organisatorische eisen zoals die daadwerkelijk aan de dealers zijn gesteld, deze klaarblijkelijk niet bepalend zijn voor een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers (de ondernemingen). Met name voor de meer besproken groep grote dealers en multibrand-dealers geldt naar het feitelijke oordeel van het hof dat zij een eigen identiteit en reputatie bij hun klantenkring hebben en niet primair verbonden zijn met of afhankelijk zijn van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald Stellantis-merk. Voor deze dealers betreft het dus geen franchiseformule op grond waarvan zij hun hele onderneming exploiteren. Dat geldt te meer voor de multibrand-dealers die ook zaken doen in merken buiten de Stellantis-stal. De aangevoerde stellingen maken niet dat dit oordeel niet te volgen is. Uit die stellingen volgt mogelijk dat bepaalde merksymbolen (op de gevel) worden gebruikt, dat (een gedeelte van) de showroom in een bepaalde huisstijl wordt ingericht, enzovoorts, maar dat maakt allemaal nog niet dat sprake is van een uniforme uitstraling van de onderneming in alle gevallen.
hele onderneminghierdoor een uniforme uitstraling heeft, lijkt mij dat franchise op te kunnen leveren. In het wettelijke systeem gaat het volgens mij namelijk bij franchise om
uniforme ondernemingen. Dat volgt uit de wettekst en sluit ook aan bij (internationale) literatuur.
verschillende winkelsverschillende franchiseformules exploiteert, zoals één ondernemer die Etos-, Albert Heijn- en Gall & Gall-formules in verschillende winkels exploiteert [120] , is namelijk wezenlijk anders dan de situatie waarin in één winkel of auto-/garagebedrijf (dealer) verschillende merken naast elkaar worden verkocht en geserviced. In het eerste geval wordt
per winkeleen duidelijk herkenbare bedrijfsformule geëxploiteerd, terwijl dat in het tweede geval (in de regel) niet zo is. Ook maken de stellingen over de aanvullende eisen die worden gesteld aan dealers die meerdere merken verkopen, het oordeel niet onbegrijpelijk. Die aanvullende eisen zien erop dat de merken duidelijk van elkaar gescheiden moeten zijn, dus aparte showroomgedeeltes per merk en dergelijke [121] . Dat soort eisen leiden mogelijk tot een uniforme en herkenbare identiteit en uitstraling
van het betreffende automerk of merken, maar leiden niet per se tot een uniforme uitstraling van het betreffende
autobedrijf. Althans is niet onmiddellijk duidelijk waarom dat zo zou moeten zijn en dat wordt verder ook niet toegelicht in de klacht. De klachten falen.
subonderdeel 2.2gaat uit van een te geïsoleerde lezing van rov. 5.17 met zijn motiveringsklacht dat bovendien zonder nadere, maar niet gegeven motivering onbegrijpelijk is waarom de omstandigheid dat de dealers "gedwongen zijn" om de operationele, commerciële en organisatorische elementen te accepteren, zou meebrengen dat het de dealers niet zozeer gaat om het exploiteren van een franchiseformule, maar om de auto's en accessoires die zij willen verkopen, nu het een het ander immers niet uitsluit – integendeel. Althans valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom de dealers geen franchiseformule zouden willen exploiteren, nu zij juist een overeenkomst met de bedoelde operationele, commerciële en organisatorische elementen hebben gesloten.
hun bedrijf willen exploiterenaan de hand van een formule. Als dealers namelijk niet alleen Stellantis-merken verkopen en aan die merken qua uitstraling ook niet primair verbonden zijn, dan wijst dat erop dat het deze dealers niet gaat om exploitatie van hun bedrijf aan de hand van een Stellantis-formule – hetgeen het hof in rov. 5.17 benoemt als het niet kunnen of willen exploiteren aan de hand van een Stellantis-formule. In rov. 5.17 heeft het hof dat oordeel bovendien nader gemotiveerd met zijn exposé hoe de eisen die aan deze dealers zijn gesteld dan moeten worden gezien, namelijk als passend bij selectieve distributie en als gevolg van het hoogwaardige en hoogtechnologische karakter van de producten en de luxueuze uitstraling. Dat sluit ook aan bij hoe selectieve distributie wordt gekarakteriseerd in de literatuur, zoals in de inleiding is besproken: passend bij luxe en technisch complexe producten, waarbij advies en aftersalesdiensten van belang zijn en vaak hoge eisen door de leveranciers/fabrikanten worden gesteld aan de distributeurs. Dus dat hier sprake is van selectieve distributie (zoals vrijwel algemeen aangenomen met betrekking tot autodealerovereenkomsten), wijst er volgens het hof op, mede in het licht van wat in rov. 5.16 is overwogen, dat hier geen sprake is van een exploitatie van een onderneming aan de hand van een franchiseformule – en voor een andersluidend oordeel hebben de dealers onvoldoende naar voren gebracht. Anders gezegd in de woorden van Stellantis’ s.t. 2.5: er is wel sprake van operationele, commerciële en organisatorische
elementendie maken dat de dealers als Stellantis-dealers kunnen opereren, maar deze ‘tellen niet op’ tot een operationele, commerciële en organisatorische
fornulevolgens het feitelijke oordeel van het hof [122] . Dat alles is – zeer – goed te volgen en daarop stranden deze motiveringsklachten inhoudelijk.
