ECLI:NL:PHR:2026:570

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
24/00418
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26.1 WWMArt. 13.1 WWMArt. 6 EVRMArt. 63 SrArt. 225 Sr lid 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf voor bezit vuurwapen ondanks overschrijding redelijke termijn

De verdachte werd door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voor het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie en andere wapens. Het hof ’s-Hertogenbosch bevestigde dit vonnis, waarbij het ook rekening hield met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep.

De verdediging stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gereageerd op het standpunt dat de straf verder verminderd had moeten worden vanwege de forse termijnoverschrijding. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof uitvoerig had gemotiveerd waarom slechts een maand strafvermindering werd toegepast en dat dit oordeel niet onbegrijpelijk was.

Daarnaast wees de Hoge Raad klachten over de toepassing van LOVS-oriëntatiepunten, de motivering van de vrijheidsbenemende straf en de toepassing van artikel 63 Sr Pro af. De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad constateerde ambtshalve ook een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, maar zag geen aanleiding tot vernietiging van het arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gevangenisstraf van twee maanden ondanks de overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00418
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 januari 2024 [1] het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 17 december 2018 bevestigd, met aanvullende overwegingen met betrekking tot het bewijs en de opgelegde straf. In dat vonnis is de verdachte veroordeeld wegens 1 “handelen in strijd met artikel 26 eerste Pro lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III [m.b.t. het pistool] en handelen in strijd met artikel 26 eerste Pro lid van de Wet wapens en munitie [m.b.t. de munitie]” en 2 “handelen in strijd met artikel 13 eerste Pro lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00419 en 24/00421. In deze zaken is het cassatieberoep op 6 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Namens de verdachte heeft S.B.M.A Engelen, advocaat in Venlo, één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de zeer forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep.
2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 december 2023 en 16 januari 2024 heeft de raadsman van de verdachte op de terechtzitting van 12 december 2023 het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

UOS 8 redelijke termijn
Met de Advocaat-Generaal is de verdediging het eens dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De strafzaak heeft reeds in eerste aanleg onnodig lang geduurd en een berechting heeft naar de mening van de verdediging toen al niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Daarbij komt dat uit het dossier blijkt dat de vertraging die deze zaak heeft opgelopen doordat de verdediging nog onderzoekswensen had in eerst aanleg dat niet aan [verdachte] valt aan te rekenen. Het enkele feit dat er door de verdediging een aanhoudingsverzoek is ingediend, was kennelijk gelegen in het feit dat er nadere stukken zijn verzonden in de week voorafgaand aan deze zitting. De verdediging wenst daarbij nog op te merken dat naast deze strafzaak in hoger beroep er inmiddels ook een ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt bij de rechtbank Oost-Brabant.
Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, moet het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is in casu geen sprake. Dat betekent dat de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen 16 maanden worden afgedaan (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverwegingen 3.13 tot en met 3.16.). Die termijn zijn als geconstateerd niet gehaald. Aldus dient daarmee rekening te worden gehouden indien uw Gerechtshof komt te oordelen over een op te leggen straf.”
2.3
Volgens dit proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte in aanvulling op die pleitnota – voor zover van belang – ter terechtzitting nog aangevoerd:

Op pagina 32, in de eerste alinea:
De redelijke termijn is begonnen op de dag van de doorzoeking, namelijk 9 juli 2015, en in hoger beroep op de datum van het instellen van het hoger beroep.
(Opmerking griffier: de raadsman heeft, anders dan in de pleitnota is vermeld, niet gezegd dat de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep binnen 16 maanden moest worden afgedaan.)
Aan het einde van de pleitnota:
[…]
De redelijke termijn is fors overschreden. Cliënt heeft al 5 jaar de wetenschap dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dreigt en dat het restaurant dan ten onder zal gaan. Met dat in het achterhoofd heeft hij al die jaren dag en nacht geleefd. Geen enkel moment is er vrije tijd, hij is alleen maar in het restaurant en al die tijd hangt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf boven zijn hoofd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals de advocaat-generaal vandaag eist is gelet op die situatie nu niet meer proportioneel, noch passend. Dat kan niet als een rechtvaardige afdoening worden gezien.”
2.4
Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt ten aanzien van de straftoemeting het volgende in:

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Bij vonnis van 17 december 2018 van deze rechtbank is verdachte voor overtreding van artikel 225 eerste Pro lid van het Wetboek van Strafrecht en artikel 420bis eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Gelet op het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank bij het bepalen van de voor de hiervoor bewezen verklaarde feiten op te leggen straf, met die veroordeling rekening houden.

