Conclusie
1.Inleiding
Mall of the Netherlands, te weten het bouwdeel ‘Jumbo’. Voor zover in cassatie van belang gaat het erom of aannemer BNB aanspraak kan maken op contractuele termijnverlenging voor haar werkzaamheden – waardoor URW niet gerechtigd is om bepaalde kortingen toe te passen op de aanneemsom – en op vergoeding van vertragingskosten. Over het eerste heeft het hof een aantal eindbeslissingen gegeven en aangekondigd een deskundigenbericht te zullen gelasten. De vergoeding van vertragingskosten heeft het hof al afgewezen. In cassatie komt BNB met een groot aantal klachten op tegen die eindbeslissingen en die afwijzing.
Mall of the Netherlands,waarin dezelfde aannemingsovereenkomst aan de orde was als in deze zaak. Aan die procedure is een einde gekomen met een arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. [1]
2.Feiten en procesverloop
the Mall of the Netherlandszijn ontstaan, welke procedure kort kan worden aangeduid als de procedure ‘Waterlekkages’. [3] De door BNB aanhangig gemaakte procedure betreft een geschil in verband met vertragingen inzake het bouwdeel Jumbo, die kort kan worden aangeduid als de procedure ‘Jumbo’. [4] De procedures zijn in eerste aanleg en hoger beroep gevoegd behandeld en beslist.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.2 en 1.3 [12] klagen dat het oordeel van het hof in deze overwegingen onvoldoende is gemotiveerd in het licht van essentiële stellingen van BNB. [13] Uit die stellingen volgt volgens de subonderdelen dat het opstellen en actualiseren van het ATS cruciaal is voor de coördinatie en uitvoering van het werk van de Nevenaannemers en voor het vaststellen van de actuele Mijlpaaldata waarop alle Nevenaannemers hun werkzaamheden gereed moeten hebben. Zonder ATS kan niet worden vastgesteld met welke termijn de uitvoeringsperiode voor de Nevenaannemers in geval van een grond voor termijnverlenging moet worden verlengd en kan de omvang van die termijnverlenging ex art. 9.3 aannemingsovereenkomst dus niet worden bepaald. De omstandigheid dat de art. 8.1.f, 8.4 en 9.3 aannemingsovereenkomst het ATS niet zelf expliciet noemen, vormt een onvoldoende begrijpelijke respons op dat betoog. Dat deze bepalingen niet expliciet het ATS noemen, kan niet op begrijpelijke wijze verklaren waarom het ontbreken van het ATS en het als gevolg daarvan uitblijven van actualisatie van de Mijlpaaldata en Deeloplevering niet kan leiden tot schuldeisersverzuim van URW of verlenging op grond van art. 9.3 aannemingsovereenkomst. Dat geldt te meer omdat blijkens die stellingen het ATS de ruggengraat van de hele planning vormt en dus de sine qua non voor het behalen van de in de art. 8.1.f en 8.4 aannemingsovereenkomst neergelegde Mijlpaal Opening en de Deeloplevering. Als het ATS ten onrechte door URW of het Projectbureau is opgesteld noch geactualiseerd, kan dat dus wel degelijk een grond vormen om te concluderen dat BNB niet langer kan worden gehouden aan de oorspronkelijke Mijlpaaldata of verlenging van de afgesproken termijn aan te nemen. Daartoe is niet vereist dat de art. 8.1.f, 8.4 of 9.3 aannemingsovereenkomst expliciet het ATS (of het ontbreken ervan) noemen.
