Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
Het vuurwapen
In deze wet wordt verstaan onder:
1.
categorie IIIis het hof er bij de strafoplegging kennelijk vanuit gegaan dat het vuurwapen onder die categorie valt. [5]
3.Het tweede en derde middel
Vonnis waarvan beroep
2.Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?
4.Zo ja, kunt u dan gemotiveerd aangeven:
De voorzitter deelt als volgt mede:
4.Het vierde middel
Affectieschade
(bijlage1A). Tot zijn 20e levensjaar heeft [slachtoffer 1] bij zijn moeder en [benadeelde 1] in huis gewoond. Al die tijd was sprake van een duurzame relatie in gezinsverband. [benadeelde 1] fungeerde als feitelijk vader voor [slachtoffer 1] . Het verlies van [slachtoffer 1] raakt [benadeelde 1] enorm.
€ 17.500,00ter vergoeding van affectieschade gevorderd.”
7.2 De vordering van [benadeelde 1]
3.
De Kamer,
wat betreft de hoogte van de vergoeding van affectieschade. Naar aanleiding van de motie is uiteindelijk de vergoeding voor zorg in gezinsverband, zoals bedoeld in art. 6:108 lid 4 onder Pro e en f BW, vastgesteld op € 20.000 in plaats van € 17.500. [16]
destijdseen relatie in gezinsverband bestond met een duurzaam karakter, maar dit zegt niets over de intensiteit en de aard van de relatie met het slachtoffer ten tijde van de gebeurtenis. Indien het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank door de Hoge Raad zo wordt gelezen dat hierin besloten ligt dat de vordering kan worden toegewezen, omdat de benadeelde partij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van art. 6:108 lid 3 BW Pro als naaste wordt aangemerkt, is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk en daarmee ontoereikend gemotiveerd. Ook bij deze lezing slaagt het middel.