Strafverzwarende omstandigheden
Verdachte heeft een pistool met daarbij behorende munitie, een veerdrukpistool en een luchtdrukwapen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke wapens en munitie brengt grote veiligheidsrisico's met zich mee en vormt vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting een maatschappelijk kwaad dat ernstig dient te worden bestraft. Enkel voor het bezit van een pistool met daarbij behorende munitie wordt doorgaans al een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

Strafmatigende omstandigheden
Verdachte is niet eerder voor overtreding van de Wet wapens en munitie veroordeeld. Bovendien is er sedert het plegen van het bewezen verklaarde feit geruime tijd verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

De strafmodaliteit
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het bewezen verklaard is zo ernstig van aard dat oplegging van de door de officier van justitie in beginsel een passende straf zou zijn. Het tijdsverloop tussen het plegen van deze feiten en de berechting van verdachte daarvoor op de zitting van 3 december 2018 brengen de rechtbank ertoe om een lagere gevangenisstraf op te leggen.

Conclusie
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.”
2.5
Het hof heeft in zijn arrest overwogen:

Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zicht met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust.
Mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, overweegt het hof nog als volgt.
[…]
Aanvullende overweging met betrekking tot de opgelegde straf
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan hem gelet op zijn persoonlijke omstandigheden en de forse overschrijding van de redelijke termijn geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd.
Evenals de rechtbank, heeft het hof bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde overweegt het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (langdurig) voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie in de kluis in de keuken van zijn horecapand, alsmede twee op een vuurwapen gelijkende voorwerpen in de woning. Vuurwapens en munitie worden gebruikt bij het plegen van zeer ernstige strafbare feiten, waaronder levensdelicten, en vormen daarmee een aanzienlijke bedreiging voor de samenleving. Het onbevoegd voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de maatschappij met zich. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen met munitie is daarom een feit dat streng moet worden bestraft.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2023 en zijn overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Uit genoemd Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld ter zake van feiten die strafbaar zijn gesteld in de Wet wapens en munitie.
Bij de beslissing omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf heeft het hof tevens kennis genomen van de binnen de rechtspraak ontwikkelde LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten geven thans als indicatie voor de op te leggen straf bij het voorhanden hebben van een pistool (in een woning), noch los van de munitie, het veerdrukpistool en het luchtdrukwapen: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde ging het echter om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Gelet op het bovenstaande acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden. Evenwel, is in deze zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte is in eerste aanleg in verzekering gesteld op 10 juli 2015, terwijl de rechtbank vonnis heeft gewezen op 17 december 2018. Er is daarmee sprake van een tijdsverloop van meer dan 2 jaren sinds de datum van de inverzekeringstelling; er zijn ruim 3 jaren en 5 maanden verstreken. Ook het hoger beroep, dat namens de verdachte werd ingesteld op 28 december 2018, heeft veel langer geduurd dan 2 jaren. Omdat het hof op 30 januari 2024 uitspraak doet, gaat het om een tijdsverloop van ruim 5 jaren. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die dit lange tijdsverloop rechtvaardigen. Dit brengt met zich dat met name ook in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in forse mate is overschreden.
Gezien de mate van de termijnoverschrijding zal het hof de op te leggen straf met één maand verminderen en – evenals de rechtbank – volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van het voorarrest.”
2.6
Zoals al opgemerkt, klaagt het middel dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de zeer forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. In de toelichting wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat vanwege de geconstateerde mate van overschrijding van de redelijke termijn de op te leggen straf met één maand wordt verminderd en – evenals door de rechtbank – een gevangenisstraf van twee maanden wordt opgelegd, niet begrijpelijk is. Naast de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim anderhalf jaar, is in hoger beroep de redelijke termijn overschreden met ruim drie jaren. Gewezen wordt op een arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 [2] waaruit onder meer zou volgen dat de strafvermindering afhankelijk is van de mate van overschrijding. Volgens de steller van het middel had het hof in hoger beroep extra strafvermindering moeten toepassen, zoals door de verdediging is bepleit. Het hof zou op dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt in het geheel niet hebben gereageerd. Ook zou de door het hof opgelegde straf verbazing wekken, omdat niet nader is gemotiveerd waarom tot dezelfde strafoplegging wordt gekomen als in eerste aanleg.
2.7
