ECLI:NL:HR:2024:413

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
22/01128
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 285 SrArt. 300 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
8 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn zonder verdere gevolgen bij lichte straf

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake mishandeling en bedreiging. Namens de verdachte werd in hoger beroep een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De raadsvrouw had tijdens de terechtzitting in hoger beroep in 2022 aangegeven dat de overschrijding in mindering kon worden gebracht op de straf.

Het hof heeft echter nagelaten hier gemotiveerd op te beslissen, hetgeen door de Hoge Raad als een schending van het recht op een eerlijk proces wordt gezien. De Hoge Raad neemt aan dat de redelijke termijn is overschreden, maar stelt dat gezien de lichte straf van één maand gevangenisstraf geen aanleiding bestaat om verdere rechtsgevolgen te verbinden aan deze overschrijding.

De overige klachten van de verdachte worden door de Hoge Raad beoordeeld en verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep wordt derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de opgelegde gevangenisstraf van één maand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01128
Datum19 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 maart 2022, nummer 20-002385-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Marcus, advocaat te Goirle, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof niet heeft beslist op het beroep dat namens de verdachte is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
2.2.1
Namens de verdachte is op 24 juli 2019 hoger beroep ingesteld.
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar onder meer aangevoerd:
“In 2019 is de zaak aan de orde geweest. Het is nu 2022. Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn kan die in mindering worden gebracht op een eventuele straf.”
2.3
Gelet op wat de raadsvrouw heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel in zoverre terecht voorgesteld.
2.4
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één maand, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat bij de berechting van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden.
2.5
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 maart 2024.