a fortiorioordeel over de reparateurs wijs ik allereerst opnieuw op de in cassatie niet bestreden slotzin uit rov. 5.7, dat voor toewijzing van de vorderingen van VODN c.s. ‘nodig is dat voor al deze overeenkomsten geldt dat sprake is van een franchiseovereenkomst.’ Dus in cassatie staat vast dat voor
alledealer- en reparateur-overeenkomsten moet gelden dat deze als franchiseovereenkomsten kwalificeren. Nu de klachten uit onderdelen 1 en 2 naar ik meen niet slagen, zodat niet alle dealerovereenkomsten kwalificeren als franchiseovereenkomsten, ontbreekt belang bij de klachten van onderdeel 3 gericht tegen het oordeel over de reparateurovereenkomsten. Voor het geval daar toch aan toegekomen zou worden, bespreek ik de klachten van onderdeel 3 hierna ook – in mijn ogen ten overvloede.
a fortiorivoor de reparateurs die niet tevens dealer voor Stellantis zijn; dat is een terugverwijzing naar rov. 5.16 t/m 5.24. Daar komt bij dat het oordeel dat er in het algemeen geen uniforme identiteit en uitstraling valt te herkennen in het zijn van ‘erkend’ reparateur van Stellantis-merken, niet onbegrijpelijk is; volgens rov. 5.25 heeft VODN c.s. hier niet aan haar stelplicht voldaan. Uit het enkele feit dat reparateurs ‘erkend’ zijn, volgt zonder nadere onderbouwing niet dat zij ‘in het algemeen’ een uniforme uitstraling hebben. Dat is in ieder geval niet evident, omdat goed denkbaar is dat het voldoen aan eisen die gesteld worden aan erkende reparateurs niet maakt dat zij naar buiten toe een uniforme uitstraling hebben (zo terecht s.t. Stellantis 6.3.2). Dat had naar het oordeel van het hof onderbouwd moeten worden; de klacht verwijst niet naar stellingen van VODN c.s. hierover (in gelijke zin s.t. Stellantis 6.3.3). Verder is kennelijk net als bij de dealers zwaar meegewogen dat er reparateurs zijn die onder eigen naam optreden bij de beoordeling of sprake is van een uniforme identiteit en uitstraling; zie ook de bespreking van subonderdeel 1.2 hiervoor. De klachten falen kortom.
subonderdeel 3.2is in elk geval sprake van een ontoereikende motivering, omdat niet kenbaar acht is geslagen op de (essentiële) stellingen van VODN c.s. over het bestaan van een uniforme identiteit en uitstraling. Zij hebben beroep gedaan op een groot aantal operationele, commerciële en organisatorische instructies en verplichtingen die Stellantis aan haar dealers en reparateurs oplegt (waaronder het gebruik van merken, huisstijl en knowhow), zorgend voor een formule en een uniforme identiteit en uitstraling. De klacht – vormt een herhaling van zetten uit subonderdeel 1.3, maar dan voor de reparateurs (ook zo gezien door Stellantis blijkens haar s.t. 6.4.2). Stellantis wijst er terecht op (bij s.t. 6.4.3) dat VODN c.s. in hun dagvaardingen zelf heeft gesteld dat de inhoud van de reparateurscontracten in grote mate overeenkomt met de dealercontracten en ook instructies, handleidingen en andere documenten elkaar overlappen. Het is dan ook goed te volgen dat het hof de motivering van zijn oordeel over de reparateursovereenkomsten summier houdt en terugverwijst naar het oordeel over de dealerovereenkomsten (in gelijke zin s.t. Stellantis 6.4.4). Ik verwijs kortheidshalve naar de bespreking van subonderdeel 1.3; de inhoudelijk gelijke klachten gaan ook niet op door de reparateurs.
subonderdeel 3.3is in wezen een materiële herhaling van zetten van subonderdeel 1.4 maar nu met de reparateurs als voorwerp in plaats van de dealers. Het snijdt opnieuw de multibrandproblematiek aan langs dezelfde lijnen als subonderdeel 1.4 en loopt daar helemaal parallel aan, met verwijzing naar dezelfde vindplaatsen. Ook hier verwijs ik dan ook kortheidshalve naar mijn bespreking van subonderdeel 1.4. De klachten falen ook voor zover deze zien op de reparateurs.
onderdeel 4mist zelfstandige betekenis en kan onbesproken blijven.