ECLI:NL:PHR:2026:586

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
26/00088
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 lid 1 WzdArt. 24 lid 2 WzdArt. 24 lid 3 WzdArt. 26 lid 6 WzdArt. 27 lid 1 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt machtiging opname en verblijf bij dementie ondanks verzoek contra-expertise

Betrokkene, een vrouw met een diagnose dementie, werd op 22 september 2025 opgenomen in een zorginstelling op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd). Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank Gelderland om een machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden. De rechtbank verleende deze machtiging op 24 oktober 2025, waarbij zij oordeelde dat betrokkene leed aan een psychogeriatrische aandoening die leidde tot ernstig nadeel, en dat opname noodzakelijk en geschikt was om dit nadeel te voorkomen.

Betrokkene en haar advocaat voerden verweer, onder meer door te betogen dat de medische gegevens onvoldoende waren en dat een contra-expertise noodzakelijk was. Tijdens de zitting werden diverse deskundigen gehoord, waaronder een specialist ouderengeneeskunde en een psycholoog, die bevestigden dat betrokkene dementie had en zorgwerend gedrag vertoonde. De rechtbank wees het verzoek om contra-expertise gemotiveerd af, stellende dat de diagnose voldoende was onderbouwd en dat de fase van dementie niet bepalend was voor het oordeel over de psychogeriatrische aandoening.

In cassatie klaagde betrokkene over de motivering van de rechtbank, met name over de afwezigheid van de onafhankelijke specialist ouderengeneeskunde bij de zitting en het ontbreken van een contra-expertise. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank voldoende gemotiveerd had geoordeeld en dat het verzoek om contra-expertise terecht was afgewezen. Ook het oordeel over het ernstig nadeel werd als begrijpelijk en voldoende gemotiveerd beoordeeld. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de machtiging tot opname en verblijf in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de machtiging tot onvrijwillige opname en verblijf van betrokkene met dementie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/00088
Zitting12 juni 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Centrum Indicatiestelling Zorg,
verweerder in cassatie,
hierna: het CIZ.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wzd-zaak is ten aanzien van betrokkene een machtiging tot opname en verblijf verleend voor de verzochte duur van zes maanden. In cassatie wordt ten eerste geklaagd dat de rechtbank in de bestreden beschikking heeft gesuggereerd dat de specialist ouderengeneeskunde die de medische verklaring heeft opgesteld ter zitting aanwezig was en een nadere toelichting heeft gegeven, terwijl dat niet het geval was. Verder wordt geklaagd dat de rechtbank zonder enige nadere motivering het verzoek van betrokkene om een contra-expertise heeft afgewezen. Ook wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van ernstig nadeel. Naar mijn mening kan geen van de klachten slagen.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Betrokkene verblijft bij [stichting] (hierna: [stichting]), [verblijfplaats]. [1]
2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen op 6 oktober 2025, heeft het CIZ de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) verzocht ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden. [2]
2.3
Als bijlage bij het verzoekschrift is een medische verklaring van 2 oktober 2025 gevoegd, die is opgemaakt door een onafhankelijk arts (specialist ouderengeneeskunde). In deze medische verklaring is de vraag of naar het oordeel van de onafhankelijke arts sprake is van een psychogeriatrische aandoening, een verstandelijke beperking, een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een daaraan gelijkgestelde aandoening, met “ja” beantwoord (zie rubriek 5.a). Die bevinding is als volgt toegelicht:
“5. Onderzoek
(…)
b. Tot welke diagnose bent u gekomen?
Dementie (meest waarschijnlijk van vasculaire origine op basis van eerdere diagnostiek vermeld in het dossier) waarbij er geen sprake is van ziekte-inzicht.
(…)
d. Zijn er andere relevante diagnoses en welke?
Frequent vallen in thuissituatie multifactorieel bepaald bij dementie, verminderde mobiliteit met deconditionering (…).”
2.4
Met betrekking tot het ernstig nadeel is in deze medische verklaring het volgende te lezen (rubriek 6.b):
“Er is een aanzienlijk risico op ernstig nadeel te weten ernstig lichamelijk letsel omdat mevrouw bij verblijf in haar eigen woning niet in staat is om tijdig te alarmeren wanneer zij valt (er is een verhoogd valrisico), niet in staat is om haar eigen dag in te delen en adequaat in haar maaltijden te voorzien (er is sprake van een matige intake en soms eten van bedorven eten/drinken). Thuiszorg inzetten is niet mogelijk omdat thuiszorg zich niet veilig voelt door dreigementen van partner van [dochter 1]. Ook [dochter 2], die voorheen voor boodschappen, maaltijden en het huishouden zorgde voelt zich niet meer veilig door dreigementen van partner van [dochter 1]. Voor recente opname in het ziekenhuis bestond al twijfel over de veiligheid van de situatie thuis waarbij thuiszorg en [dochter 1] al betrokken waren voor ondersteuning. Met wegvallen van deze ondersteuning is het gevaar in de thuissituatie ernstig toegenomen. (…)”
2.5
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. [3] Hierin is onder meer verzocht een contra-expertise te gelasten. Het verweerschrift luidt voor zover in cassatie van belang als volgt:
“De medische gegevens zijn onvoldoende, want er is mbt dementiële beelden veel gradatie. Mevrouw [betrokkene] is op leeftijd en er is wellicht sprake van vergeetachtigheid maar
in welke mate is totaal onduidelijk uit de stukken. Er wonen veel mensen nog thuis met een dementieel beeld. (…) Het is veel te vroeg om haar nu al op te nemen in een verpleeghuis, terwijl zij mbv dochter JV en thuiszorg en online hulp mbt boodschappen best thuis kan wonen.
