ECLI:NL:PHR:2026:539

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
24/01913
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 lid 1 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over strafoplegging en redelijke termijn bij poging tot afdreiging

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur wegens poging tot afdreiging, met subsidiair 30 dagen hechtenis en aftrek van voorarrest. De verdediging voerde in cassatie aan dat de strafoplegging onbegrijpelijk was en dat het hof ten onrechte geen rekening hield met de overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad overwoog dat het hof de strafoplegging voldoende heeft gemotiveerd, waarbij rekening is gehouden met de aard en ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het reclasseringsadvies. Het hof achtte een taakstraf passend en verenigbaar met de kans op gedragsverandering.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn stelde de Hoge Raad vast dat deze inderdaad heeft plaatsgevonden, maar dat gezien de opgelegde taakstraf geen aanleiding bestaat tot strafvermindering. De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep deels terecht is voorgesteld, maar niet tot vernietiging leidt en verwerpt het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de taakstraf van 60 uur blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01913
Zitting2 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 1 mei 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-005790-18) wegens “poging tot afdreiging”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoel in art. 27 lid 1 Sr Pro. Voorts heeft het hof een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01914 en 24/01915. Dit betreft zaken tegen de verdachte die in hoger beroep gelijktijdig, maar niet gevoegd met de onderhavige zaak zijn behandeld. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt met twee deelklachten opgekomen tegen (de motivering van) de strafoplegging. De eerste deelklacht betreft de begrijpelijkheid van de strafoplegging in het licht van wat het hof daarover heeft overwogen. De tweede deelklacht ziet op de overschrijding van de redelijke termijn. Voordat ik deze klachten bespreek, geef ik hetgeen door en namens de verdachte met betrekking tot de strafoplegging naar voren is gebracht en de strafmotivering van het hof weer.
Verweer van de verdediging en overwegingen van het hof met betrekking tot de strafoplegging
2.2
Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof van 17 april 2024 volgt dat de raadsvrouw het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, waarvan de inhoud als herhaald en ingelast kan worden beschouwd. De pleitnota, die ziet op de drie zaken die gelijktijdig werden behandeld, houdt voor zover relevant voor de bespreking van het middel het volgende in:
“Straf
Verzoek tot oplegging van een straf die qua onvoorwaardelijk deel de duur van de voorlopige hechtenis (5 maanden) niet te boven gaat, aangevuld met een voorwaardelijk deel en eventueel aangevuld met een taakstraf gelet op:
- Het advies van de reclassering en de veranderde - open - houding van cliënt.
- (…)
- De zeer forse overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM Pro
- (…)
- 21/005790-18
- Rechtsmiddel aangewend op 24 oktober 2018. Overschrijding van de redelijke termijn met meer dan vier jaren.
- De overschrijding kan niet toegeschreven worden aan enig handelen van cliënt of de complexiteit van de zaak.”
2.3
In aanvulling op de pleitnota heeft de raadsvrouw het volgende naar voren gebracht:
“Ik wil uw hof verzoeken de zaken te voegen, zodat aan verdachte één straf wordt opgelegd.
Verder wil ik uw hof verzoeken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelijk aan de tijd dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, aangevuld met een fors voorwaardelijk deel en eventueel met een taakstraf. Op die manier kan verdachte starten met de ambulante behandeling.”
2.4
De verdachte heeft tijdens de zitting van het hof onder meer als volgt verklaard:
“Ik zou het liefst ambulant worden behandeld voor mijn gokverslaving, met wellicht een voorwaardelijke straf als stok achter de deur. Een gevangenisstraf zou voor mij betekenen dat ik geen inkomsten heb. Bovendien heb ik al vijf maanden vastgezeten voor de zaak van [naam] . Ik ben bereid een taakstraf uit te voeren.”
2.5
Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat aangever in hem had gesteld nadat zij via een website contact met elkaar hadden gemaakt. Verdachte is daarbij planmatig te werk gegaan door op de website meerdere malen contact met aangever te zoeken en aangever vervolgens zo ver te krijgen dat hij zijn huisadres aan verdachte heeft gegeven, waarna verdachte meerdere malen bij hem aan de deur is geweest. Aangever heeft verdachte uiteindelijk binnengelaten, waarna verdachte begon te vertellen dat hij voor een stichting werkte die minderjarige jongens moet beschermen en dat aangever seks met minderjarige jongens had en daarom een donatie aan de stichting moest betalen. Als aangever dit niet zou doen, zou verdachte wereldkundig maken dat aangever seksafspraken met minderjarige jongens maakte. Dit heeft tot een zeer zware mentale druk bij aangever geleid. Dat aangever een man op leeftijd was en zich in een kwetsbare positie bevond, heeft verdachte niet van zijn handelen weerhouden. In plaats daarvan heeft verdachte de druk op aangever opgevoerd en geprobeerd hem te bewegen tot het kopen van vier telefoons met een bijbehorend abonnement teneinde de eerdere donatie terug te ontvangen en te voorkomen dat de vermeende seksafspraken met minderjarigen openbaar zouden worden gemaakt. Verdachte heeft zich hierbij valselijk voorgedaan als bestrijder van kindermisbruik en Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij een kwetsbare man – alleenstaand en op leeftijd – heeft uitgekozen als slachtoffer.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte – blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 maart 2024 – eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Bovendien is het onderhavige feit gepleegd in de proeftijd van een eerdere veroordeling.
