Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Timeshare-arrest [1] met de leer van het
Inscharing- [2] en het
Participatieplaats-arrest [3] achterhaald. De woningcorporatie heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het oordeel van het hof dat zij jegens de kinderen niet de in acht te nemen zorgvuldigheid heeft betracht bij de totstandkoming van de overeenkomst(en).
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
onderdeel 1principieel. Mede gelet op de schriftelijke toelichting van de zijde van [kinderen van overleden huurster] is de strekking van het onderdeel dat de alsgeheeltoets van het
Timeshare-arrest achterhaald is en dat uw Raad daarvan thans uitdrukkelijk terugkomt. De klacht van het onderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 3.6 van het bestreden arrest. Omdat die klacht mede verwijst naar rechtsoverweging 3.5, citeer ik die overweging ook:
moetworden aangemerkt als een huurovereenkomst indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van ‘huur’ uit art. 7:201 BW Pro. De klacht komt erop neer dat als de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van ‘huur’ uit art. 7:201 BW Pro, die overeenkomst steeds als zodanig dient te worden gekwalificeerd. Voor zover het
Timeshare-arrest een andere rechtsopvatting inhoudt, moet uw Raad daarvan terugkomen, zo menen de stellers van het middel.
in beginselvan toepassing zijn’ (cursivering toegevoegd). Uit de schriftelijke toelichting van de advocaten van [kinderen van overleden huurster] blijkt dat die formulering allerminst een vergissing is. Ook de stellers van het middel gaan ervan uit dat als de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van ‘huur’ uit art. 7:201 BW Pro, niet stééds de wettelijke regels met betrekking tot huur behoren te worden toegepast. Die uitkomst (de wettelijke regels missen toepassing, hoewel aan de wettelijke omschrijving van ‘huur’ is voldaan) mag van hen echter niet met toepassing van de alsgeheeltoets van het
Timeshare-arrest worden bereikt. Voor de gevallen waarin de bedoelde uitkomst gewenst is, wijzen zij ándere routes aan, die volgens hen wél toelaatbaar zijn (vergelijk hierna 3.21). De alsgeheeltoets is volgens hen geen geschikte route. Die toets zou het kwalificatieleerstuk onnodig gecompliceerd maken en het nadeel hebben dat zij niet proportioneel kan worden toegepast (anders dan de door de stellers van het middel geprefereerde routes). Aldus delen de stellers van het middel de positie van enkele auteurs, die naar aanleiding van het
Inscharing-en
Participatieplaats-arrest hebben betoogd (met variaties) dat de leer van het
Timeshare-arrest achterhaald is. [10]
Timeshare-arrest: [11]
Timeshare-arrest geeft uw Raad er blijk van de betrekkelijke waarde van begripsomschrijvingen te onderkennen. Ook al bevat een overeenkomst alle elementen op grond waarvan op zichzelf aan de omschrijving van ‘huur’ is voldaan, dan behoeft dit nog niet te betekenen dat die overeenkomst als een huurovereenkomst moet worden aangemerkt. Ik meen dat dit een alleszins gelukkige opvatting is. De wettelijke definitie van huur omschrijft aan de hand van diverse elementen het normaaltype van ‘huur’ zoals de wetgever dit bij het opstellen van de betreffende wetsbepaling voor ogen heeft gehad (art. 7:201 BW Pro). Maar omdat de werkelijkheid oneindig geschakeerd is, kan het zich voordoen dat weliswaar aan alle elementen van de definitie is voldaan, maar een bepaalde rechtsverhouding tegelijk ándere kenmerken draagt die zo ver afstaan van wat de wetgever voor ogen heeft gehad, dat de kwalificatie van huur (toch) niet passend is.
Timeshare-arrest bediende zich van die term. [14] Welnu, in feite ligt in de term ‘normaaltype’ dezelfde wijsheid besloten als die Plato, Van Ockham en Wittgenstein ons leren: de werkelijkheid is oneindig meer geschakeerd dan het juridisch begrippenarsenaal; begrippen en definities behoren niet te worden verabsoluteerd.
Inscharing-arrest
.De zin komt bovendien voor in het
Participatieplaats-arrest. In beide gevallen met een variatie, want beide arresten betreffen niet de vraag of sprake is van een huurovereenkomst, maar of sprake is van respectievelijk een pachtovereenkomst en een arbeidsovereenkomst. Ik citeer de relevante overwegingen van het
Inscharing-arrest en cursiveer voor het gemak van de lezer de zin waarbij het hof aansluit. Het gaat me uiteraard om de context waarin die zin staat: [15]
Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een pachtovereenkomst. [16] Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de regeling van pacht te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de pachtovereenkomst.