Er dient daarom een contra-expertise te worden gelast: psychiater van CWZ [naam 1] of [naam 2] (…). Of een SO van het CWZ.
(…)
Er is sprake van een aanzienlijk vermogen van mevrouw [betrokkene] dat aangewend kan worden in het belang van mevrouw [betrokkene] zelf: hetzij om zo nodig aanvullende zelf betaalde hulp te organiseren in de thuis situatie, maar op de langere termijn kan ook een kleinschalige woonvorm worden gefinancierd, waar zij beter op haar plek is dan in [verblijfplaats].”
2.6
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2025. Daarbij zijn betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, en drie dochters van betrokkene gehoord. Verder zijn gehoord een specialist ouderengeneeskunde en een psycholoog (beiden via beeldbelverbinding), een verpleegkundig specialist, een zorgmedewerker en een leerling-verpleegkundige, allen verbonden aan [stichting]. [4] Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.7
Blijkens het proces-verbaal is ter zitting, voor zover in cassatie relevant, het volgende verklaard:
p. 4:

Advocaat: (…) Hoeveel gradaties heeft een dementieel beeld?
Psycholoog: Er zijn vier fases van dementie. Wij hebben niet vast kunnen stellen waar mevrouw zit. In 2023 of 2024 was er een cognitieve afwijkende screening. Toen ook van onderzoek bij geriater sprake geweest, maar dat is verder niet doorgezet. Dus de specifieke fase weten we niet.”
p. 5:

Advocaat: Ik betwist de feitelijkheden die in de stukken staan. (…) [Dochter 1] woont naast moeder. [Dochter 1] en meneer [naam van partner van dochter 1], die kunnen ook een en ander doen voor haar. Ze kunnen in ieder geval elke dag langs. Moeder is niet zorgmijdend. Er is wellicht vergeetachtigheid, maar in welke mate? Met een dementieel beeld wonen veel mensen thuis. Wil aannemen dat er zorgen zijn over hoe dat nu moet, maar het is te vroeg haar nu al op te nemen. Er kunnen ook online boodschappen worden besteld. Ik wil dat een specialist ouderengeneeskunde en een psychiater van het CWZ haar nog onderzoeken. Zij zijn geen behandelaren en niet door de zussen beïnvloed. Ik wil vragen om een contra-expertise. (…) Op langere termijn kan ook een kleinschalige woonvorm gevonden worden waar mevrouw beter op haar plek is. Er is daarvoor voldoende vermogen. Mevrouw wil naar huis, maar het verzet wordt weggemasseerd. Mevrouw is erg op zichzelf en ze wil niet hier zijn. Ze zegt dat ze het thuis zelf kan regelen. (…)
(…)
Advocaat:Er is een diagnose dementie, maar de mate van dementie is onbekend. Mij herkende ze meteen en ze is ook adequaat. De keren dat ik haar zag, gaf ze aan dat ze hier weg wilde en niet opgenomen wilde zijn. (…) Haar medische problematiek is ook niet zodanig ernstig. Er moet een contra-expertise komen. In de thuissituatie kan ze ook met hulp van [dochter 1] en thuiszorg thuisblijven. Dat is minder ingrijpend. Er zijn nog alternatieven. (…) Ze wil naar huis. Het wordt haar onmogelijk gemaakt. De rollator is al weg en er worden spullen uit haar huis gehaald. Ook is de medische verklaring gewoon vaag. Het is allemaal nog niet zo duidelijk.
Specialist ouderengeneeskunde: Mevrouw heeft dementie. De vorm van dementie is niet duidelijk. Zij kan geen situaties overzien en weet niet wanneer het eten er is. Heeft overal hulp voor nodig. Het is niet zo dat omdat er geen fase aan de dementie zit, dat er geen dementie is. Je kan het ook nooit 100% zeggen.
Psycholoog: Samen met de huisarts is er eerdere diagnostiek geweest. Gaat over augustus 2024. Huisarts had het voorstel gedaan voor vervolgonderzoek en dat is geweigerd door mevrouw. Veel mensen kiezen voor geen vervolgonderzoek”
p. 6:

Specialist ouderengeneeskunde: Mevrouw scoort 17 punten, dat is een slechte score. Wij hebben een brief van de eerste lijn van september 2024 met verwijzing naar SO eerste lijn. Ook een dossier samenvatting met verschillende journaals. Ik herken de diagnose ook in wat de zorg observeert in hulpbehoevendheid met ADL en het niet zelf eten. Verder uitdiepen leek ons niet zinvol.
