Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor doodslag en medeplegen van het wegvoeren en verbergen van het lijk van het slachtoffer. De benadeelde partij, de zus van het slachtoffer, vorderde vergoeding van affectieschade. Het hof kende deze vergoeding toe op grond van de hardheidsclausule in artikel 6:108 lid 4 onder Pro g BW, omdat zij en haar broer een uitzonderlijk hechte affectieve relatie hadden.
De Hoge Raad bevestigde dat de zus als naaste kan worden aangemerkt, omdat zij en het slachtoffer onafscheidelijk in gezinsverband samenwoonden, een moeilijke jeugd hadden, en de zus een deel van de ouderlijke taken op zich nam. De relatie ging verder dan een gewone broer-zusrelatie, wat de toekenning van affectieschade rechtvaardigt.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf van dertien jaar werd verminderd tot twaalf jaar en zeven maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee het hofarrest grotendeels in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toekenning van affectieschade aan de zus van het slachtoffer en vermindert de gevangenisstraf tot twaalf jaar en zeven maanden.