In dat verbandzegt uw Raad dat als de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de wettelijke omschrijving, zij als een pachtovereenkomst moet worden aangemerkt. Dat dit inderdaad het verband is, is duidelijk uit de zin die volgt: ‘Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de regeling van pacht te laten vallen.’ De vraag of iets wel of niet onder een wettelijke regeling valt, wordt door (de strekking van) die regeling bepaald en behoort tot het domein waarbinnen de rechter ambtshalve oordeelt (art. 25 Rv Pro). Dat dit de kwestie was waar het in het
Inscharing-arrest en ook in het
Participatieplaats-arrest om ging, volgt ook uit de inhoud van de respectieve cassatieklachten waarop uw Raad respondeert (in samenhang met de in de klacht aangevallen overwegingen van het hof).
Inscharing-arrest na te gaan. Die voetnoot verwijst naar een andere pachtzaak, waarin uw Raad
zowelheeft overwogen (1) dat een overeenkomst als een pachtovereenkomst moet worden aangemerkt als de inhoud van de overeenkomst voldoet aan de definitie van ‘pacht’ (de in de voetnoot aangewezen rechtsoverweging 4.4.5)
als(2) dat het beroep van de verpachter op het
Timeshare-arrest in het concrete geval niet opging (rechtsoverweging 4.4.7). Het arrest bevat dus niet de overweging dat een beroep op het
Timeshare-arrest wegens de dwingende formulering van (1)
nooitzou kunnen slagen, terwijl dat wel voor de hand had gelegen als uw Raad op het
Timeshare-arrest zou hebben willen terugkomen. In het arrest was immers juist ook de alsgeheeltoets aan de orde. Ik geef de relevante overwegingen weer uit het arrest van uw Raad van 8 juni 2018: [17]
Timeshare, AG]. In dat verband heeft BBL onder meer gewezen op de bedoeling van beide partijen ten aanzien van de looptijd van de overeenkomsten en op de contractuele verplichtingen bij de bruikleenovereenkomst.
Inscharing-arrest lezen dat uw Raad van het
Timeshare-arrest terug is gekomen, zich vergissen.
Timeshare-arrest) als bij de afbakening van het terrein van partijautonomie ten opzichte van het domein van de rechter (het perspectief van het
Inscharing-en
Participatieplaats-arrest), de categorische formulering dat indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de wettelijke omschrijving van een bepaald type bijzondere overeenkomst, de overeenkomst moet worden aangemerkt als een zodanige bijzondere overeenkomst, minder gelukkig is. Alles op de kop zetten, is echter niet nodig. Toevoeging van eenvoudig de woorden
in beginselbrengt ons mijns inziens reeds op het juiste spoor. In onze zaak over huur zou het als volgt kunnen worden gezegd:
in beginselworden aangemerkt als een huurovereenkomst. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de regeling van huur te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de huurovereenkomst.
Timeshare-arrest inderdaad harmonisch kan en mag worden ingepast, wat moet dan vervolgens de formulering van die toets zijn? Anders gezegd, wat zou aan de voorgaande maatstaf met betrekking tot de alsgeheeltoets kunnen worden toegevoegd, daarmee tegelijk de betekenis van het ingevoegde voorbehoud ‘in beginsel’ duidend?
Timeshare-arrest in het licht van het
Inscharing-arrest heroverweging verdienen. [18] Duidelijk behoort te zijn dat, omdat de alsgeheeltoets op de kwalificatievraag ziet, de partijbedoeling ook in het verband van die toets alleen bij de vaststelling van de contractsinhoud in aanmerking komt en dus als zodanig niet bij de correctie die de alsgeheeltoets aanbrengt op de (voorlopige) kwalificatie op basis van de elementen van de wettelijke omschrijving van huur. Die toets veronderstelt een beoordeling van de inhoud en strekking van de overeenkomst
naar objectieve maatstaven.Ik beproef de volgende tekst:
nade kwalificatie van een overeenkomst. De stellers van het middel wijzen op de mogelijkheid voor een rechter om te oordelen dat, in geval van samenloop van twee typen overeenkomsten A + B [21] (in de zin van art. 6:215 BW Pro), bepaalde dwingendrechtelijke bepalingen voor overeenkomsttype A niet van toepassing zijn, namelijk indien hij van oordeel is dat de elementen van overeenkomsttype B in het concrete geval overheersen. Daarnaast biedt de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro) de rechter de mogelijkheid om in bijzondere gevallen bepaalde dwingendrechtelijke huurregels buiten toepassing te laten.
onderdelen 2 en 3richten zich tegen rechtsoverwegingen 3.7 en 3.8 (wat betreft onderdeel 3 in samenhang met rechtsoverweging 3.6):
in de zin van art. 7:201 BW Pro.