Verpleegkundig specialist: Ziekte-inzicht ontbreekt bij mevrouw.
Specialist ouderengeneeskunde: Verhalen die niet helemaal kloppen en we zien duidelijk dat ze een vorm van dementie heeft.
Advocaat: Als de rechterlijke machtiging wordt verleend, gaat u dan nog nader naar de diagnose kijken om de mate van dementie vast te stellen?
Specialist ouderengeneeskunde: Mate maakt niet uit. Maakt uit welke hulp iemand nodig heeft en of ze die accepteert. Mate is een getal, kijken naar geheel.”
p. 7:

Rechter:Is het mogelijk dat zij met uw zorg en thuiszorg thuis blijft wonen?
[Dochter 1]:Dat kan heel goed. Niet de intentie dat ze bij mij komt wonen. Weet goed wat ze doet en wil. (…) Ik heb bij mijn moeder niet gemerkt dat er een gevaar is. Ze is heel bedachtzaam. (…) Ik vermijd ieder conflict en zorg voor mijn moeder en dat doe ik graag. Hou zielsveel van haar. Het is een ideale situatie. Ze kan iedere hulp kopen die ze wil en met thuiszorg veel mogelijkheden. Ik vind het totale onzin.
Betrokkene:Ze is een lief meisje en ze wil voor mij zorgen, ze woont naast mij en mooier kan niet.
Advocaat:Misschien dat in de thuissituatie de contra-expertise kan worden gevraagd?”
2.8
Bij mondelinge uitspraak van 24 oktober 2025, op schrift gesteld op 5 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking), [5] heeft de rechtbank een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van betrokkene verleend en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met 24 april 2026. Hiertoe heeft de rechtbank – voor zover in cassatie van belang – het volgende overwogen:
“4.2. Anders dan door de advocaat is bepleit is de rechtbank van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, betrokkene heeft namelijk dementie. De advocaat heeft tijdens de zitting verzocht om een contra-expertise te laten uitvoeren, de advocaat voert daartoe aan dat de medische gegevens onvoldoende zijn, omdat met betrekking tot dementie veel gradaties bestaan. De mate van dementie volgt volgens de advocaat niet uit de stukken. Daarnaast wonen veel mensen nog thuis met een dementieel beeld. De rechtbank heeft echter geen reden om te twijfelen aan de door de specialist ouderengeneeskunde in de medische verklaring van 2 oktober 2025 gestelde diagnose. De onafhankelijke specialist ouderengeneeskunde heeft de diagnose dementie, meest waarschijnlijk met een vasculaire origine, gesteld. De specialist heeft deze diagnose gesteld op basis van haar eigen onderzoek van betrokkene, dossieronderzoek en gesprekken met de behandelaar en het zorgpersoneel. De specialist ouderengeneeskunde heeft verder toegelicht dat het gedrag dat betrokkene vertoont past bij de gestelde diagnose dementie. Ook bevindt zich in het dossier een verklaring van de huisarts van 10 oktober 2025 waarin de huisarts de diagnose dementie stelt. De specialist ouderengeneeskunde heeft op de zitting toegelicht dat uit het medisch dossier blijkt dat de huisarts deze diagnose heeft gesteld op basis van door hem verricht onderzoek in 2024. De huisarts heeft een voorstel gedaan voor vervolgonderzoek maar dit is door betrokkene destijds geweigerd. Tijdens de zitting heeft de specialist ouderengeneeskunde toegelicht dat de fase van dementie bij betrokkene niet bekend is. Dat er daarmee geen sprake zou zijn van dementie blijkt daaruit echter niet. De Wzd vereist dat gedrag van een betrokkene als gevolg van een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap leidt tot ernstig nadeel. Dementie is een psychogeriatrische aandoening. Dat voor betrokkene niet vaststaat in welke fase haar dementie zich bevindt, maakt niet dat er geen sprake meer zou zijn van een psychogeriatrische aandoening. De rechtbank volgt het verweer van de advocaat daarom niet en zal geen nader onderzoek naar de diagnose laten verrichten.
4.3.
Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
4.4.