Uit ’s hofs overwegingen volgt dat het uitvoerig heeft stilgestaan bij de overschrijding van de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Het hof heeft in dit kader overwogen dat in eerste aanleg tussen de datum van de inverzekeringstelling en het wijzen van het vonnis ruim drie jaren en vijf maanden zijn verstreken, en dat ook het hoger beroep veel langer heeft geduurd dan twee jaren, namelijk vijf jaren. Het hof overweegt dat het geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die dit lange tijdsverloop rechtvaardigen en komt tot de conclusie dat dit meebrengt “dat met name ook in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in forse mate is overschreden.” Vervolgens oordeelt het hof dat het gezien de mate van de termijnoverschrijding de op te leggen straf met één maand zal verminderen en – evenals de rechtbank – zal volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
2.8
Met vorenstaande overwegingen heeft het hof er expliciet blijk van gegeven rekening te hebben gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. [3] Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Daarnaast heeft het hof vanwege die termijnoverschrijdingen één maand strafvermindering toegepast, hetgeen neerkomt op een derde van de straf van drie maanden gevangenisstraf die het hof gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in beginsel passend en geboden acht. Dat oordeel acht ik, anders dan de steller van het middel, niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik erop dat het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn en het eventueel daaraan te verbinden rechtsgevolg in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet snel sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verweven zal zijn met waarderingen van feitelijke aard. [4] Daar komt bij dat de Hoge Raad heeft benadrukt dat algemene regels omtrent de wijze waarop de straf moet worden verminderd, niet zijn te geven. In geval van zo’n vermindering dient de rechter in zijn uitspraak evenwel aan te geven in welke vorm of mate de straf is verminderd, waarbij onder meer als strafvermindering geldt, een straf die minder hoog is dan de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. [5] Er is aldus geen rechtsregel die voorschrijft dat het hof meer strafvermindering had moeten toepassen dan de rechtbank in eerste aanleg heeft gedaan.
2.9
Het door de steller van het middel gedane beroep op het zogenaamde verbazingscriterium kan ik niet volgen. Het verbazingscriterium ziet op situaties waarbij de opgelegde straf tegen de achtergrond van het bewezenverklaarde feit en de ter terechtzitting naar voren gekomen feiten en omstandigheden verbazing oproept en om die reden een extra motivering vereist. [6] Daarvan is in het onderhavige geval gelet op het voorgaande geen sprake. Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd hoe het tot de op te leggen straf komt. Daarbij heeft het hof – in meer dan algemene bewoordingen – acht geslagen op de ernst van het bewezenverklaarde, de persoon van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep.
2.1
De steller van het middel werpt in de toelichting voorts nog de volgende klachten op. In de eerste plaats zou het hof ten onrechte zijn uitgegaan van de in 2024 geldende oriëntatiepunten, terwijl in eerste aanleg werd uitgegaan van de oriëntatiepunten uit 2018. Ook zou het hof in weerwil van art. 359 lid 6 Sv Pro onvoldoende hebben gemotiveerd waarom de oplegging van een vrijheidsbenemende sanctie in dit geval passend en geboden is. Tot slot voert de steller van het middel aan dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 63 Sr Pro. Hoewel de relatie tussen deze klachten en het middel mij eerlijk gezegd ontgaat, zal ik volledigheidshalve ook kort op deze klachten ingaan.
2.11
Te beginnen bij het eerste punt. De LOVS-oriëntatiepunten vormen geen recht in de zin van art. 79 RO Pro en de uitleg of toepassing daarvan kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. [7] Onbegrijpelijk is die uitleg of toepassing door het hof niet. Dat wordt niet anders doordat het hof – in afwijking van de rechtbank en zonder nadere motivering – bij de strafoplegging het op dat moment geldende LOVS-oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een pistool (in een woning) tot uitgangspunt heeft genomen, nu dit oriëntatiepunt uitgaat van een straf die ruim onder het strafmaximum voor het geheel van het bewezenverklaarde ligt zoals geldend ten tijde van het begaan daarvan. Voor zover door de steller van het middel wordt aangevoerd dat de strafoplegging niet begrijpelijk is, omdat het hof ten onrechte en zonder nadere motivering is uitgegaan van de in 2024 geldende LOVS-oriëntatiepunten, faalt het aldus.
2.12
Het hof heeft – zoals uit het vorenstaande blijkt – gemotiveerd waarom het tot een vrijheidsbenemende straf komt zoals bedoeld in art. 359 lid 6 Sv Pro, zodat deze klacht feitelijke grondslag mist.
2.13
Voor zover de steller van het middel tot slot nog klaagt dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 63 Sr Pro, mist het eveneens feitelijke grondslag. Het hof heeft immers het vonnis in eerste aanleg, waarin art. 63 Sr Pro wordt aangehaald, bevestigd en heeft de redengeving waarop het vonnis berust overgenomen. Wat het hof in het arrest overweegt met betrekking tot de opgelegde straf, vormt slechts een aanvulling op hetgeen in eerste aanleg is overwogen, mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 9 februari 2024. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro ook in de cassatiefase overschreden. De Hoge Raad zal gelet op de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en de mate van overschrijding naar mijn verwachting kunnen volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [8] Ook verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met parketnummer 20-004099-18. Het arrest is gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSHE:2024:318.
2.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
3.Het hof heeft daarbij het tijdsverloop in eerste aanleg en hoger beroep afzonderlijk beoordeeld. Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
5.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
6.G.J.M. Corstens,
7.Vgl. HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6702,
8.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,