subonderdelen 2.3 en 2.4zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.70-5.72 dat BNB ten aanzien van de resterende 16 events onvoldoende heeft onderbouwd dat zij op grond daarvan aanspraak heeft op termijnverlenging. De subonderdelen voeren aan dat BNB zowel in het kader van haar conventionele vorderingen als bij haar verweer tegen de reconventionele vorderingen van URW uitvoerig heeft gemotiveerd welke andere events om welke redenen tot vertraging op het kritieke pad hebben geleid en dat nader heeft onderbouwd met het rapport van Vijverberg, onder verwijzing naar de specifieke passages uit dat rapport waaruit ten aanzien van ieder van de events de vertraging op het kritieke pad blijkt. [15] Het gaat hierbij om stellingen van BNB met betrekking tot termijnverlenging. In subonderdeel 2.3 worden de stellingen met betrekking tot elf events uitvoerig opgesomd. Volgens subonderdeel 2.4 dient in cassatie ten minste tot hypothetisch uitgangspunt te worden genomen dat het bij deze events gaat om voor rekening van de opdrachtgever komende events naar het moment waarop het event zich voordeed, zodat moet worden beoordeeld in welke mate de Deeloplevering of de Mijlpaal Opening door het event vertraagd zou zijn geraakt op basis van de toen bekende informatie, dus zonder rekening te houden met eventuele events die zich later in de voorbereiding of de uitvoering nog hebben voorgedaan. Eventuele eigen vertragingen van de Nevenaannemer zijn daarbij niet relevant. [16] Zonder motivering valt volgens subonderdeel 2.4 in het licht van deze stellingen niet in te zien waarom niet zou zijn onderbouwd dat het Werk niet binnen de overeengekomen termijn (van 30 september 2018) kan worden opgeleverd respectievelijk waarom er in het licht van die stellingen geen causaal verband bestaat tussen die events en het niet halen van de Deeloplevering en/of de Mijlpaal Opening respectievelijk waarom – beoordeeld naar het moment waarop het event zich voordeed en zonder rekening te houden met opvolgende events – die events niet hebben geleid of kunnen leiden tot vertraging tot na 30 september 2018.
subonderdelen 2.5-2.8klagen dat het hof in elk geval of temeer zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd met betrekking tot vertragingsevents als gevolg van door URW opgedragen Bestekwijzigingen of tekortkomingen die hebben geleid tot werkzaamheden die zijn afgerond na 30 september 2018 of waarvan de opdrachten of tekortkoming zelf dateren van na 30 september 2018 – en dus van na de datum voor de Mijlpaal Opening en de Deeloplevering. Die Bestekwijzigingen leiden immers reeds daarom per definitie tot een vertraging tot na 30 september 2018. Evenmin is dus voldoende begrijpelijk waarom het hof in rov. 5.69 oordeelt dat de omstandigheid dat een Bestekwijziging is opgedragen na een overeengekomen Mijlpaaldatum niet automatisch tot verlenging van de datum voor de Deeloplevering en/of Mijlpaal Opening leidt. De door het hof in rov. 5.69 voor zijn ‘geen automatische termijnverlenging’-oordeel genoemde redengeving vormt in ieder geval een onvoldoende begrijpelijke motivering voor zijn oordeel. Als de Bestekwijziging wordt opgedragen na de Mijlpaaldatum leidt dat immers ook volgens de redengeving van het hof zelf wel tot een grond voor een termijnverlenging, zodat de overeengekomen termijn moet worden verlengd. Die overweging is in ieder geval niet relevant voor door URW opgedragen Bestekwijzigingen of haar (ernstige) toerekenbare tekortkomingen die zich al vóór 30 september 2018 hadden voorgedaan en die leidden tot werkzaamheden die pas daarna werden afgerond.
subonderdelen 2.9 en 2.10klagen dat ook de waardering van het Vijverberg-rapport door het hof onbegrijpelijk is. De in subonderdeel 2.3 weergegeven, uitvoerig uitgewerkte stellingen kon het hof niet terzijde schuiven met de enkele motivering dat Vijverberg niet heeft vastgesteld dat de daarbij genoemde events op het kritieke pad lagen. Het gaat er immers in het kader van de voldoende onderbouwing in de eerste plaats om of uit de weergegeven feiten zelf reeds voldoende volgt (vanwege de onderbouwing daarvan dan wel de erkenning of niet-betwisting daarvan door URW) dat sprake is geweest van vertragingen tot de gestelde data althans in ieder geval tot na 30 september 2018. De bevindingen van Vijverberg zijn voor de onderbouwing dus niet doorslaggevend. Voorts is de motivering onbegrijpelijk, omdat de stellingen mede een weergave zijn van de bevindingen van Vijverberg waar in de vindplaatsen ook steeds naar is verwezen. Vijverberg heeft blijkens die stellingen juist steeds ten aanzien van deze events geconstateerd dat zij – om de door BNB per event opgesomde redenen – recht geven op termijnverlenging, waarin besloten ligt dat Vijverberg meent dat de vertraging op het kritieke pad ligt.