Uit de stukken en zitting volgt dat er een verhoogd valrisico is voor betrokkene en dat zij niet in staat is om tijdig mensen te alarmeren als zij valt. Betrokkene zelf zegt dat zij thuis een keer is gevallen, omdat [dochter 2] boodschappen in haar handen drukte. Tijdens de zitting hebben de behandelaren echter toegelicht dat ook op de huidige afdeling wordt gezien dat betrokkene valgevaarlijk is en dat zij daarbij niet in staat is om te alarmeren. Ook is betrokkene niet in staat om haar eigen dag in te delen en in haar maaltijden te voorzien. Tijdens het huidige verblijf van betrokkene in de accommodatie wordt gezien dat zij zelf geen aanstalten maakt om te eten. Volgens de familie was er daarnaast sprake van het eten of drinken van bedorven producten in de thuissituatie. Betrokkene is zorgwerend en accepteert geen ondersteuning voor algemeen dagelijkse levensverrichtingen. De behandelaren hebben tijdens de zitting toegelicht dat betrokkene sinds haar opname slechts één keer heeft gedoucht, omdat zij hulp niet toestaat. Ook is tijdens de zitting gebleken dat betrokkene niet weet dat zij medicatie moet innemen en dat zij vuile en schone was structureel door elkaar haalt.
4.5.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Uit de stukken volgt dat indien betrokkene naar haar eigen huis terugkeert er sprake is van een aanzienlijk risico op ernstig nadeel. Betrokkene heeft meer zorg nodig dan haar thuis kan worden geboden. Betrokkene heeft 24-uurs sturing, begeleiding en toezicht nodig. De noodzakelijke zorg en begeleiding kan betrokkene binnen de accommodatie worden geboden.
(…)
4.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De advocaat heeft tijdens de zitting bepleit dat betrokkene nog thuis kan wonen met ondersteuning van [dochter 1]. Ook zouden boodschappen thuisbezorgd kunnen worden. Uit de stukken volgt echter dat thuiszorg inzetten niet mogelijk is, omdat zij zich niet veilig voelen door dreigementen van [dochter 1] en haar partner. Ook [dochter 2], zij deed voorheen de boodschappen en het huishouden voor betrokkene, voelt zich niet meer veilig door dreigementen van de partner. Uit de stukken volgt bovendien dat [dochter 1] en haar partner geen inzicht hebben in de zorg die betrokkene nodig heeft. Zij hebben haar bijvoorbeeld meegenomen uit het verpleeghuis zonder haar medicatie, rollator en kunstgebit. Daarnaast kan de 24-uurs begeleiding, toezicht en niet-planbare zorg die betrokkene nodig heeft, onder andere in verband met het verhoogde valrisico, niet in de thuissituatie worden geboden. De rechtbank volgt het verweer van de advocaat daarom niet.”
2.9
Betrokkene heeft tijdig [6] beroep in cassatie ingesteld tegen de bestreden beschikking. Bij brief, ingekomen op 28 januari 2026, heeft het CIZ laten weten geen verweer te zullen voeren.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel Iis gericht tegen het oordeel in r.o. 4.2 dat de rechtbank geen nader onderzoek zal laten verrichten naar de diagnose dementie.
Onderdeel IIis gericht tegen r.o. 4.4, waarin de rechtbank haar oordeel dat sprake is van ernstig nadeel heeft gemotiveerd.
Onderdeel I
3.2
Onderdeel I klaagt dat de overwegingen van de rechtbank in r.o. 4.2 van de bestreden beschikking in strijd zijn met verschillende bepalingen in de Wzd (artikel 26 lid Pro 6, aanhef en onder d, artikel 27 en Pro artikel 38 lid Pro 4, aanhef en onder e, Wzd) en met artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM in verbinding met artikel 6 lid 1 EVRM Pro, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn. Uit de toelichting op het onderdeel maak ik de volgende concrete klachten op:
- eerste klacht (toelichting op het onderdeel, onder 1.1): de rechtbank heeft in de bestreden beschikking gesuggereerd dat de specialist ouderengeneeskunde die de medische verklaring heeft opgesteld ter zitting aanwezig was en een nadere toelichting heeft gegeven, terwijl dat niet het geval was;
- tweede klacht (toelichting op het onderdeel, onder 1.2-1.4): gelet op de in het onderdeel aangehaalde passages uit het verweerschrift [7] en het proces-verbaal [8] is het onbegrijpelijk dat de rechtbank zonder enige nadere motivering het verzoek om een contra-expertise heeft afgewezen. Dat dementie een psychiatrische aandoening is, betekent niet dat iedereen die als dement kan worden gezien ook tegen zijn wil in een verpleeghuis moet worden opgenomen. De fase waarin de dementie verkeert is uitermate belangrijk.
3.3
Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden.
