ECLI:NL:PHR:2026:561

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
24/02433
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 lid 1 GeneesmiddelenwetArt. 27 SrArt. 36f SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6:96 BW
Verwijzingen
17 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding bij verduistering in dienstbetrekking

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens verduistering van medicijnen uit hoofde van zijn dienstbetrekking en overtreding van de Geneesmiddelenwet. Het hof stelde vast dat verdachte 20 verpakkingen Truvada verduisterde en wees een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij, waaronder kosten van een onderzoeksbureau.

Het cassatieberoep richtte zich op de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor onderzoekskosten en de wettelijke rente. De eerste klacht over het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de kosten en het bewezen feit faalde, omdat het hof voldoende had gemotiveerd dat de kosten redelijk en noodzakelijk waren voor het vaststellen van de aansprakelijkheid.

De tweede klacht betrof de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de onderzoekskosten. Hoewel het hof de rente liet ingaan op 1 maart 2017, terwijl de factuur pas op 10 maart 2017 was gedateerd, werd deze klacht niet gegrond verklaard wegens het geringe financiële belang.

De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging en verwierp het beroep. Hiermee blijft de gedeeltelijke toewijzing van de schadevergoeding en de strafrechtelijke veroordeling in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding en de strafrechtelijke veroordeling voor verduistering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02433
Zitting9 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 13 juni 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-005119-19) wegens 1. “verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd” en 2. “overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 61, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 47 dagen, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij (deels) toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft het cassatieberoep geen betrekking op de veroordeling ter zake van feit 2 en beperkt het zich wat betreft feit 1 tot de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregel. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel komt met twee deelklachten op tegen de (gehele) toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de gemaakte kosten ter hoogte van € 18.421,24 ten behoeve van het door de benadeelde partij verrichte (eigen) onderzoek, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2017.
2.2
Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd – kort gezegd – dat hij zich in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 1 maart 2017 heeft schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking door zich 378 verpakkingen Atripla en 1126 verpakkingen Truvada wederrechtelijk toe te eigenen.
2.3
Daarvan is bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 1 maart 2017 te [plaats] , telkens opzettelijk
verpakkingen medicijnen, te weten
- 20 verpakkingen Truvada,
toebehoorde aan [A] (locatie [B] B.V.), en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als robotbeheerder, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;”
2.4
De aanvulling als bedoeld in art. 365a juncto art. 415 Sv Pro houdt het volgende in:

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
Verdachte heeft hetgeen door het hof onder 1 en 2 bewezen is verklaard ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting van het hof bekend. Niet is gebleken van een andere verklaring nadien dan wel van een pleidooi strekkende tot vrijspraak van verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde. Daarom volstaat het hof, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van bewijsmiddelen.
1. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer, zitting houdende te [plaats] , op 4 september 2019, parketnummer 16/659210-17, inhoudende de verklaring van verdachte;
2. De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van het hof op 30 mei 2024;
3. Een geschrift, te weten een proces-verbaal van aangifte met proces-verbaalnummer PL0900-2017063309-1 d.d. 1 maart 2017, dat niet door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, District [plaats] , Basisteam [plaats] op ambtseed of -belofte is opgemaakt (pagina’s 1004-1008 van onderzoek Perenboom, met proces-verbaalnummer 2017063309, gesloten op 31 januari 2018).”
2.5
Het hof heeft ten aanzien van het bewijs overwogen:
“In het bedrijfspand van [A] in [plaats] was ten tijde van het tenlastegelegde een medicatiesorteerstation gevestigd. Bestelde recepten werden daar automatisch verzameld en geregistreerd door een robot, waarna de medicijnen verstrekt konden worden aan apotheken. In beginsel draaide de robot een vast programma en werd dit programma niet handmatig aangepast. Verdachte was bij [A] werkzaam als robotbeheerder.
Op 20 februari 2027 werd ontdekt dat in een als niet in gebruik geregistreerde locker in de kleedruimte van het personeel van [A] 18 doosjes van het medicijn Truvada werden bewaard. Omdat dit een ongebruikelijke constatering was en omdat het ging om dure medicijnen, heeft het bedrijf een voorraadcheck uitgevoerd. Daaruit bleek dat er verdacht veel boekingen waren op dat medicijn en verder dat op het eveneens prijzige medicijn Atripla zeer veel ongebruikelijke boekingen geregistreerd werden. Naar aanleiding daarvan is een intern onderzoek gestart door de manager Logistiek en de bedrijfsbeveiliger, werkzaam bij [A] . Uit het onderzoek bleek dat er handmatige boekingen werden gedaan, die afweken van het normale patroon. Verdachte kwam bij dit onderzoek in beeld. De resultaten van dit interne onderzoek zijn aangeboden aan verbalisanten.
Verdachte heeft, in eerste aanleg, maar ook ter zitting in hoger beroep, verklaard in de hoedanigheid van robotbeheerder 20 verpakkingen Truvada te hebben verduisterd. Verdachte ontkent het overige deel van de in de tenlastelegging genoemde verpakkingen te hebben verduisterd en heeft aangevoerd dat het registratiesysteem van de medicijnen niet waterdicht was en dat mogelijk ook andere werknemers van [A] verpakkingen hebben meegenomen.
Het hof heeft geconstateerd dat het onderzoeksdossier voornamelijk is gebaseerd op de resultaten van het interne onderzoek van [A] en dat het dossier geen waarnemingen van verbalisanten bevat.
Het interne onderzoek van [A] en de daaruit voortvloeiende verdenking zijn in de kern gebaseerd op vergelijkingen van presentielijsten van vaste medewerkers. Met betrekking tot die presentielijsten overweegt het hof dat deze niet compleet zijn nu daarin niet de uitzendkrachten zijn verwerkt, terwijl (mede op grond van wat ter zitting in hoger beroep door verdachte daarover naar voren is gebracht) niet kan worden uitgesloten dat de uitzendkrachten ook handelingen hebben verrichtten met betrekking tot de medicijnen in de robot. Daarnaast is de presentielijst niet sluitend omdat daarop geen daadwerkelijke (na)controle van de aanwezigheid van de werknemers werd uitgevoerd.
In het dossier liggen voorts beschrijvingen van door het bedrijf zelf gemaakte camerabeelden. De beelden zijn beschreven door een medewerker van [A] , maar zijn niet toegevoegd aan het onderzoeksdossier. Nu het hof niet beschikt over deze camerabeelden kan het door de medewerker van [A] beschreven scenario niet geverifieerd worden.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het onderzoeksdossier zodanige gebreken vertoont, dat dit niet kan dienen als basis voor een bewezenverklaring van het deel van de tenlastelegging dat verdachte bestrijdt. Dat de door verdachte erkende wegneming van een aantal verpakkingen wettig en overtuigend kan worden bewezen, doet er niet aan af dat op basis van de onderzoeksgegevens niet kan worden vastgesteld dat het niet anders kan dan dat verdachte ook de andere missende medicijnen heeft weggenomen. Dit leidt ertoe dat verdachte wordt vrijgesproken van dat deel van de tenlastelegging.
Het hof oordeelt op basis van het voorgaande dat het onderzoek zodanige gebreken vertoont, dan wel zodanig onvolledig is geweest, dat dit geen wettig en overtuigend bewijs oplevert voor het tenlastegelegde deel dat verdachte niet heeft bekend. Daarom zal verdachte van dat deel worden vrijgesproken.”
2.6
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ namens de benadeelde partij [A] B.V. Dit stuk houdt onder meer in:

4AMateriële en/of verplaatste schade
Omschrijving materiële/verplaatste schade Bedrag Bijlage
(…)
* Onderzoekskosten [C] (ex btw) € 18.421,25 3”
2.7
Bijlage 3 betreft een factuur van 10 maart 2017 van [C] aan [A] BV, met als omschrijving “Rechercheonderzoek (voor specificatie zie bijlage)”. Het factuurbedrag exclusief BTW bedraagt € 18.421,25, te betalen binnen veertien dagen na de notadatum. Blijkens de specificatie heeft de factuur betrekking op werkzaamheden verricht in de periode van 24 februari 2017 tot en met 10 maart 2017.
2.8
Het hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:

Vordering van de benadeelde partij [A] B.V.
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 879.250,37 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 165.781,85 te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Ten aanzien van de verpakkingen
De benadeelde partij heeft als schadepost een bedrag opgevoerd van € 860.829,12, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze schade ziet op het wegnemen van in totaal 1.504 verpakkingen van de medicijnen Truvada en Atripla.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 20 verpakkingen Truvada heeft verduisterd. Daarvan zijn 4 verpakkingen door verdachte verkocht. Het hof gaat ervan uit dat de overige 16 verpakkingen, die op 1 maart 2017 onder verdachte zijn aangetroffen, zijn geretourneerd aan [A] .
De inkoopprijs van de verpakkingen bedraagt € 508,14 per stuk.
De schade wordt derhalve als volgt begroot:
4 verpakkingen a € 508,14 = € 2.032,56
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Ten aanzien van de kosten van het onderzoeksbureau
De benadeelde partij heeft daarnaast als schadepost een bedrag van € 18.421,24 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze schade ziet op door het onderzoeksbureau gemaakte kosten.
In beginsel kunnen in redelijkheid gemaakte kosten ter vaststelling van schade of aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW) voor vergoeding in aanmerking komen.
Het hof stelt vast dat het onderzoek in casu heeft bijgedragen aan de vaststelling van de aansprakelijkheid zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
(…)
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van
artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
2.9
Ingevolge art. 361 lid Pro 2, aanhef en onder b, Sv kan de benadeelde partij in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. [1] Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW Pro aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel. Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Als vermogensschade komen ingevolge art. 6:96 lid 2 sub b BW Pro mede voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, waaronder ook zijn begrepen de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen. [2] De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd. [3]
2.1
De eerste deelklacht houdt in dat uit de beslissing van het hof niet kan volgen dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de kosten en het bewezen verklaarde feit, althans dat de beslissing dat daarvan sprake is onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen omkleed. Het Hof heeft – zo begrijp ik – geoordeeld dat onder rechtstreekse schade in de zin van art. 361 lid Pro 2, aanhef en onder b, Sv in het onderhavige geval mede zijn te verstaan de kosten die door [A] BV als benadeelde partij zijn gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen. In de overwegingen van het hof ligt voorts als zijn oordeel besloten dat ook is voldaan aan de vereisten dat de kosten die door de benadeelde partij te dezer zake zijn gevorderd in redelijkheid zijn gemaakt en ook in omvang redelijk zijn. Dat oordeel geeft, mede in het licht van art. 6:96 BW Pro niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de voor het bewijs gebruikte (niet ondergetekende) proces-verbaal van aangifte refereert aan het door [C] uitgevoerde onderzoek en ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij geen verweer is gevoerd, althans niet op dit punt. De enkele omstandigheid dat het onderzoek door [C] onvoldoende basis biedt voor een bewezenverklaring van de gehele tenlastelegging, en de vordering wat betreft de verduisterde medicijnen (in plaats van de gevorderde € 860.829,12) als gevolg daarvan slechts is toegewezen tot een bedrag van € 2.032,56, maakt dat niet anders. [4]
2.11
De eerste deelklacht faalt.
2.12
De tweede deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat de aanvangsdatum voor de wettelijke rente (ook) wat betreft de onderzoekskosten wordt bepaald op 1 maart 2017.
2.13
Het oordeel van het hof dat de materiële schade ook voor wat betreft de kosten van het onderzoeksbureau van € 18.241,24 is ingetreden op 1 maart 2017 is niet begrijpelijk omdat uit de onder randnummer 2.7 beschreven Bijlage 3 bij het verzoek tot schadevergoeding volgt dat de benadeelde partij een factuur van 10 maart 2017 heeft ontvangen van [C] voor de betreffende kosten. [5] De klacht is terecht voorgesteld, maar gelet op het geringe financiële belang van iets meer van € 12,- heeft de verdachte onvoldoende belang bij cassatie. [6]

3.Slotsom

3.1
Het middel kan niet tot cassatie leiden en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
2.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
3.HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797,
4.Vgl. (ten aanzien van buitengerechtelijke kosten in de zin van art. 6:96 lid 2 sub c BW Pro) HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9086.
5.Vgl. 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:629.
6.Vgl. 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558. Zie bijv. ook HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:185 (HR: 80a).