Het hof heeft verder gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 16 april 2024, waaruit volgt dat, nu verdachte heeft erkend een gokverslaving te hebben en intrinsiek gemotiveerd lijkt om daarvoor behandeling aan te gaan, de reclassering mogelijkheden ziet om gedragsverandering en daarmee recidivevermindering te bewerkstelligen. Verdachte heeft zich ook tijdens de terechtzitting bij het hof gemotiveerd getoond voor gedragsverandering en aangegeven dat hij schoon schip wil maken. Tevens heeft het hof geconstateerd dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof overweegt voorts dat verdachte, gelet op wat uit het reclasseringsrapport naar voren komt en hetgeen is besproken ter terechtzitting, de kans moet krijgen om zijn leven op orde te brengen. Het hof zal daarmee rekening houden in de strafoplegging in de zaak met parketnummer 21-001039-19 die gelijktijdig met onderhavige zaak is behandeld. In de onderhavige zaak is het hof echter van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan alle door het hof in ogenschouw genomen aspecten. Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf recht doet aan de aard en de ernst van de feiten. Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.”
Eerste deelklacht
2.6
In cassatie wordt geklaagd dat de strafoplegging onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is, omdat de omstandigheid dat het hof de zaken niet gevoegd heeft behandeld maakt dat het hof niet kon oordelen dat het in de onderhavige zaak met de (gewijzigde) persoonlijke omstandigheden zoals die naar voren komen in het reclasseringsrapport geen rekening zal houden bij de oplegging van de straf, en in plaats daarvan die persoonlijke omstandigheden zal betrekken bij de strafoplegging in de zaak met parketnummer 21-001039-19 [1] . Ook is aangevoerd dat bovendien in laatstgenoemde zaak niet kan blijken dat in die zaak rekening is gehouden met het reclasseringsrapport en de verdachte in verband daarmee de kans om zijn leven op orde te brengen heeft gekregen.
2.7
Het hof heeft overwogen dat het heeft gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies, waaruit volgt dat de reclassering mogelijkheden ziet om gedragsverandering en daarmee recidivevermindering te bewerkstelligen en dat de verdachte zich hiervoor tijdens de zitting bij het hof ook gemotiveerd heeft getoond. Gelet hierop heeft het hof overwogen dat de verdachte de kans moet krijgen om zijn leven op orde te brengen. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het uitvoeren van een taakstraf voor de duur van 60 uren hiermee verenigbaar is. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, namelijk (kort gezegd) dat een gevangenisstraf zou betekenen dat hij geen inkomsten heeft en dat hij bereid is een taakstraf uit te voeren. De eerste deelklacht faalt.
2.8
Ten overvloede (en met een blik op de samenhangende zaak waarnaar het hof verwijst) merk ik op dat het hof in de zaak met parketnummer 21-001039-19 een deels voorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd met als bijzondere voorwaarde onder meer een ambulante behandelverplichting in het kader van een gokverslaving.
Tweede deelklacht
2.9
Voorts wordt geklaagd dat het hof bij de strafoplegging, in afwijking van het als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan te merken standpunt van de verdediging, niet de (ruime) overschrijding van de redelijke termijn heeft betrokken, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die hiertoe hebben geleid.
2.1
Gelet op wat de raadsvrouw heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen. [2] Nu zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel in zoverre terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afdoen. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6 EVRM Pro bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf (een taakstraf van zestig uren) kan worden volstaan met die constatering en is er geen aanleiding daaraan een ander rechtsgevolg te verbinden. [3]

3.Slotsom

3.1
Het middel is deels terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de in art. 6 EVRM Pro bedoelde redelijke termijn voor de behandeling van de zaak ook in de cassatiefase is overschreden, namelijk op 14 mei 2026. Gelet op de mate van overschrijding en de hoogte van de opgelegde taakstraf kan ook ten aanzien hiervan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.In deze zaak, bij de Hoge Raad bekend onder zaaknummer 24/01915, zal ik vandaag ook concluderen.
2.Vgl. bijv. HR 19 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:413.
3.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2 onder C en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3.