3.4
De
eerste klachtmaakt om te beginnen niet duidelijk waar specifiek en hoe in r.o. 4.2 de rechtbank zou hebben gesuggereerd dat de onafhankelijke specialist ouderengeneeskunde die de medische verklaring heeft afgelegd ter zitting aanwezig was en aldaar een nadere toelichting heeft gegeven. Daarmee voldoet de klacht mijns inziens niet aan de daaraan te stellen eis dat deze met bepaaldheid en precisie vermeldt welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. [9]
3.5
Voor zover de klacht erop zou zien dat de rechtbank in de tiende [10] en twaalfde [11] volzin van r.o. 4.2 spreekt over een specialist ouderengeneeskunde, terwijl even daarvoor (de vijfde tot en met achtste volzin) met die term nog werd gedoeld op de onafhankelijke ter zake kundige arts die de medische verklaring heeft afgelegd, faalt de klacht ook. In r.o. 1.2 van de bestreden beschikking is opgesomd wie bij de mondelinge behandeling zijn gehoord. De specialist ouderengeneeskunde die de medische verklaring heeft afgelegd ([specialist ouderendeskundige 1]) behoort daar niet toe. Uit r.o. 1.2 blijkt dat wel [specialist ouderendeskundige 2], als specialist ouderengeneeskunde verbonden aan [stichting], via een beeldbelverbinding is gehoord. In het licht hiervan is mijns inziens zonneklaar dat de rechtbank in de hiervoor genoemde tiende en twaalfde volzin van r.o. 4.2, waar wordt ingegaan op de ter zitting door de specialist ouderengeneeskunde gegeven toelichting, het oog heeft op de specialist ouderengeneeskunde die ter zitting aanwezig was, en daarmee niet op de onafhankelijke specialist ouderengeneeskunde die de medische verklaring heeft afgelegd.
3.6
De eerste klacht van onderdeel I faalt dan ook.
3.7
Met betrekking tot de
tweede klachtvan dit onderdeel, en ook reeds met het oog op onderdeel II dat aan bod komt onder 3.24 e.v. hierna, stel ik het volgende voorop.
3.8
Op grond van artikel 24 lid 1 Wzd Pro is onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van een betrokkene alleen mogelijk met een rechterlijke machtiging in een geregistreerde accommodatie. De opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf is onvrijwillig, indien de betrokkene zich daartegen verzet (art. 24 lid Pro 2, aanhef en onder a, Wzd).
3.9
Op grond van artikel 24 lid 3 Wzd Pro kan de rechter op verzoek van het CIZ een machtiging als bedoeld in artikel 24 lid 1 Wzd Pro verlenen indien naar het oordeel van de rechter:
a. het gedrag van een betrokkene als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel;
b. de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf noodzakelijk is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden;
c. de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf geschikt is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden, en
d. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden.
3.1
Op grond van artikel 26 lid Pro 6, aanhef en onder d, Wzd legt het CIZ onder meer, kort gezegd, een medische verklaring over van een onafhankelijk ter zake kundige arts die de betrokkene met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht. Uit deze medische verklaring moet onder meer blijken dat er sprake is van gedrag van de betrokkene als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, dat leidt tot ernstig nadeel (art. 27 lid Pro 1, aanhef en onder b, Wzd).
3.11
Artikel 27 lid 2 Wzd Pro bepaalt dat de medisch verklaring inzicht verschaft in de actuele situatie van de betrokkene, met redenen wordt omkleed en wordt ondertekend. In de wet of wetsgeschiedenis worden geen nadere eisen gesteld aan de motivering van de bevindingen van de onafhankelijke arts in de medische verklaring. Het is dus ter beoordeling van de rechter of de medische verklaring voldoende met redenen omkleed is. [12] Artikel 27 lid 3 Wzd Pro schrijft verder voor dat de arts die de verklaring opstelt van tevoren overleg pleegt met de zorgaanbieder die de betrokkene zorg verleent of, indien deze ontbreekt, met de huisarts van de betrokkene. Dat overleg dient ertoe om een zo volledig mogelijk beeld van de betrokkene te kunnen schetsen in de medische verklaring. [13]
3.12
De informatie waarop de rechter zijn beslissing om een machtiging te verlenen kan baseren, is niet beperkt tot het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken. De rechter heeft ook de mogelijkheid om zich ter zitting te laten voorlichten. [14] Op grond van artikel 38 lid 4 Wzd Pro laat de rechter zich zo mogelijk voorlichten door bepaalde personen, onder wie degene door wie de betrokkene feitelijk wordt verzorgd, de zorgverantwoordelijke en de onafhankelijke arts die de medische verklaring heeft afgelegd.
3.13
Op grond van artikel 38 lid 6 Wzd Pro kan de rechter een deskundigenonderzoek bevelen. Deze bepaling luidt als volgt:
De rechter kan onderzoek door deskundigen bevelen en is bevoegd deze deskundigen alsmede getuigen op te roepen. De rechter roept de door de cliënt opgegeven deskundigen en getuigen op, tenzij hij van oordeel is dat door het achterwege blijven daarvan de cliënt redelijkerwijs niet in zijn belangen kan worden geschaad. Indien hij een opgegeven deskundige of getuige niet heeft opgeroepen, vermeldt hij de reden daarvan in de beschikking.