huisvesting ex-KNIL-militairuit 1994. [32] De rechtbank had in die zaak in het midden gelaten of er
een zorgplicht met een publiekrechtelijk karaktervoor de Staat bestond om huisvesting te verschaffen en had aangenomen dat een huurovereenkomst tot stand was gekomen. Uw Raad overwoog dat de rechtbank kennelijk had geoordeeld dat, ook al zou sprake zijn geweest van een zorgplicht van de Staat met een publiekrechtelijk karakter, zulks er niet aan in de weg staat dat de ter voldoening aan die zorgplicht later tot stand gebrachte rechtsverhouding het karakter heeft van een privaatrechtelijke overeenkomst, namelijk een huurovereenkomst, en dat daarom een nader onderzoek naar de aard van de oorspronkelijke rechtsverhouding achterwege kon blijven. Volgens uw Raad gaf dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De bedoelde zorgplicht zag niet op bepaalde woonruimte, maar op een verplichting om (onbepaald) huisvesting te verschaffen. Dit is mijns inziens een wezenlijk ander geval dan dat waarin het gebruik van een bepaalde onroerende zaak of gedeelte daarvan reeds uit anderen hoofde dan huur aan de gebruiker toekomt.
naar objectieve maatstaven.Die aard wordt bepaald door de hiervoor bedoelde beginsituatie, te weten het feitelijk verblijf van [kinderen van overleden huurster] in de woning ten tijde van het overlijden van hun moeder, en het grote belang en het door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht van [kinderen van overleden huurster] om na dat overlijden het verblijf in de woning nog enige tijd te kunnen voortzetten.
onder 2.1bouwen de stellers van het middel vergeefs voort op de opvatting van het eerste onderdeel omtrent de alsgeheeltoets. Los daarvan geldt dat [kinderen van overleden huurster] geen belang bij de klacht hebben, omdat ook de andere pijler van de beslissing van het hof blijft staan, namelijk dat niet sprake is van ingebruikverstrekking (‘terbeschikkingstelling’) tegen een tegenprestatie in de zin van art. 7:201 BW Pro.
onder 2.1.1ziet eraan voorbij dat een regeling van voortgezet gebruik ten behoeve van een bewoner die niet zelf huurder is niet, althans niet zonder meer, hetzelfde is als ingebruikverstrekking in de zin van art. 7:201 BW Pro. Voor zover de klacht veronderstelt dat het hof zich heeft gebaseerd op een bedoeling van partijen omtrent de toepasselijkheid van het wettelijke regime van huur, mist zij feitelijke grondslag.
onder 3.1heeft het hof miskend dat de ‘
Timeshare-uitzondering’ alleen gaat over de vraag of in de gegeven omstandigheden, gelet op hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeengekomen rechten en verplichtingen van dien aard zijn dat deze in hun geheel beschouwd als huurovereenkomst kunnen worden aangemerkt. Niet relevant of beslissend is of de toepasselijkheid van het bijzondere (huur)regime gelet op de overeengekomen rechten en verplichtingen ‘gerechtvaardigd’ is.
Timeshare-uitzondering met terughoudendheid moet worden toegepast. In ieder geval kan die uitzondering volgens de stellers van het middel niet worden toegepast indien de omstandigheden van het geval die zouden moeten maken dat de rechtsverhouding, hoewel aan alle vereisten van ‘huur’ is voldaan, niet als huur kan worden gekwalificeerd, in verband staan met de bedoeling van partijen om te ontkomen aan de kwalificatie en/of beschermingsfunctie van huur.
Timeshare-uitzondering met terughoudendheid moet worden toegepast en dat dit door het hof is miskend. Uw Raad heeft de alsgeheeltoets niet in termen van terughoudendheid geformuleerd. Ik betwijfel ook of een zodanige formulering iets zou toevoegen. En ook al zouden we het al wel zo willen formuleren, dan zie ik niet in dat het hof onvoldoende terughoudendheid heeft betracht.
Timeshare-uitzondering toepast. Dat lijkt mij niet nodig en werkt in cassatie gemakkelijk complicerend, namelijk in de zin dat een rechterlijk oordeel dat tot een niet onaannemelijke uitkomst leidt, tóch zou moeten worden vernietigd vanwege het ontbreken van een gekwalificeerde motivering. Ook zijn de redenen voor voorzichtigheid en behoedzaamheid niet voor alle categorieën van bijzondere overeenkomsten dezelfde dan wel van gelijk gewicht.
onder 3.5veronderstelt dat het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat de wettelijke huurbepalingen niet op de overeenkomst van toepassing zijn omdat die bepalingen niet verenigbaar zijn met de wettelijke bepalingen over de vaststellingsovereenkomst of omdat de strekking van de huurbepalingen zich in verband met de aard van de overeenkomst verzet tegen de toepassing van die bepalingen. Voor deze lezing van ’s hofs arrest bestaat geen grond.
onder 5.1.1 en 5.1.2)vanwege de aard van de wettelijke regeling van huur, met de strekking huurders te beschermen, hetzij (de klacht onder
5.1.3) op de grond dat sprake is van oneerlijke bedingen.