ECLI:NL:PHR:2026:537

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
24/01915
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 lid 1 SrArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen afdreiging

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van afdreiging. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn in hoger beroep met meer dan twee jaar en twee maanden was overschreden, zonder bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen.

De verdediging klaagde in cassatie over de motivering van de strafoplegging, met name over de wijze waarop het hof de overschrijding van de redelijke termijn had vastgesteld en gecompenseerd. De advocaat-generaal concludeerde dat deze klachten niet slaagden, omdat het hof van de juiste data was uitgegaan en het oordeel over de compensatie van de overschrijding begrijpelijk was.

De Hoge Raad bevestigt dat het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn slechts beperkt kan worden getoetst en dat het hof de straf passend heeft gematigd door een deel voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd. De conclusie strekt tot vernietiging van de strafduur en vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01915
Zitting2 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 1 mei 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-001039-19) wegens "medeplegen van afdreiging" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het arrest beschreven [1] en met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest is opgenomen. Voorts heeft het hof een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01913 en 24/01914. Dit betreft zaken tegen de verdachte die in hoger beroep gelijktijdig, maar niet gevoegd met de onderhavige zaak zijn behandeld. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt opgekomen tegen (de motivering van) de strafoplegging, specifiek met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn. Geklaagd wordt dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging met betrekking tot de mate waarin de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die hiertoe hebben geleid. Daarnaast wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn “meer dan 2 twee jaren en twee maanden” bedraagt onbegrijpelijk is, evenals het oordeel van het hof dat de overschrijding voldoende gecompenseerd is door een deel van de gevangenisstraf (twee van de tien maanden) voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van drie jaren.
2.2
Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof van 17 april 2024 volgt dat de raadsvrouw het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, waarvan de inhoud als herhaald en ingelast kan worden beschouwd. De pleitnota, die ziet op de drie zaken die gelijktijdig werden behandeld, houdt voor zover relevant voor de bespreking van het middel het volgende in:
“Straf
Verzoek tot oplegging van een straf die qua onvoorwaardelijk deel de duur van de voorlopige hechtenis (5 maanden) niet te boven gaat, aangevuld met een voorwaardelijk deel en eventueel aangevuld met een taakstraf gelet op:
- (…)
- De zeer forse overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM Pro
- 21/001039-19
- Rechtsmiddel aangewend op 26 februari 2019.
Overschrijding van de redelijke termijn met meer dan drie jaren.
- De overschrijding kan niet toegeschreven worden aan enig handelen van cliënt of de complexiteit van de zaak.”
2.3
In aanvulling op de pleitnota heeft de raadsvrouw het volgende naar voren gebracht:
“Ik wil uw hof verzoeken de zaken te voegen, zodat aan verdachte één straf wordt opgelegd.”
2.4
Het bestreden arrest houdt onder meer in:
“(…)
Tot slot houdt het hof rekening met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het hof stelt vast dat verdachte op 22 februari 2019 hoger beroep heeft ingesteld en dat het hof uitspraak doet op 1 mei 2024. De behandeling in hoger beroep is dus niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden met meer dan 2 jaren en 2 maanden. Bijzondere omstandigheden die deze mate van overschrijding rechtvaardigen zijn het hof niet gebleken. Deze overschrijding dient dan ook te worden gecompenseerd door strafvermindering
Het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal geëiste straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het hof acht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden in beginsel passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen. Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.”
2.5
Het hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro in hoger beroep is overschreden met “meer dan 2 jaren en 2 maanden”. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de dag waarop hoger beroep is ingesteld, “22 februari 2019” [2] , en de dag waarop het hof arrest wijst, “1 mei 2024”, en is het hof uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaren na instellen van hoger beroep. Gelet op het feit dat het hof aldus van (min of meer) de juiste data is uitgegaan, vat ik de overweging van het hof dat sprake is van een overschrijding met (meer dan) twee jaar en twee maanden – in plaats van een overschrijding met (meer dan) drie jaar en twee maanden – op als een kennelijke verschrijving. Voor zover het middel ziet op (de begrijpelijkheid van de strafoplegging en het afwijken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot) de mate van overschrijding van de redelijke termijn, kan dit niet slagen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
2.6
Bij de bespreking van het middel voor het overige stel ik voorop dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [3] Het hof heeft overwogen dat het een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden in beginsel passend acht, maar deze vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal matigen in die zin dat een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van tien maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk (met een proeftijd van 3 jaar en algemene en bijzondere voorwaarden). Het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn hiermee voldoende is gecompenseerd acht ik niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in de cassatiefase, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, op 14 mei 2026 is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Overige gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het hof heeft onder meer als bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte zich onder behandeling zal stellen van een verslavingsbehandelaar gericht op gokverslavingen.
2.Uit de stukken van het geding blijkt dat het hoger beroep is ingesteld op 26 februari 2019, 22 februari 2019 is de dag waarop het vonnis is gewezen.
3.Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.7, herhaald in onder meer HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:491 en HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1159.