3.14
Met de bevoegdheid tot het horen van de in artikel 38 lid 4 Wzd Pro genoemde personen als informant [15] en tot het bevelen van een onderzoek door een deskundige als bedoeld in artikel 38 lid 6 Wzd Pro heeft de rechter de mogelijkheid een zo compleet mogelijk beeld te krijgen met betrekking tot de actuele situatie van de betrokkene. [16]
3.15
De rechter mag zijn beslissing alleen op de aldus verkregen informatie baseren als de betrokkene zich daarover voldoende heeft kunnen uitlaten (art. 19 Rv Pro). [17]
3.16
In artikel 4a lid 1 Wzd zijn, in aanvulling op hetgeen uit de Wzd voortvloeit, de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing verklaard. In verband met de pendant van deze bepaling in de Wvggz (art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro) heeft de Hoge Raad recent voor het bewijsrecht een uitzondering op deze overeenkomstige toepassing aanvaard: [18]
“3.4 De rechter is vrij in de waardering van de verkregen informatie, ook als de betrokkene die informatie gemotiveerd heeft betwist. De aard van de Wvggz-procedure brengt mee dat de rechter in dat geval niet tot nadere bewijslevering behoeft over te gaan. De negende afdeling (‘Bewijs’) van de tweede titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in zoverre niet van overeenkomstige toepassing (art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro in verbinding met art. 284 lid 1 Rv Pro). Als de rechter aan zijn beslissing tot verlening van een machtiging informatie ten grondslag legt die de betrokkene voldoende gemotiveerd heeft betwist, moet hij zijn beslissing op dat punt motiveren. [19]
3.17
Ik keer terug naar de bespreking van de
tweede klachtvan onderdeel I. Geklaagd wordt dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank in r.o. 4.2 zonder enige nadere motivering het verzoek om een contra-expertise heeft afgewezen. Op de in het onderdeel aangehaalde vindplaatsen heeft de advocaat van betrokkene, voor zover hier van belang en kort samengevat, naar voren gebracht dat er fasen van dementie bestaan, dat bij betrokkene wellicht sprake is van vergeetachtigheid, maar dat de mate waarin daarvan sprake is niet duidelijk is, dat veel mensen met een dementieel beeld nog thuis wonen en dat een contra-expertise dus op zijn plaats is.
3.18
Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. De rechtbank heeft namelijk in r.o. 4.2 het verzoek om een contra-expertise wel gemotiveerd afgewezen.
3.19
Blijkens r.o. 4.2 van de bestreden beschikking heeft de rechtbank het betoog van de advocaat kennelijk opgevat als een betwisting dat bij betrokkene sprake is van een psychogeriatrische aandoening als bedoeld in de Wzd. De rechtbank heeft het betoog volgens mij – en overigens niet onbegrijpelijk – zo begrepen dat niet zozeer wordt betwist dat betrokkene lijdt aan dementie, [20] maar wel dat deze ziekte bij betrokkene in een zodanige fase is dat kan worden gesproken van een psychogeriatrische aandoening. De rechtbank overweegt, kort gezegd, dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de door de specialist ouderengeneeskunde in de medische verklaring gestelde diagnose (dementie, meest waarschijnlijk met een vasculaire origine), die ook wordt ondersteund door een verklaring van de huisarts en door wat de (behandelend) specialist ouderengeneeskunde ter zitting naar voren heeft gebracht. Dementie is een psychogeriatrische aandoening en dat voor betrokkene niet vaststaat in welke fase haar dementie zich bevindt, maakt niet dat geen sprake meer zou zijn van een psychogeriatrische aandoening, aldus de rechtbank. Daarom zal de rechtbank geen nader onderzoek laten verrichten, zo besluit de rechtbank. Daarmee heeft de rechtbank het verzoek om contra-expertise dus wel degelijk gemotiveerd afgewezen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is dit oordeel mijns inziens ook niet onbegrijpelijk.
3.2
Hoewel de klacht tegen r.o. 4.2 is gericht, lijkt het pijnpunt mijns inziens overigens niet zozeer te zitten bij het daarin gegeven oordeel dat is voldaan aan het criterium dat bij betrokkene sprake is van een psychogeriatrische aandoening. De klacht erkent namelijk dat dementie een psychogeriatrische aandoening is. In de klacht wordt echter aangevoerd dat dit niet betekent dat “iedereen die als dement kan worden gezien ook tegen zijn wil in een verpleeghuis moet worden opgenomen”. De strekking van de klacht lijkt hiermee veeleer dat
hoewelsprake is van een psychogeriatrische aandoening, dit niet een opname van betrokkene rechtvaardigt, nu de dementie bij betrokkene nog niet in een zodanig vergevorderd stadium is dat opname van betrokkene al daadwerkelijk geïndiceerd is.
3.21
Deze strekking van de klacht raakt de beoordeling van de overige criteria van artikel 24 lid 3 Wzd Pro in de rechtsoverwegingen 4.3-4.7. De rechtbank heeft daar onder meer gemotiveerd geoordeeld dat het gedrag dat voortvloeit uit de psychogeriatrische aandoening leidt tot het daar genoemde en nader toegelichte ernstig nadeel voor betrokkene (r.o. 4.3-4.4), dat de opname en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden (r.o. 4.5) en dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn die hetzelfde beoogde effect hebben (r.o. 4.7).