subonderdelen 3.3-3.7klagen dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd omdat BNB stellingen heeft ingenomen waaruit het hele contractuele kader duidelijk wordt. [21] Art. 7.3 aannemingsovereenkomst jo 13.2 AV beperkt zich tot de verplichting tot het geven van een prijsopgave voor het uitvoeren van de Bestekwijziging zelf, terwijl de verplichting voor BNB in art. 13.3 AV om een prijsopgave te doen ziet op de directe kosten waarbij voor de ABK, AK en W&R een gefixeerd opslagpercentage geldt. Die opslag heeft in de systematiek van de aannemingsovereenkomst enkel betrekking op de directe en indirecte (ABK, AK en W&R) kosten van de Bestekwijziging – die vormen in wezen tezamen de prijs daarvoor – zonder dat daarbij een eventuele vertraging in de uitvoeringsduur van het hele Werk in aanmerking wordt genomen. Daarvoor biedt art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst een aparte regeling, waarop art. 7.3 aannemingsovereenkomst met de slotzin “dan wel in geval art. 9.3 aannemingsovereenkomst hiertoe aanleiding geeft" wijst. Het hof respondeert in rov. 5.93-5.94 niet voldoende begrijpelijk op dit betoog van BNB. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom de opgaveplicht van art. 13.3 AV ook voor die van art. 13 AV Pro losstaande grondslag van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst geldt. Indien het hof heeft geoordeeld dat art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst geen zelfstandige grond voor kostenvergoeding biedt, is dat oordeel niet voldoende gemotiveerd in het licht van (a) de door BNB benadrukte tekst van art. 7.3 aannemingsovereenkomst, (b) de eigen, in subonderdeel 3.2 belichte vaststelling en uitleg van het hof van art. 13.2 AV en art. 13.3 AV, en (c) het in subonderdeel 3.3 samengevatte gemotiveerde betoog van BNB – en de in subonderdeel 3.4 toegelichte daaruit te trekken conclusie – dat art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst in de systematiek van de aannemingsovereenkomst een zelfstandige grond voor kostenvergoeding voor vertragingskosten biedt in verband met vertraging in de totale uitvoeringsduur van het Werk. Dat het hof het onderscheid tussen de regeling van art. 7.3 aannemingsovereenkomst jo 13 AV en de regeling van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst niet op het oog heeft gehad en aldus het zelfstandige karakter van de regeling van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst onvoldoende heeft onderkend, blijkt ook uit het feit dat het hof de portee niet ziet van het betoog dat ook een aan een andere Nevenaannemer opgedragen Bestekwijziging kan leiden tot vertraging.
allebestekwijzigingen. Art. 13.3 AV bevat bovendien een impliciete verwijzing naar art. 9.3 aannemingsovereenkomst door te bepalen dat tijdgebonden kosten (vertragingskosten) alleen in rekening kunnen worden gebracht voor zover een bestekwijziging ingrijpt op het kritieke pad. Beide bepalingen eisen dus dezelfde causaliteit (namelijk dat de event daadwerkelijk leidt tot vertraging).
subonderdelen 5.2 en 5.3klagen dat het hof in rov. 5.96 een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de art. 7.3 en 9.3 aannemingsovereenkomst alsmede aan art. 13.1-13.3, 13.6 en 13.12 AV, omdat uit deze bepalingen niet op begrijpelijke wijze kan worden afgeleid dat een prijsopgave ook is vereist voor een kostenvergoeding ex art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst in geval van een (ernstige) toerekenbare tekortkoming zijdens URW. Het oordeel van het hof dat bij een (ernstige) toerekenbare tekortkoming een prijsopgave is vereist, is bovendien onbegrijpelijk omdat het zich niet verhoudt met rov. 5.93 en 5.94 waarin het hof het vereiste van een prijsopgave enkel afleidt uit het contractuele kader in geval van Bestekwijzigingen en daarin op geen enkele wijze vaststelt dat art. 9.3 aannemingsovereenkomst jo art. 13.1 13.3, 13.6 en 13.12 AV en de daaruit voortvloeiende eis van een prijsopgave ook geldt in geval van (ernstige) toerekenbare tekortkomingen zijdens URW.