3.22
Hiermee heeft de rechtbank onder ogen gezien dat – in de bewoordingen van het middel – niet iedereen met een dementieel beeld ook tegen zijn wil in een verpleeghuis moet worden opgenomen, en gemotiveerd waarom dat in het geval van betrokkene naar het oordeel van de rechtbank wel het geval is. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat betrokkene 24-uurs sturing, begeleiding en toezicht nodig heeft, en dat dit meer is dan haar thuis kan worden geboden (zie r.o. 4.5 en r.o. 4.7). Kennelijk heeft de rechtbank zich voldoende geïnformeerd geacht en een contra-expertise ook op dit punt niet noodzakelijk geacht om voor zichzelf een zo compleet mogelijk beeld te schetsen van de actuele situatie van betrokkene, zodat door het achterwege blijven van de verzochte contra-expertise betrokkene redelijkerwijs niet in haar belangen kan worden geschaad (zie hiervoor onder 3.13-3.14). Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting zoals in het onderdeel aangehaald (zie ook hiervoor onder 2.7), is dat oordeel mijns inziens niet onbegrijpelijk.
3.23
Ook de tweede klacht van onderdeel I faalt dus.
Onderdeel II
3.24
Onderdeel II klaagt dat de overwegingen in r.o. 4.4 van de bestreden beschikking (hiervoor onder 2.8 geciteerd), onjuist zijn, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Uit de stukken en wat de rechtbank heeft overwogen blijkt volgens het onderdeel niet dat er werkelijk sprake is van een aanzienlijk risico op ernstig nadeel.
3.25
Ook de klachten van onderdeel II falen.
3.26
In de toelichting op het onderdeel wordt in de
eerste plaatsbetoogd dat bepaalde omstandigheden die de rechtbank in r.o. 4.4 in haar beoordeling betrekt (verhoogd valrisico en valgevaarlijkheid van betrokkene, het eten of drinken van bedorven producten in de thuissituatie door betrokkene en het structureel door elkaar halen van vuile en schone was), slechts zijn gesteld, maar nergens uit blijken. [21] Gelet op het navolgende kon de rechtbank deze omstandigheden mijns inziens in haar beoordeling betrekken.
3.27
Er is geen rechtsregel die inhoudt dat een rechter een gesteld feit slechts als vaststaand mag aannemen wanneer dat feit “ergens uit blijkt”. Volgens de hoofdregel van artikel 149 lid 1 Rv Pro komen feiten vast te staan doordat zij door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist. Voor de Wvggz-procedure heeft de Hoge Raad, zoals hiervoor onder 3.16 bleek, recent een uitzondering aanvaard op de toepasselijkheid van het bewijsrecht, en geëxpliciteerd dat de rechter in een dergelijke procedure vrij is in de waardering van de informatie die hij verkrijgt, en zelfs informatie die door de betrokkene voldoende gemotiveerd is betwist aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen, mits de beslissing op dat punt wordt gemotiveerd. Ik ga ervan uit dat dit evenzeer geldt in Wzd-procedures.
3.28
In dit verband merk ik specifiek met betrekking tot het gestelde verhoogde valrisico bij betrokkene op dat de rechtbank in haar motivering uitdrukkelijk aandacht heeft besteed aan de betwisting door betrokkene op dit punt, [22] te weten dat betrokkene heeft gezegd dat zij thuis een keer is gevallen omdat een van haar dochters boodschappen in haar handen drukte (r.o. 4.4, tweede volzin). De rechtbank gaat toch van een verhoogd valrisico uit, omdat behandelaren tijdens de zitting hebben toegelicht dat ook op de huidige afdeling wordt gezien dat betrokkene valgevaarlijk is en daarbij niet in staat is om te alarmeren. [23] Dat kon de rechtbank mijns inziens doen, nu betrokkene ter zitting voldoende gelegenheid heeft gehad zich hierover uit te laten (vgl. hiervoor onder 3.15-3.16).
3.29
In de
tweede plaatswordt ten aanzien van bepaalde door de rechtbank in r.o. 4.4 meegewogen omstandigheden (dat betrokkene in het verpleeghuis slechts eenmaal gedoucht heeft en dat betrokkene vuile en schone was structureel door elkaar haalt) in twijfel getrokken of deze ernstig nadeel opleveren. [24]
3.3
Dat deze omstandigheden elk op zichzelf mogelijk niet de kwalificatie ernstig nadeel kunnen dragen, sluit niet uit dat zij, in onderlinge samenhang beschouwd, wèl kunnen bijdragen aan het oordeel dat van ernstig nadeel sprake is. Mijns inziens kunnen de hier in het onderdeel bedoelde omstandigheden, in hun onderlinge samenhang en in samenhang met de andere door de rechtbank in haar beoordeling betrokken omstandigheden, het oordeel dragen dat sprake is van ernstig nadeel.
3.31
Specifiek met betrekking tot de overweging van de rechtbank dat de behandelaren tijdens de zitting hebben toegelicht dat betrokkene sinds haar opname slechts één keer heeft gedoucht, omdat zij hulp niet toestaat, is bovendien op te merken dat de rechtbank niet, zoals het onderdeel veronderstelt, heeft geoordeeld dat daarmee ernstig nadeel
isontstaan. De bedoelde overweging staat, net als die over het door elkaar halen van de vuile en schone was, niet op zichzelf, maar moet worden gelezen in verbinding met de daaraan voorafgaande overweging dat betrokkene zorgwerend is en geen ondersteuning accepteert voor algemeen dagelijkse levensverrichtingen. Dat vormt mede steun voor het oordeel dat er sprake is van een aanzienlijk risico op ernstig nadeel indien betrokkene naar haar eigen huis terugkeert.
3.32
Voor het overige faalt het onderdeel mijns inziens, omdat het in wezen een hernieuwde beoordeling van feitelijke aard vraagt, waarvoor in cassatie geen plaats is.
Slotsom
3.33
Uit het voorgaande volgt dat de klachten van de onderdelen I en II falen.
3.34
Daarmee ontvalt ook de grond aan het slotbetoog – een klacht kan ik daarin niet ontwaren – dat er geen psychogeriatrische stoornis is die betekent dat voldaan wordt aan de criteria van de Wzd en ook geen daaruit voortvloeiend ernstig nadeel dat tot een dergelijke conclusie zou moeten leiden.
3.35
Met het falen van onderdeel I faalt verder ook de kennelijke klacht aan het slot van het middel dat betrokkene niet een eerlijk proces heeft gehad als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat haar dringende verzoek om een deskundige in te schakelen door de rechtbank is gepasseerd.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Betrokkene is op 22 september 2025 aldaar opgenomen op grond van een besluit tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 21 Wzd Pro: zie o.m. het inleidend verzoekschrift, tweede bladzijde, en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 oktober 2025, p. 5 bovenaan. Op enig moment is betrokkene zich tegen het verblijf in de accommodatie gaan verzetten. Zie hierover onder meer het inleidend verzoekschrift, tweede bladzijde en r.o. 4.6 van de hierna te noemen bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland van 24 oktober 2025.
2.Zie aldus de hierna te noemen bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland van 24 oktober 2025, r.o. 3.1. In het inleidend verzoekschrift wordt gesproken over voortzetting van het verblijf; zie de vierde bladzijde onder het kopje ‘verzoek’.
3.Dat verweerschrift is bij de rechtbank ingekomen op 24 oktober 2025. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van diezelfde dag (p. 1, onderaan) is opgetekend dat de rechter heeft opgemerkt dat zij het verweerschrift twee minuten voor de zitting heeft gekregen en dit daardoor niet heeft kunnen bekijken.
4.Zie de hierna te noemen bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland van 24 oktober 2025, r.o. 1.2.
6.De procesinleiding is op 13 januari 2026 ingekomen in het digitale portaal van de Hoge Raad.
7.Hiervoor onder 2.5 geciteerd.
8.Het onderdeel verwijst naar de passages op p. 5, eerste, derde en vierde tekstblok, p. 6, zevende tekstblok en p. 7, negende tekstblok e.v. Deze en enkele andere passages zijn hiervoor onder 2.7 geciteerd.
9.Vaste rechtspraak; zie o.m. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639,
10.“De specialist ouderengeneeskunde heeft op de zitting toegelicht dat uit het medisch dossier blijkt dat de huisarts deze diagnose heeft gesteld op basis van door hem verricht onderzoek in 2024.”
11.“Tijdens de zitting heeft de specialist ouderengeneeskunde toegelicht dat de fase van dementie bij betrokkene niet bekend is.”
12.Zie mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2025:1254 (onder 3.9) voor HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:91 (art. 81 lid 1 RO Pro). Over de verhouding rechter – onafhankelijke deskundige en de toets door de rechter van de medische verklaring verwees ik daarin naar (onder de Wet Bopz) W.J.A.M. Dijkers,
13.Zie
15.Zie over dit horen van informanten mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2025:751 (onder 3.13-3.15) voor HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1450,
16.Zie
17.Vgl. in het kader van de Wvggz HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1883,
18.Zie de in de vorige voetnoot aangehaalde beschikking.
19.Voetnoot 6 in origineel: Vgl. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:625, rov. 3.2.
20.Zie de tweede en derde volzin van r.o. 4.2 van de bestreden beschikking: “De advocaat heeft tijdens de zitting verzocht om een contra-expertise te laten uitvoeren, de advocaat voert daartoe aan dat de medische gegevens onvoldoende zijn, omdat met betrekking tot dementie veel gradaties bestaan. De mate van dementie volgt volgens de advocaat niet uit de stukken.”
21.Zie de procesinleiding onder 2.1, eerste, tweede en vierde tekstblok.
22.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 2, vijftiende tekstblok.
23.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 4, eerste tekstblok.
24.Zie de procesinleiding onder 2.1, derde en vierde tekstblok.